donderdag 2 juli 2009

Toeval bestaat niet

Zesendertigste dag
Donderdag 2 juli 2009
Portomarin - Arzúa, 61 km

We verlaten de geweldige albergue van Portomarin om kwart over acht na een gezellig gezamenlijk ontbijt. Eerst eventjes omlaag naar de brug en dan begint een klim van 12 kilometer van 350 naar 720 meter. Meteen een tijdje 10 procent omhoog en daarna ietsjes minder - maar niet veel. We zitten nog steeds in de bergen, een landschap waarbij de Ardennen verbleken. Steil! Ze kijken hier niet op een procentje.

Na vier kilometer passeren we - eigenlijk ík alleen, want Frans is al een eind vooruit - de eerste horreo, zo’n typisch Galicisch droogschuurtje voor zaaigoed op kunstig bewerkte poten om ratten en muizen geen kans te geven. Even afstappen om een foto te maken. Dan weer verder. Ik heb het niet vandaag, het loopt niet. Na een uur afzien staat er pas 7 kilometer op de teller. Het is echt zwaar. Waarschuwingen van mensen die hier ooit gefietst hebben zijn terecht. Denk niet dat je hier zomaar dagetappes van 80 of 90 kilometer kunt maken…

Als ik na ruim acht kilometer omkijk schrik ik en snap ik pas waarom het niet loopt. Achter me ligt een geweldige diepte. Heb ik dát allemaal omhoog gereden?! Ben ik uit dát dal geklommen, zo steil omhoog? Ik krijg meteen weer meer vertrouwen in eigen kunnen. Galicië, je denkt dat je er bijna bent, even lekker kunt uitbollen naar het einddoel. Vergeet het maar. Frans heeft boven lang op me moeten wachten in een zachte motregen... We zijn immers in Galicië.
Het is druk op de weg. Veel pelgrims te voet. In de smalle straatjes van Ligonde, na 16 kilometer moet je voortdurend je komst aankondigen om langs te kunnen: “Buenos dias, buon Camino”.
Op een stijl klimmetje staat Chris, die met Nelly een kwartiertje eerder vertrokken is, met de camera klaar om ons noeste klimmen vast te leggen. We drinken koffie bij een boerderijtje (2 uur gereden op 16 kilometer…) en rijden samen verder.
Rond het middaguur eten we op een picknickplaatsje langs de drukke weg naar Melide. Het blijft zwaar. Ik heb het gevoel na 34 kilometer al genoeg arbeid verricht te hebben voor de hele dag. Maar Arzúa is nog ruim 20 kilometer verder. We rijden verder door eucalyptusbossen, heerlijk van geur. Opnieuw over hoge klimmen en door diepe dalen.
Rond twee uur naderen we Arzúa via een lange steile klim over een rechte weg. In de verte zien we Frans voor ons rijden als absolute koploper.
“Het paard ruikt de stal”, merkt Chris op, met wie ik de rode lantaarn deel. Zou Gerry vanuit Santiago naar Arzúa komen? Ik weet het bijna zeker. Als Gerry iets wil dan lukt het haar ook. En de drive van de liefde doet de rest. En jawel hoor, als we boven komen staat ze er. Met de bus uit Santiago gekomen en meteen ‘on the right spot‘. Hoe kon ze nou weten dat we de stad via deze weg zouden binnenkomen?! Dat ze ‘toevallig’ op deze plek zou moeten staan om haar Frans naar zich toe te zien zwoegen? Toeval bestaat niet. Er zijn meer dingen tussen hemel en aarde dan we kunnen bevroeden…
Zo zijn ze zelfs twee dagen eerder al met elkaar verenigd dan gepland.
Terwijl Gerry en Frans op een terras hun hereniging beklinken, rijden Chris, Nelly en ik richting camping, die drie kilometer oostwaarts zou liggen. We komen erachter dat we daarvoor weer terug dat vreselijke dal in moeten waar we met zoveel moeite uit geklommen zijn. We keren terug naar de stad en besluiten een albergue te nemen.

Er is ruime keus. Vanaf het terras, waar we aan een ‘grande cerveza’ zitten, en waar Gerry ons een Santiago-T-shirt voor morgen cadeau doet, gaan de vrouwen er een paar inspecteren.

De keuze valt op de nieuwste: Albergue Turistico Santiago Apostel. Was die van Portomarin super, deze is werkelijk superdesuperdeluxe. Alles erop en eraan. En gelikt. Je kunt er van de marmeren vloer eten. Verschillende etages, mooie slaapzalen met prima bedden, aparte douches en wc’s per slaapzaal, zitkamer, keuken, internet per etage, wasmachines en drogers.
Kortom: hier is over nagedacht. Voor 9 euro per persoon kunnen we hier terecht. Een prima uitgangsbasis voor de laatste, glorieuze dag van morgen.

Dan zit het er op. Hoe zullen we ons dan voelen..?
Groeten uit Arzua, de poort van Sint Jacob...

woensdag 1 juli 2009

… met je hoofd in de wolken…

Vijfendertigste dag
Woensdag 1 juli 2009
Vega de Valcarce – Portomarin, 86 km

Na een goede nachtrust word ik pijnvrij wakker. Ik voel mijn rug niet meer, kan probleemloos inpakken en mijn fiets optuigen. Totdat… ik in een moment van onachtzaamheid mijn sokken staande wil aantrekken… jawel hoor, ook vandaag wordt het weer een ouwe-mannetjesdag.
De dag begint met een klim van 17 kilometer aan 6 tot 10 procent over de toppen met de mooie namen Do Cebreiro (1300 meter) en Alto de Pojo (1336 meter). De klimmen worden gemaakt in gezelschap van wolken vliegen die volijverig belust op het zweet des aanschijn met je meevliegen en overal landen… dit klimtempo weten ze probleemloos te volgen.
Maar anderzijds blijf je genieten van de schitterendste panorama’s, waarin wolkenformaties het beeld voortdurend laten veranderen. Fascinerend. Frans is geweldig in vorm. De eerste 12 kilometer - waarna hij ‘even’ op mij wacht - legt hij af in een gemiddelde van tegen de 12 per uur. Ikzelf ben ontzettend trots op 9 per uur. De laatste vier kilometer zakt het echter aanzienlijk omdat het stijgingspercentage voortdurend rond de 9 à 10 blijft schommelen. Dan begin ik te ‘breken’, maar omhoog lopen komt in mijn vocabulaire niet voor. De afgelopen 2300 kilometer hebben gezorgd voor een zeer behoorlijke conditie. Maar niettemin valt het niet mee. Chris Cornelisse (die we de afgelopen dagen regelmatig zien met eega Nel) - we hebben gisteravond samen gegeten - formuleert het wijsgerig als volgt: "Het pad van een pelgrim gaat niet over rozen, maar door diepe dalen en over hoge bergen, met zijn hoofd in de wolken…" En zo is het maar net. Want de laatste kilometer moet in een dichte mist geklommen worden. In de wolken...
Na de Alto de Pojo gaat het omlaag naar het Galicische heuvelland. Jongens, wát een afdaling. Over een brede weg met nauwelijks verkeer gaat het 12 kilometer in vliegende vaart naar beneden. Deze afdaling naar diepe dalen wordt een van de hoogtepunten van deze tocht.
Als we in het dal beland zijn, in de plaats Tricastela, eten we een vette bodadillo. Er is voor vandaag nog genoeg voor de boeg. Galicië, het groene, Ierland-achtige deel van Spanje - met de doedelzak als belangrijkste muziekinstrument - is dan wel beduidend lager gelegen, maar het heuvelachtige landschap zorgt voor een onophoudelijke opeenvolging van klimmen en dalen. Vooral bij deze temperaturen - het kwik beweegt zich weer snel richting 30 graden en hoger - is er bepaald geen sprake van een plezierritje.
Op het terras in Tricastela verneemt Frans dat Gerry intussen is aangekomen, hetgeen niets te maken heeft met ongewenste gewichtstoename, maar met het feit dat ze voet heeft gezet op Spaanse bodem. Ze zijn weer - zij het op afstand - verenigd met elkaar.
We passeren in het verdere verloop van de dag plaatsen als Samos - met dat geweldige klooster - en Sarria, waar we na 62 kilometer op het einde van de lange rechte winkelstraat op een terrasje een koel drankje nemen. Het is half twee en volgens een lichtkrant intussen 31 graden. Voor onze voeten zien we op de stoep mooie mozaïeken van Jakobsschelpen. Een wegwijzer tegenover ons meldt dat het nog 24 kilometer is naar Portomarin, het geplande eindpunt voor vandaag. Chris en Nel, die ergens eerder een terrasje gepikt hadden, rijden langs. Later halen we hen weer in om samen naar Portomarin te rijden. In totaal 86 kilometer, onder deze omstandigheden min of meer een monsterrit.
Portomarin is vrij nieuw. De plaats lag van oudsher in een diep rivierdal, maar toen de overheid in de jaren zestig besloot om er een stuwdam te bouwen, verdween het dorp onder water. De belangrijkste gebouwen werden steen voor steen afgebroken en hoger op de oever weer opnieuw opgebouwd. De rest van de bevolking bouwde nieuwe huizen. We zien hier dus weinig van historische aard. Ook de albergue, waar we uiteindelijk belanden, is nieuw. Nóg nieuwer. Gloednieuw zelfs, modern, op het steriele af. Geweldige slaapzalen vol bedden, uitstekende sanitaire voorzieningen - heel wat anders dan gisteren. Én er is internetvoorziening! Na de installatie nemen we een lekker pils op een terras waarna ik aan dit verhaal begin.`s Avonds eten we samen in een restaurantje waar ee gitar aan de muur hangt die ´toevallig´ in mijn handen verzeild raakt, zodat het nog eens extra gezellig wordt. Ik moet mij haasten om voor elf uur terug te zijn in de albergue. Na elf uur is het ´rien ne va plus´...

Nog 106 kilometer scheiden ons van Santiago. Nog twee dagritten, 56 en 50 kilometer, dan zit het erop. Met een dag voorsprong op ons tijdschema. Er wacht nog veel klimwerk, maar niet meer zo’n lange dagetappes als vandaag en de afgelopen dagen.
Groeten uit een bloedheet Portomarin aan de oevers van een enorm stuwmeer waar we op uitkijken.

dinsdag 30 juni 2009

Cruz de Ferro, hoogte- of dieptepunt..?

(Dit verslag is niet gemaakt op mijn laptop maar rechtstreeks ingetikt omdat de albergue waar we nu zijn geen wifi heeft noch de mogelijkheid een USB-stick te gebruiken. Dus ook geen foto´s... dit is overigens de tweede keer omdat bij het ´bijgooien´ van de volgende euro de computer opnieuw opstartte en alles verloren was... Later op de avond heb ik het afgemaakt.)

Vierendertigste dag
dinsdag 30 juni 2009
Rabanal - Vega de Valcarce, 76 km.

Het torenklokje van het roestbruine bergdorp Rabanal slaat zes met een geluid alsof de tijd aangegeven wordt door een monnik die met een pollepel op een geëmailleerde kookpan mept, zonder enige vorm van nagalm. Ook om half zeven en zeven uur zie ik die plaatselijke kloosterling weer voor me.
Om kwart over acht vertrekken we voor de etappe ´over het dak van de Camino´, Cruz de Ferro, een top van iets meer dan 1500 meter. De eerste kilometer vanuit het dorp leidt andermaal over een keienpad. En dan gebeurt het. In een poging om een puntige steen te vermijden stuur ik in een gat en kom nogal onorthedox in mijn zadel terecht. Ik voel het meteen. Het is goed mis in het onderste deel van mijn rug. Gekantelde lumbale wervel. Uit ervaring weet ik dat je daar dagenlang ´plezier´ van kunt hebben. Fietsen gaat nog wel, zij het dat je minder kracht kunt zetten, maar op- en afstappen ontaardt in een act die onmiddellijke opname in een bejaardentehuis tot de mogelijkheden laat behoren.
Zo kom ik als een gebroken man op de top. Afstappen (-kruipen) en plat in het gras liggend beginne aan oefeningen is het eerste wat ik doe. Ik had me mijn aankomst op dit hoog(s)tepunt in mijn dromen enigszins anders voorgesteld...
Cruz de Ferro, Spaan voor ijzeren kruis, is de plaats waar iedere pelgrim een symbolische steen gooit op een berg die steeds hoger wordt. Op de top daarvan staat een lange paal met een ijzeren kruis erop. Door het deponeren van je steen op de berg gooi je een levenslast van je af. Frustraties en onverwerkt verdriet; deze woorden staan op mijn steen. Een belangrijk moment met impact om dit hier achter te laten.
We maken foto´s met drie ´teams´ die elkaar gisteren in Rabanal ontmoet hebben: de echtparen Chris en Nel en Albert en Lucie, nadat we elkaar op de top opgewacht hebben. Daarna rijdt iedereen weer op eigen tempo (en vermogen) verder.

Na Cruz de Ferro volgt een steile afdaling van 20 kilometer over een hobbelige weg; niet van gevaar ontbloot dus. Beneden in Ponferrada aangekomen, waar het al 31 graden is, heb ik bijna kramp in mijn vingers van het remmen. Onderweg worden we voorbijgereden door een aantal ´zoetwaterpelgrims´, jonge mensen op racefietsen met een schelpje op hun zadeltasje... ja, zo kan ik ´t ook.
In Villafranca eten we een lekkere spaghetti, waarbij we andermaal worden ´betrapt´ door Chris en Nel. De laatste 17 kilometer gaan door het diepe dal van de Rio Valcarce valsplat omhoog naar Vega de Valcarce, een dorp aan de voet van de klim naar Cebreiro, ruim 700 meter hoger. Dat wacht ons morgen.

We slapen in een ´Refugio Municipal´, te bereiken via een klimmetje van 25 procent! Een uiterst eenvoudig onderkomen met twee grote, stampvolle slaapzalen en slechts twee wc´s en evenveel douches. Da´s dringen.

En ´s avonds krijgen we en passant samen met de ´Plo´ers´ van de plaatselijke pastoor de pelgrimszegen in de kerk. In het Spaans. Nauwelijks te verstaan dus. Maar we vertrouwen de man dat hij alles correct voltrokken heeft. Voor de komende dagen zit het dus ook weer snor.

Van Vega is het nog zo´n 190 kilometer naar ons einddoel. Morgen drie hoge en pittige klimmen. We zien wel hoever we komen.
Groetjes uit het warme Vega de Valcarce.

maandag 29 juni 2009

‘Keiharde’ verrassingen op de Camino

Vierendertigste dag
Maandag 29 juni 2009
León – Rabanal del Camino, 78 km

Als betreft het een Le Mansstart, zo staan ‘s morgens vroeg een aanzienlijk aantal fietsers hun tweewielige pakezels op te tuigen op het pleintje bij de albergue. Chris en Nelly, die nog niet ontbeten hebben, zijn als eerste weg. Wij pas een kwartier later. Kwart voor acht. De goede nachtrust - we sliepen met ons tweeën heerlijk alleen op een kamer - zorgt ervoor dat de vaart er vanaf het begin lekker in zit. Af en toe een afdalinkje gevolgd door een klimmetje van vijfhonderd meter om weer uit het (droge) rivierdal te komen, maar meestal genieten we van een landschap zo vlak als Friesland. Aan dat genieten komt abrupt verandering na Villar de Mazerife, waarover later meer. Dit dorp binnenrijdend zien we weer die typische onderaardse woningen, langgerekte heuvels met een deur aan het uiteinde en een schoorsteen ergens in het midden. Wonderlijk. Maar koel in de zomer en warm in de winter. De kerk is een pronkstuk van eenvoud, in elkaar geflanst uit ronde keien en leem. Een godswonder dat ze al zo lang staat. Maar ja, het is een huis Gods.

Daarna komt de beproeving van de dag - je kunt het ook een ‘keiharde’ verrassing noemen - in de vorm van meer dan zes kilometer ongekend ruwe kiezelweg met dikke keien, half ingereden en half losliggend en beukend en tinkelend tegen de velgen. Een ongelooflijk gehobbeld van de ene steen op de andere. Onvoorstelbaar gewoon. Ik verdenk de Spanjaarden ervan dit traject te cultiveren als een cultureel equivalent voor de Hel van Het Noorden tussen Parijs en Roubaix. Als een plaatselijke attractie zogezegd. Alleen is dit veel gevaarlijker voor je materiaal. Je begint te bidden tot Sint Jacob en alle heiligen en beschermengelen om ervoor te zorgen dat alles heel blijft. Dit traject kost ons meer dan drie kwartier, heel langzaam en behoedzaam manoeuvrerend, de minst slechte stukken opziekend. Een ware, onvergetelijke beproeving, die nu eenmaal bij een pelgrimstocht schijnt te horen. Dat we later na Hospital de Órbigo nog een toegift van twee kilometer krijgen, is te wijten aan een navigatiefout mijnerzijds. Maar dit terzijde.

In het al genoemde Hospital de Órbigo, met zijn beroemde lange brug van Romeinse oorsprong over de Rio Órbigo, doet Frans enkele boodschappen en halen we een stempel in een klein winkeltje. Daarna eten we op een prachtig gelegen terras met uitzicht op de werkelijk unieke brug een vette, warme ‘bocadillo quieso‘. Deze strategische plek maakt het mogelijk om getuige te zijn van de aankomst van Chris en Nelly, hobbelend over het keienwegdek van de brug; allesbehalve ‘keigaaf’ om de befietsen. Het is inmiddels elf uur. Na enige tijd rijden wij weer verder. We zullen elkaar terugzien op de volgende camping. We hadden inmiddels afgesproken niet in Astorga te blijven maar twintig kilometer verder te fitsen tot Rabanal, zes kilometer onder de top van de vermaarde Cruz de Ferro, het hoogste punt van de Camino.

Even na half één rijden we Astorga binnen, een oude stad waar imposante resten van stadsmuren getuigen van een heroïek verleden en waar drie pelgrimswegen samenkomen; ook de ‘Zilveren Weg’ vanuit Sevilla voegt zich hier bij de Camino Francés. Als we aan de voet van de steile helling naar de binnenstad staan - we hadden de afslag gemist - worden we ongevraagd door een oud vrouwke op de hoogte gesteld van het feit dat we er ook via een andere weg kunnen komen en aanzienlijk minder steil. Zo zitten we even later aanzienlijk frisser aan een fris glaasje op een terras in het zicht van het prachtige barokke stadhuis. Daarna zien we nog het bijzondere voormalige bisschoppelijke paleis van Gaudí en de kathedraal, een mengelmoes van gotische en barokke bouwkunst. Aangezien het ‘lunes’ is (Spaans voor Maandag), is die gesloten. Daarom moeten we ons tevreden stellen met de beschrijving die Cees Nooteboom eraan wijdde:
“… alweer zo’n monoliet, zo’n triomfalistische mastodont, die in een veel te kleine plaats is neergestort door een geweld waarvan wij de portee niet meer begrijpen. Soms is het ook nauwelijks te verdragen, al die zwaarte, gepantserd, een beetje kwaadaardig, voorwereldlijke monsters die op hun dood wachten. Ik kan het natuurlijk toch weer niet laten en ga naar binnen in dat versteende woud van zuilen die zonder kapitelen omhoogsuizen, de gewelven in.”
Dat interieur hebben we dus niet met eigen ogen mogen aanschouwen als gevolg van de Spaanse lunes. Zonde.

Na Astorga verandert het landschap radicaal. We fietsen de Montes de León in, richting Cruz de Ferro. Een klim van 20 kilometer. Een goed idee om er vandaag alvast aan te beginnen en morgenochtend de klim te voltooien.
Onderweg stoppen we een halfuurtje voor een wandeling door het schitterende middeleeuwse dorp Castrillo de los Polvazares. Een lust voor het oog. Ik moet meteen denken aan Thorn, het witte dorp. Castrillo is niet wit maar roestbruin, de kleur van het gesteente in de omtrek waaruit het is opgetrokken. Alle deuren en ronde poorten zijn groen geverfd en de raamomlijstingen wit. Een aandoenlijke uniformiteit. De ‘calles’ zijn kunstig geplaveid met ronde keien; de goten in het midden van de straten zijn van grote platte stenen. We zijn het erover eens dat het dik de moeite waard is om dit half uur hieraan besteed te hebben in gezelschap van onze camera‘s.

Na geklommen te zijn tot 1150 meter hoogte komen we om half vier aan in het nietige vlekje Rabanal del Camino. Het eerst passeren we de rustieke albergue met een restaurantje ernaast. Als ik afstap om te vragen naar de camping komt de eigenaresse naar buiten, een klein Spaans vrouwke, die ons verwijst naar een grasveldje in twee etages enkele tientallen meters verder.
We zetten er onze fietsen neer om ‘onze kavel’ af te bakenen en vertrekken naar het terras naast de albergue voor een koel glas pils. Terwijl we daar zitten komen ook Chris en Nelly de berg op duwen. Een tweede pils is het vervolg. Onze tenten staan naast elkaar met een aangenaam picknickzitje ertussen, met plaats voor zes mensen. Dus plaats genoeg voor het geval iemand zich dik zou willen maken… hoewel een tijdje later ook Albert en Lucie arriveren, die ook in León waren en die we vandaag inhaalden, waarna ze op het grindtraject nog geplaagd waren door twee lekke banden. De tafel is vanavond dus vol.

Morgen gaat het verder naar het hoogste punt van de Camino. De eerste zes kilometer moeten 350 hoogtemeters overwonnen worden. Echt een ‘top-begin’ van een dag.
Groeten uit Rabanal del Camino, waar de donkere wolken nog altijd overwaaien zonder ons nat te maken.

zondag 28 juni 2009

De ‘sello’ van León


Tweeëndertigste dag
28 juni 2009
Rustdag León

Vandaag opnieuw een rustdag in een mooie stad. Én een welverdiende na twee etappes van meer dan honderd kilometer. De nacht was rustig, zeven mensen op de kamer en niet één snurker erbij. Een unicum. We slapen lekker uit tot een uur of acht.
Om tien uur verhuizen we ons hele hebben en houden naar een kamer van de jeugdherberg in hetzelfde gebouw, om precies te zijn de overkant van de gang. In een pelgrimsalbergue mag je maar één nacht blijven. Dan is deze combinatie een uitstekende oplossing.

De fietsen blijven vandaag onaangeroerd. We gaan te voet naar de kathedraal Sancta Maria om daar de mis van elf uur bij te wonen. Vooraf vragen we aan een van de nogal militant ogende ordebewaaksters - fotograferen is er verboden en daar letten ze akelig precies op - naar een stempel voor onze kaart maar krijgen te horen dat dit op zondag onmogelijk is…
We zijn getuige van een heuse zevenherenmis! Alle priesters in mooie groene kazuifels, geassisteerd door iemand in wit met een stola als manusje van alles en een wit getoogde ‘misdienaar’ die uitblinkt in het hanteren van het wierookvat. Een hele drukte op het priesterkoor. Exact op het moment dat tijdens de consecratie het brood geheven wordt, slaat de torenklok; een uitstekend getimed moment. Na de mis proberen we toch nog een stempel te krijgen. We lopen naar de deur van de sacristie waardoor de heren afgegaan zijn.
“Als er een koster of iemand anders naar buiten komt, vragen we die”, vertolkt Frans ook mijn gedachte, “we zijn per slot van rekening in de mis geweest. De eerste die verschijnt is de wit getoogde ‘misdienaar’. Hij beduidt ons in heel druk Spaans dat we dan even moeten wachten. Nadat hij zich geruime tijd onderhouden heeft met enkele andere kerkgangers, krijgen we eindelijk onze ‘sello’. Frans oppert nog even om hem triomfantelijk te laten zien aan de eerder genoemde ordebewaakster, maar daar zien we al gauw van af.

Buiten gekomen worden we begroet door… Chris en Nelly, zonet in de stad aangekomen na een overnachting op de camping van Mansilla de las Mulas. Na enig wikken en wegen besluiten ze de mis van twaalf uur bij te wonen en daarna ook in ‘onze’ albergue van León te overnachten. León heeft meerdere kerken waarin ‘s zondags minstens zes missen opgedragen worden, en nog druk bezocht ook!
Ook genieten we van het Casa de Botines, een schepping van architect Antonio Gaudí.
De lucht betrekt langzaam en het voelt fris aan. Nadat wij de oude romaanse kerk San Isidoro bezichtigd hebben, waar ook weer een mis bezig is, begint het zelfs te regenen. Andermaal kon een rustdag niet beter gepland zijn. En wat morgen betreft, zullen we vertrouwen op de tekst van Marco Borsato: ‘Morgen kan het beter zijn’…
Tot zover. De groeten uit een bewolkt León, waar af en toe weer een beetje hemelblauw tevoorschijn komt.

zaterdag 27 juni 2009

Die vreselijke Meseta...

Eenendertigste dag
Zaterdag 27 juni 2009
Carrión de los Condes - León, 106 km

De wind hield vannacht behoorlijk thuis in de populieren. Zoiets komt je nachtrust niet ten goede. Ik lag een tijdje wakker, waarbij van alles door mijn hoofd speelde. Louise, intussen al een maand in haar eentje thuis, moet voor alles alleen opdraaien. Ik mis haar. Alles wat je lief is bevindt zich ruim tweeduizend kilometer van mijn luchtmatras. Mijn eigen keuze, waar zij me de ruimte voor gaf. Ik geniet ervan, doe er iets mee… maar er zijn van die momenten… daarna sukkelde ik weer in slaap, een diepe slaap.
Om half zeven schrik ik wakker. Frans is al een half uur bezig, zijn deel van de tent is al opgeruimd. Ik heb er niets van gemerkt. Daar voel ik me niet lekker bij.
Ik schakel op dubbele kracht vooruit en even na half acht zijn we klaar met opruimen en tien minuten later fietsen we de poort uit voor onze tweede dag over de meseta, die kale vlakte. Aeolus geeft ons vriendelijk een zetje in de rug.

Het zijn lange rechte wegen, eerst vlak, daarna met valse platten, soms aan de steile kant. Mijn ‘zit’ is niet echt lekker. Als Frans vooruit rijdt - het is zijn terrein, hij maalt zich krachtig omhoog - raak ik steeds verder achter. Ook malend, maar dan in mijn hoofd. Het nachtelijk gepeins komt terug. Ik kom er mentaal helemaal doorheen te zitten. Als Frans op de top van een klim, waar hij op mij gewacht heeft, informeert of er misschien iets is, wordt het me te veel. Op een bank barst ik in huilen uit… echt, ik kan niet anders.
“Ik heb ‘t helemaal gehad. Ik wil naar huis!”
Na een tijdje hervind ik mezelf. Deze diepe dalen horen er gewoon bij. Iedereen krijgt er vroeg of laat mee te maken. Daarna probeer ik mijn gevoel uit mijn lijf te fietsen door de eindeloze golvende vlakte. Lange rechte, troosteloze wegen. Ik denk aan wat ik gelezen heb in het verslag van Domenico Laffi, die ons rond 1670 te voet voorging. Wat hij hier tegenkwam was schokkend. Lees en huiver:
“We liepen de hele dag door de immense vlakte, verschroeid en verdord, niet alleen door de brandende zon maar ook door grote zwermen sprinkhanen die alles verwoest hadden. Er was geen boom, grasspriet of ander groen meer te bekennen, alleen maar zand. Er waren zo veel van die vervloekte beesten dat je slechts met de grootste moeite kon lopen. Ze vlogen door de lucht in wolken die zo dicht waren dat de blauwe hemel nauwelijks te zien was. Onder deze omstandigheden liepen we door dit uitgestorven, verpeste land van dorp naar dorp. De weg was overal bedekt met sprinkhanen. Op weg naar Sahagún kwamen we bij een arme Franse pelgrim, die uitgeput op de weg lag. Hij was stervende en helemaal overdekt met sprinkhanen. De wrede schare gevleugeld ongedierte had al een begin gemaakt hem in bezit te nemen voor een overvloedige maaltijd, en terwijl we bij hem bleven hadden wij zelf alle moeite om de rond zwermende vraatzuchtige massa van ons lijf te houden. We bedekten zijn gezicht en handen onder een laag zand en vervolgden onze weg naar het volgende dorp, waar we een priester op de hoogte stelden van de dode pelgrim een mijl buiten de plaats.”
Dat waren nog eens tijden.

Ook wij zijn op weg naar Sahagún, maar we zien alleen maar gezond wandelende pelgrims en enkele fietsers. Ze ontmoeten elkaar op een strategisch gelegen terras op een Y-splitsing. Als wij er aan een café con leche en een bocadillo zitten arriveren ook Chris en Nelly, die bij ons aanschuiven. We maken er een lange pauze van. Daarna gaat het verder over die lange weg die geflankeerd wordt door het Caminovoetpad met jonge bomen. Voor de voetpelgrims moet dit eindeloos zijn. Ik put mezelf uit in een lange demarrage. Dat pestgevoel moet uit mijn lijf. Het lukt.

We passeren armzalige dorpen met onverzorgde grindpaden als straten, toch nog altijd sjiek ‘calles’ genoemd. Een Calle Mayor, met een wegdek van knarsend grind waar je banden af en toe in wegglijden. Hoe kunnen ze hier leven? Armoede? Of tevredenheid? Och, als je niet anders gewend bent… We zien zelfs ondergrondse huizen, heuvels met een deur en schoorstenen boven het gras. Een heeft er zelfs een tv-antenne op de schoorsteen. Hier staat de tijd dus niet stil.
Rond de middag draait de wind. De laatste veertig kilometer wordt het werken. Sluierbewolking slibt langzaam de hemel dicht en het wordt heet en benauwd. Onweer op komst? We wachten af.

Tegen half vier rijden we León binnen. Opnieuw zitten er meer dan honderd kilometer op. Als we een politieagent naar de camping vragen, krijgen we te horen dat er alleen in de zomer een camping is… de zomer begint hier pas op 1 juli. Hij verwijst ons naar de albergue. Een groot gebouw, van binnen zeer netjes. We slapen hier met acht mensen op een kamer. Frans wil het nog een keer proberen, min of meer met zijn rug tegen de muur. Eigenlijk mag je maar één nacht van een albergue gebruik maken. Voor ons wordt een uitzondering gemaakt. We moeten dan wel morgen verhuizen naar een andere zaal en voor de tweede nacht het dubbele betalen. Vier euro wordt dan acht euro… daar kom je overheen.

Dit weekend zijn mijn collega’s van het Collectief ’05 gestart met de opnamen van onze nieuwe film. Twee dagen na mijn thuiskomst is het volgende opnameweekend en kan ik er weer bij zijn… Succes alvast!

Vanavond gaan we de stad in. Mochten er nog leuke dingen gebeuren, dan verschijnen die morgen alsnog op de blog.
Groeten uit León, intussen weer zonnig en aangenaam warm.

Eindelijk… de Meseta

Dertigste dag
Vrijdag 26 juni 2009
Burgos – Carrión de los Condos, 104 km

Na een ontspannen negenentwintigste dag van slenteren door de prachtige stad Burgos besloten we gisteravond nog eens zelf te koken. En écht genoeg te eten. Elk twee borden spaghetti en salade, geblust met een yoghurttoetje. Na het internetten in de cantina namen we afscheid van Jan en Trudie, een echtpaar uit Oost-Graftdijk in Noord-Holland bij Purmerend, dat we onderweg regelmatig op verschillende campings ontmoet hebben. Leuke mensen. Aangezien zij pas rond de 12e juli in Santiago willen aankomen, scheidden hier definitief onze wegen… tenminste wat deze reis betreft.
Toen het bedtijd werd - voor ons rond tien uur - begon in de nabijheid van de camping een keihard ritmisch concert met djembees, dat gelukkig om half elf stopte.
Midden in de nacht daalde een zacht regenbuitje op het tentzeil neer, het eerste sinds we in Spanje zijn, aaiend bijna, heel kort en mild, bijna een natte zoen van Pluvius… alsof hij ons nog even ‘Buen Camino’ wilde wensen voor het laatste deel van onze reis. De vooruitzichten voor de komende tien dagen zijn zondermeer prachtig. Zonnig en niet te warm. Wij boffen echt enorm. Alle goden, heiligen en engelen lijken met ons.

Het is heerlijk zonnig maar frisjes als we al voor kwart voor acht de poort uitrijden. Via een klim van twee kilometer verlaten we de stad en belanden in de licht golvende graanvelden, afgewisseld met een enkele zonnebloemenakker en af en toe een dorpje. Ergens onderweg loopt zo’n typisch Spaans zwart gekleed, oud, klein, ietwat scharminkelig, tandeloos vrouwke ons tegemoet en zwaait ons toe met een grote bos veldbloemen.
“Buen Camííínóóó”, roept ze met een hoog krakend stemmetje - bijna als de heks van Hans en Grietje, maar dan veel liever. Echt lief. Dat drijft je vooruit.
Na zo’n 30 kilometer maken we een eerste stop in Estepar bij een wegrestaurantje - een van de weinige die we vandaag zullen tegenkomen - met een reclamebord ‘MENU 8 Euro’. Daar is het nog te vroeg voor. Maar bij de ‘grande café con leche’ bestellen we wel een kleinigheid te eten, een broodje kaas en een broodje ham, ofwel in het Spaans een ‘bocadillo quieso’ en een ‘bocadillo jamón‘. Nou, wat je dan krijgt, daar heb je even werk aan: een half stokbrood, rijkelijk volgepropt met het bestelde beleg. Daar kun je weer een behoorlijke tijd op vooruit.

Het blijft vandaag lekker weer. De fleece trui blijft lang aan. We rijden, weliswaar met een fikse wind tegen, over rechte wegen door de onafzienbare velden van de meseta, de schaduwloze Spaanse hoogvlakte, waar het ‘s zomers zo verschrikkelijk heet kan zijn, waar je levend kunt verbranden, weerloos ten prooi aan de koperen ploert. Die schijnt vandaag wel in volle glorie, maar gelukkig niet als een ploert. Wij hebben gewoon onvoorstelbaar geluk met het weer. Nogmaals, er wordt boven onze hoofden goed voor ons gezorgd…
Vele kilometers voelen we ons alleen op de wereld. Geen mensen, geen auto‘s - nou ja, twee per uur - …en dan opeens, in de verte … een fietser die ons tegemoet komt. Een Nederlander..! Kennelijk op weg naar huis. Doorvoor fiets je in Spanje, om Nederlanders tegen te komen. Later nog een Vlaming, doorwinterd in het Caminorijden; hij waarschuwt ons voor het laatste deel in Galicië en raadt ons vooral aan de dagetappes daar niet te lang te maken. Twee ritten van 80 kilometer..? Hij schudt zijn hoofd. De eerste Spanjaard dient zich aan als Frans na een klim even op mij staat te wachten. In een van die zeldzame auto’s… en hij stopt zelfs, en vraagt of er iets mis is en of hij hulp nodig heeft… prachtig.

Om elf uur maken we foto’s bij de beeldige afslag naar Castrojeriz, waar een oud kruis op een driesprong staat, in gezelschap van wegwijzers en een honderd meter verder een bord ‘Santiago 514 km‘. Dan weet je precies waar je aan toe bent.

Tien minuten verder komen we bij de imponerende ruïnes van het klooster San Anton, waarin zelfs een geïmproviseerde albergue gevestigd is… wát een locatie! We kijken er vol bewondering rond, met eigen ogen en onze cameraatjes, en worden by the way ook nog eens vergast op een miniconcertje van een bijna tandeloze Simpley Red-achtige figuur (ook qua stem!) op een kleine accordeon, begeleid door een vrouwtje op mandoline. Pelgrimerende Canadezen. Ze maken gezellige en vooral ook ’keigoeie’ country & bluesmuziek, waardoor we op een haartje na zelfs met z’n tweeën aan het dansen slaan… tjonge, dat zou wat zijn.

De volgende plaats op dit rijgsnoer van herkenning is Castrojeriz, waarvan de foto in de titel van onze blog staat. Precies 500 kilometer voor ons einddoel. De kerk slaat net het middaguur. Terwijl we bezig zijn tegen dit decor met zelfontspanner een échte foto van ons tweeën te maken - die op de blog is natuurlijk gemonteerd… - komt er een Koreaanse voetpelgrim aan die bereidwillig aanbiedt ons die klus uit handen te nemen. Hij ontpopt zich als een echte fotograaf, niet door het afdrukken aan te kondigen met “Here comes the little birdy” of zoiets, maar met “Wan, toe, slie”. Maar de foto’s lukken uitstekend. Leuke mensen, die Koreanen. Ze lachen altijd. En zorgen dat wij dat ook doen.
Een half uur later rijden we met 70 kilometer op de teller de provincie Palencia binnen. Alweer wordt de weg op slag weer hobbelig. Het is wat met die grenzen. We eten een kleinigheid en hobbelen verder door de eindeloze meseta. Wat een gebied. Wat een leegheid. Een tafelgebergte, deze hoge vlakte van Castilië, leeg, droog, groot als een weids golvende zee. Een kaal land met lage, onaanzienlijke dorpen waar kalligrafisch gebeeldhouwde kerken en kloosters de herinnering aan voorbije grootheid bewaren. Hier is de tijd werkelijk stil blijven staan.

Eigenlijk zou volgens planning Frómista vandaag ons einddoel zijn. Als we daar om twee uur aankomen hebben we 84 kilometer achter de rug. We besluiten om er nog twintig kilometer aan te plakken. Over de Castiliaanse vlakte. Op dit relatief vlakke terrein moet dat mogelijk zijn. Heel weinig klimmen en een lekkere temperatuur. Bovendien kunnen we dan morgen in één ruk naar doorrijden naar León (opnieuw meer dan 100 kilometer), daar onze rustdag in het weekend houden en een dag voorsprong op ‘het schema‘ boeken. We eten een portie ravioli op een terras en brengen een bezoek aan de San Martinkerk, een hoogtepunt van romaanse bouwkunst op de Camino, een bijna Rijnlandse kerk, veel te groot voor een dorp als dit, met in de buitengevels wel honderden in steen gesneden korbelen, kraagstenen, met allemaal verschillende hoofden, koppen, gezichten, die soms doen denken aan onze Jeroen Bosch. Schitterend onderhouden, maar helaas gesloten. In dit land kun je ‘s middags niets doen. Spanje ligt tussen twee en vijf plat; de enigen die zich moe maken zijn ontoerekeningsvatbare noorderlingen.

Om vier uur zijn we in Carrión de los Condes, een aardig plaatsje met een camping. Hier ontmoeten we een echtpaar uit ‘Pló bij Boakel’, Chris en Nelly. Ook op weg naar Santiago en twee dagen later vertrokken dan wij. Ze hebben dus goed doorgereden. We zitten samen op de veranda aan een groot pils terwijl ik dit dagverslag op de laptop zet. Of het vandaag ook op de blog gezet kan worden is nog de vraag. De wifi van de camping is gewoon ontoereikend; misschien is er straks in het stadje nog een andere mogelijkheid. Daar gaan we een pelgrimsmenu eten. Wij vinden dat we dat vandaag verdiend hebben.
Vooraf stapten we de kerk binnen, ondermeer voor een stempel. Er werd net de rozenkrans gebeden, in ontzettend rap Spaans. Na afloop daarvan zouden we de stempel kunnen halen in de sacristie. Maar voor we er erg in hadden stond de priester weer op het koor en begon met een uitgebreide verering van het allerheiligste, op zijn knieën gezonken, zingend en hoestend - kennelijk last van zijn stem. Toen hij daarna met de mis begon, hielden we het voor gezien. We rammelden van de honger en prefereerden - o, onzaligheid - de geneugten van wereldlijk voedsel boven het geestelijke equivalent. We genoten in het restaurantje tegenover de kerk inderdaad van een heerlijk pelgrimsmenu. Frans bestelde nog eens extra ’patatas’ en salade om ’echt zat’ te worden. Een half uur later, toen de mis afgelopen was, stak ik snel even de straat over om in de kerk toch onze stempels te bemachtigen.

Om voor de rest kort te gaan: de camping-wifi werkte niet, wat we ook probeerden. Daarom wordt dit verslag vandaag in León op de blog gezet.
Groeten vanaf een zonnige maar gelukkig niet bloedhete meseta. Wat een zegen.