(Dit verslag is niet gemaakt op mijn laptop maar rechtstreeks ingetikt omdat de albergue waar we nu zijn geen wifi heeft noch de mogelijkheid een USB-stick te gebruiken. Dus ook geen foto´s... dit is overigens de tweede keer omdat bij het ´bijgooien´ van de volgende euro de computer opnieuw opstartte en alles verloren was... Later op de avond heb ik het afgemaakt.)
Vierendertigste dag
dinsdag 30 juni 2009
Rabanal - Vega de Valcarce, 76 km.
Het torenklokje van het roestbruine bergdorp Rabanal slaat zes met een geluid alsof de tijd aangegeven wordt door een monnik die met een pollepel op een geëmailleerde kookpan mept, zonder enige vorm van nagalm. Ook om half zeven en zeven uur zie ik die plaatselijke kloosterling weer voor me.
Om kwart over acht vertrekken we voor de etappe ´over het dak van de Camino´, Cruz de Ferro, een top van iets meer dan 1500 meter. De eerste kilometer vanuit het dorp leidt andermaal over een keienpad. En dan gebeurt het. In een poging om een puntige steen te vermijden stuur ik in een gat en kom nogal onorthedox in mijn zadel terecht. Ik voel het meteen. Het is goed mis in het onderste deel van mijn rug. Gekantelde lumbale wervel. Uit ervaring weet ik dat je daar dagenlang ´plezier´ van kunt hebben. Fietsen gaat nog wel, zij het dat je minder kracht kunt zetten, maar op- en afstappen ontaardt in een act die onmiddellijke opname in een bejaardentehuis tot de mogelijkheden laat behoren.
Zo kom ik als een gebroken man op de top. Afstappen (-kruipen) en plat in het gras liggend beginne aan oefeningen is het eerste wat ik doe. Ik had me mijn aankomst op dit hoog(s)tepunt in mijn dromen enigszins anders voorgesteld...
Cruz de Ferro, Spaan voor ijzeren kruis, is de plaats waar iedere pelgrim een symbolische steen gooit op een berg die steeds hoger wordt. Op de top daarvan staat een lange paal met een ijzeren kruis erop. Door het deponeren van je steen op de berg gooi je een levenslast van je af. Frustraties en onverwerkt verdriet; deze woorden staan op mijn steen. Een belangrijk moment met impact om dit hier achter te laten.
We maken foto´s met drie ´teams´ die elkaar gisteren in Rabanal ontmoet hebben: de echtparen Chris en Nel en Albert en Lucie, nadat we elkaar op de top opgewacht hebben. Daarna rijdt iedereen weer op eigen tempo (en vermogen) verder.
Na Cruz de Ferro volgt een steile afdaling van 20 kilometer over een hobbelige weg; niet van gevaar ontbloot dus. Beneden in Ponferrada aangekomen, waar het al 31 graden is, heb ik bijna kramp in mijn vingers van het remmen. Onderweg worden we voorbijgereden door een aantal ´zoetwaterpelgrims´, jonge mensen op racefietsen met een schelpje op hun zadeltasje... ja, zo kan ik ´t ook.
In Villafranca eten we een lekkere spaghetti, waarbij we andermaal worden ´betrapt´ door Chris en Nel. De laatste 17 kilometer gaan door het diepe dal van de Rio Valcarce valsplat omhoog naar Vega de Valcarce, een dorp aan de voet van de klim naar Cebreiro, ruim 700 meter hoger. Dat wacht ons morgen.
We slapen in een ´Refugio Municipal´, te bereiken via een klimmetje van 25 procent! Een uiterst eenvoudig onderkomen met twee grote, stampvolle slaapzalen en slechts twee wc´s en evenveel douches. Da´s dringen.
En ´s avonds krijgen we en passant samen met de ´Plo´ers´ van de plaatselijke pastoor de pelgrimszegen in de kerk. In het Spaans. Nauwelijks te verstaan dus. Maar we vertrouwen de man dat hij alles correct voltrokken heeft. Voor de komende dagen zit het dus ook weer snor.
Van Vega is het nog zo´n 190 kilometer naar ons einddoel. Morgen drie hoge en pittige klimmen. We zien wel hoever we komen.
Groetjes uit het warme Vega de Valcarce.
dinsdag 30 juni 2009
maandag 29 juni 2009
‘Keiharde’ verrassingen op de Camino
Vierendertigste dag
Maandag 29 juni 2009
León – Rabanal del Camino, 78 km
Als betreft het een Le Mansstart, zo staan ‘s morgens vroeg een aanzienlijk aantal fietsers hun tweewielige pakezels op te tuigen op het pleintje bij de albergue. Chris en Nelly, die nog niet ontbeten hebben, zijn als eerste weg. Wij pas een kwartier later. Kwart voor acht. De goede nachtrust - we sliepen met ons tweeën heerlijk alleen op een kamer - zorgt ervoor dat de vaart er vanaf het begin lekker in zit. Af en toe een afdalinkje gevolgd door een klimmetje van vijfhonderd meter om weer uit het (droge) rivierdal te komen, maar meestal genieten we van een landschap zo vlak als Friesland. Aan dat genieten komt abrupt verandering na Villar de Mazerife, waarover later meer. Dit dorp binnenrijdend zien we weer die typische onderaardse woningen, langgerekte heuvels met een deur aan het uiteinde en een schoorsteen ergens in het midden. Wonderlijk. Maar koel in de zomer en warm in de winter. De kerk is een pronkstuk van eenvoud, in elkaar geflanst uit ronde keien en leem. Een godswonder dat ze al zo lang staat. Maar ja, het is een huis Gods.
Daarna komt de beproeving van de dag - je kunt het ook een ‘keiharde’ verrassing noemen - in de vorm van meer dan zes kilometer ongekend ruwe kiezelweg met dikke keien, half ingereden en half losliggend en beukend en tinkelend tegen de velgen. Een ongelooflijk gehobbeld van de ene steen op de andere. Onvoorstelbaar gewoon. Ik verdenk de Spanjaarden ervan dit traject te cultiveren als een cultureel equivalent voor de Hel van Het Noorden tussen Parijs en Roubaix. Als een plaatselijke attractie zogezegd. Alleen is dit veel gevaarlijker voor je materiaal. Je begint te bidden tot Sint Jacob en alle heiligen en beschermengelen om ervoor te zorgen dat alles heel blijft. Dit traject kost ons meer dan drie kwartier, heel langzaam en behoedzaam manoeuvrerend, de minst slechte stukken opziekend. Een ware, onvergetelijke beproeving, die nu eenmaal bij een pelgrimstocht schijnt te horen. Dat we later na Hospital de Órbigo nog een toegift van twee kilometer krijgen, is te wijten aan een navigatiefout mijnerzijds. Maar dit terzijde.
In het al genoemde Hospital de Órbigo, met zijn beroemde lange brug van Romeinse oorsprong over de Rio Órbigo, doet Frans enkele boodschappen en halen we een stempel in een klein winkeltje. Daarna eten we op een prachtig gelegen terras met uitzicht op de werkelijk unieke brug een vette, warme ‘bocadillo quieso‘. Deze strategische plek maakt het mogelijk om getuige te zijn van de aankomst van Chris en Nelly, hobbelend over het keienwegdek van de brug; allesbehalve ‘keigaaf’ om de befietsen. Het is inmiddels elf uur. Na enige tijd rijden wij weer verder. We zullen elkaar terugzien op de volgende camping. We hadden inmiddels afgesproken niet in Astorga te blijven maar twintig kilometer verder te fitsen tot Rabanal, zes kilometer onder de top van de vermaarde Cruz de Ferro, het hoogste punt van de Camino.
Even na half één rijden we Astorga binnen, een oude stad waar imposante resten van stadsmuren getuigen van een heroïek verleden en waar drie pelgrimswegen samenkomen; ook de ‘Zilveren Weg’ vanuit Sevilla voegt zich hier bij de Camino Francés. Als we aan de voet van de steile helling naar de binnenstad staan - we hadden de afslag gemist - worden we ongevraagd door een oud vrouwke op de hoogte gesteld van het feit dat we er ook via een andere weg kunnen komen en aanzienlijk minder steil. Zo zitten we even later aanzienlijk frisser aan een fris glaasje op een terras in het zicht van het prachtige barokke stadhuis. Daarna zien we nog het bijzondere voormalige bisschoppelijke paleis van Gaudí en de kathedraal, een mengelmoes van gotische en barokke bouwkunst. Aangezien het ‘lunes’ is (Spaans voor Maandag), is die gesloten. Daarom moeten we ons tevreden stellen met de beschrijving die Cees Nooteboom eraan wijdde:
“… alweer zo’n monoliet, zo’n triomfalistische mastodont, die in een veel te kleine plaats is neergestort door een geweld waarvan wij de portee niet meer begrijpen. Soms is het ook nauwelijks te verdragen, al die zwaarte, gepantserd, een beetje kwaadaardig, voorwereldlijke monsters die op hun dood wachten. Ik kan het natuurlijk toch weer niet laten en ga naar binnen in dat versteende woud van zuilen die zonder kapitelen omhoogsuizen, de gewelven in.”
Dat interieur hebben we dus niet met eigen ogen mogen aanschouwen als gevolg van de Spaanse lunes. Zonde.
Na Astorga verandert het landschap radicaal. We fietsen de Montes de León in, richting Cruz de Ferro. Een klim van 20 kilometer. Een goed idee om er vandaag alvast aan te beginnen en morgenochtend de klim te voltooien.
Onderweg stoppen we een halfuurtje voor een wandeling door het schitterende middeleeuwse dorp Castrillo de los Polvazares. Een lust voor het oog. Ik moet meteen denken aan Thorn, het witte dorp. Castrillo is niet wit maar roestbruin, de kleur van het gesteente in de omtrek waaruit het is opgetrokken. Alle deuren en ronde poorten zijn groen geverfd en de raamomlijstingen wit. Een aandoenlijke uniformiteit. De ‘calles’ zijn kunstig geplaveid met ronde keien; de goten in het midden van de straten zijn van grote platte stenen. We zijn het erover eens dat het dik de moeite waard is om dit half uur hieraan besteed te hebben in gezelschap van onze camera‘s.
Na geklommen te zijn tot 1150 meter hoogte komen we om half vier aan in het nietige vlekje Rabanal del Camino. Het eerst passeren we de rustieke albergue met een restaurantje ernaast. Als ik afstap om te vragen naar de camping komt de eigenaresse naar buiten, een klein Spaans vrouwke, die ons verwijst naar een grasveldje in twee etages enkele tientallen meters verder.
Maandag 29 juni 2009
León – Rabanal del Camino, 78 km
Als betreft het een Le Mansstart, zo staan ‘s morgens vroeg een aanzienlijk aantal fietsers hun tweewielige pakezels op te tuigen op het pleintje bij de albergue. Chris en Nelly, die nog niet ontbeten hebben, zijn als eerste weg. Wij pas een kwartier later. Kwart voor acht. De goede nachtrust - we sliepen met ons tweeën heerlijk alleen op een kamer - zorgt ervoor dat de vaart er vanaf het begin lekker in zit. Af en toe een afdalinkje gevolgd door een klimmetje van vijfhonderd meter om weer uit het (droge) rivierdal te komen, maar meestal genieten we van een landschap zo vlak als Friesland. Aan dat genieten komt abrupt verandering na Villar de Mazerife, waarover later meer. Dit dorp binnenrijdend zien we weer die typische onderaardse woningen, langgerekte heuvels met een deur aan het uiteinde en een schoorsteen ergens in het midden. Wonderlijk. Maar koel in de zomer en warm in de winter. De kerk is een pronkstuk van eenvoud, in elkaar geflanst uit ronde keien en leem. Een godswonder dat ze al zo lang staat. Maar ja, het is een huis Gods.
In het al genoemde Hospital de Órbigo, met zijn beroemde lange brug van Romeinse oorsprong over de Rio Órbigo, doet Frans enkele boodschappen en halen we een stempel in een klein winkeltje. Daarna eten we op een prachtig gelegen terras met uitzicht op de werkelijk unieke brug een vette, warme ‘bocadillo quieso‘. Deze strategische plek maakt het mogelijk om getuige te zijn van de aankomst van Chris en Nelly, hobbelend over het keienwegdek van de brug; allesbehalve ‘keigaaf’ om de befietsen. Het is inmiddels elf uur. Na enige tijd rijden wij weer verder. We zullen elkaar terugzien op de volgende camping. We hadden inmiddels afgesproken niet in Astorga te blijven maar twintig kilometer verder te fitsen tot Rabanal, zes kilometer onder de top van de vermaarde Cruz de Ferro, het hoogste punt van de Camino.
Even na half één rijden we Astorga binnen, een oude stad waar imposante resten van stadsmuren getuigen van een heroïek verleden en waar drie pelgrimswegen samenkomen; ook de ‘Zilveren Weg’ vanuit Sevilla voegt zich hier bij de Camino Francés. Als we aan de voet van de steile helling naar de binnenstad staan - we hadden de afslag gemist - worden we ongevraagd door een oud vrouwke op de hoogte gesteld van het feit dat we er ook via een andere weg kunnen komen en aanzienlijk minder steil. Zo zitten we even later aanzienlijk frisser aan een fris glaasje op een terras in het zicht van het prachtige barokke stadhuis. Daarna zien we nog het bijzondere voormalige bisschoppelijke paleis van Gaudí en de kathedraal, een mengelmoes van gotische en barokke bouwkunst. Aangezien het ‘lunes’ is (Spaans voor Maandag), is die gesloten. Daarom moeten we ons tevreden stellen met de beschrijving die Cees Nooteboom eraan wijdde:
“… alweer zo’n monoliet, zo’n triomfalistische mastodont, die in een veel te kleine plaats is neergestort door een geweld waarvan wij de portee niet meer begrijpen. Soms is het ook nauwelijks te verdragen, al die zwaarte, gepantserd, een beetje kwaadaardig, voorwereldlijke monsters die op hun dood wachten. Ik kan het natuurlijk toch weer niet laten en ga naar binnen in dat versteende woud van zuilen die zonder kapitelen omhoogsuizen, de gewelven in.”
Dat interieur hebben we dus niet met eigen ogen mogen aanschouwen als gevolg van de Spaanse lunes. Zonde.
Na Astorga verandert het landschap radicaal. We fietsen de Montes de León in, richting Cruz de Ferro. Een klim van 20 kilometer. Een goed idee om er vandaag alvast aan te beginnen en morgenochtend de klim te voltooien.
Na geklommen te zijn tot 1150 meter hoogte komen we om half vier aan in het nietige vlekje Rabanal del Camino. Het eerst passeren we de rustieke albergue met een restaurantje ernaast. Als ik afstap om te vragen naar de camping komt de eigenaresse naar buiten, een klein Spaans vrouwke, die ons verwijst naar een grasveldje in twee etages enkele tientallen meters verder.
We zetten er onze fietsen neer om ‘onze kavel’ af te bakenen en vertrekken naar het terras naast de albergue voor een koel glas pils. Terwijl we daar zitten komen ook Chris en Nelly de berg op duwen. Een tweede pils is het vervolg. Onze tenten staan naast elkaar met een aangenaam picknickzitje ertussen, met plaats voor zes mensen. Dus plaats genoeg voor het geval iemand zich dik zou willen maken… hoewel een tijdje later ook Albert en Lucie arriveren, die ook in León waren en die we vandaag inhaalden, waarna ze op het grindtraject nog geplaagd waren door twee lekke banden. De tafel is vanavond dus vol.
Morgen gaat het verder naar het hoogste punt van de Camino. De eerste zes kilometer moeten 350 hoogtemeters overwonnen worden. Echt een ‘top-begin’ van een dag.
Groeten uit Rabanal del Camino, waar de donkere wolken nog altijd overwaaien zonder ons nat te maken.
Morgen gaat het verder naar het hoogste punt van de Camino. De eerste zes kilometer moeten 350 hoogtemeters overwonnen worden. Echt een ‘top-begin’ van een dag.
Groeten uit Rabanal del Camino, waar de donkere wolken nog altijd overwaaien zonder ons nat te maken.
zondag 28 juni 2009
De ‘sello’ van León
Tweeëndertigste dag
28 juni 2009
Rustdag León
Vandaag opnieuw een rustdag in een mooie stad. Én een welverdiende na twee etappes van meer dan honderd kilometer. De nacht was rustig, zeven mensen op de kamer en niet één snurker erbij. Een unicum. We slapen lekker uit tot een uur of acht.
Om tien uur verhuizen we ons hele hebben en houden naar een kamer van de jeugdherberg in hetzelfde gebouw, om precies te zijn de overkant van de gang. In een pelgrimsalbergue mag je maar één nacht blijven. Dan is deze combinatie een uitstekende oplossing.
We zijn getuige van een heuse zevenherenmis! Alle priesters in mooie groene kazuifels, geassisteerd door iemand in wit met een stola als manusje van alles en een wit getoogde ‘misdienaar’ die uitblinkt in het hanteren van het wierookvat. Een hele drukte op het priesterkoor. Exact op het moment dat tijdens de consecratie het brood geheven wordt, slaat de torenklok; een uitstekend getimed moment. Na de mis proberen we toch nog een stempel te krijgen. We lopen naar de deur van de sacristie waardoor de heren afgegaan zijn.
“Als er een koster of iemand anders naar buiten komt, vragen we die”, vertolkt Frans ook mijn gedachte, “we zijn per slot van rekening in de mis geweest. De eerste die verschijnt is de wit getoogde ‘misdienaar’. Hij beduidt ons in heel druk Spaans dat we dan even moeten wachten. Nadat hij zich geruime tijd onderhouden heeft met enkele andere kerkgangers, krijgen we eindelijk onze ‘sello’. Frans oppert nog even om hem triomfantelijk te laten zien aan de eerder genoemde ordebewaakster, maar daar zien we al gauw van af.
Ook genieten we van het Casa de Botines, een schepping van architect Antonio Gaudí.
De lucht betrekt langzaam en het voelt fris aan. Nadat wij de oude romaanse kerk San Isidoro bezichtigd hebben, waar ook weer een mis bezig is, begint het zelfs te regenen. Andermaal kon een rustdag niet beter gepland zijn. En wat morgen betreft, zullen we vertrouwen op de tekst van Marco Borsato: ‘Morgen kan het beter zijn’…
Tot zover. De groeten uit een bewolkt León, waar af en toe weer een beetje hemelblauw tevoorschijn komt.
zaterdag 27 juni 2009
Die vreselijke Meseta...
Eenendertigste dag
Zaterdag 27 juni 2009
Carrión de los Condes - León, 106 km
De wind hield vannacht behoorlijk thuis in de populieren. Zoiets komt je nachtrust niet ten goede. Ik lag een tijdje wakker, waarbij van alles door mijn hoofd speelde. Louise, intussen al een maand in haar eentje thuis, moet voor alles alleen opdraaien. Ik mis haar. Alles wat je lief is bevindt zich ruim tweeduizend kilometer van mijn luchtmatras. Mijn eigen keuze, waar zij me de ruimte voor gaf. Ik geniet ervan, doe er iets mee… maar er zijn van die momenten… daarna sukkelde ik weer in slaap, een diepe slaap.
Om half zeven schrik ik wakker. Frans is al een half uur bezig, zijn deel van de tent is al opgeruimd. Ik heb er niets van gemerkt. Daar voel ik me niet lekker bij.
Ik schakel op dubbele kracht vooruit en even na half acht zijn we klaar met opruimen en tien minuten later fietsen we de poort uit voor onze tweede dag over de meseta, die kale vlakte. Aeolus geeft ons vriendelijk een zetje in de rug.
Het zijn lange rechte wegen, eerst vlak, daarna met valse platten, soms aan de steile kant. Mijn ‘zit’ is niet echt lekker. Als Frans vooruit rijdt - het is zijn terrein, hij maalt zich krachtig omhoog - raak ik steeds verder achter. Ook malend, maar dan in mijn hoofd. Het nachtelijk gepeins komt terug. Ik kom er mentaal helemaal doorheen te zitten. Als Frans op de top van een klim, waar hij op mij gewacht heeft, informeert of er misschien iets is, wordt het me te veel. Op een bank barst ik in huilen uit… echt, ik kan niet anders.
“Ik heb ‘t helemaal gehad. Ik wil naar huis!”
Na een tijdje hervind ik mezelf. Deze diepe dalen horen er gewoon bij. Iedereen krijgt er vroeg of laat mee te maken. Daarna probeer ik mijn gevoel uit mijn lijf te fietsen door de eindeloze golvende vlakte. Lange rechte, troosteloze wegen. Ik denk aan wat ik gelezen heb in het verslag van Domenico Laffi, die ons rond 1670 te voet voorging. Wat hij hier tegenkwam was schokkend. Lees en huiver:
“We liepen de hele dag door de immense vlakte, verschroeid en verdord, niet alleen door de brandende zon maar ook door grote zwermen sprinkhanen die alles verwoest hadden. Er was geen boom, grasspriet of ander groen meer te bekennen, alleen maar zand. Er waren zo veel van die vervloekte beesten dat je slechts met de grootste moeite kon lopen. Ze vlogen door de lucht in wolken die zo dicht waren dat de blauwe hemel nauwelijks te zien was. Onder deze omstandigheden liepen we door dit uitgestorven, verpeste land van dorp naar dorp. De weg was overal bedekt met sprinkhanen. Op weg naar Sahagún kwamen we bij een arme Franse pelgrim, die uitgeput op de weg lag. Hij was stervende en helemaal overdekt met sprinkhanen. De wrede schare gevleugeld ongedierte had al een begin gemaakt hem in bezit te nemen voor een overvloedige maaltijd, en terwijl we bij hem bleven hadden wij zelf alle moeite om de rond zwermende vraatzuchtige massa van ons lijf te houden. We bedekten zijn gezicht en handen onder een laag zand en vervolgden onze weg naar het volgende dorp, waar we een priester op de hoogte stelden van de dode pelgrim een mijl buiten de plaats.”
Dat waren nog eens tijden.
Ook wij zijn op weg naar Sahagún, maar we zien alleen maar gezond wandelende pelgrims en enkele fietsers. Ze ontmoeten elkaar op een strategisch gelegen terras op een Y-splitsing. Als wij er aan een café con leche en een bocadillo zitten arriveren ook Chris en Nelly, die bij ons aanschuiven. We maken er een lange pauze van. Daarna gaat het verder over die lange weg die geflankeerd wordt door het Caminovoetpad met jonge bomen. Voor de voetpelgrims moet dit eindeloos zijn. Ik put mezelf uit in een lange demarrage. Dat pestgevoel moet uit mijn lijf. Het lukt.
We passeren armzalige dorpen met onverzorgde grindpaden als straten, toch nog altijd sjiek ‘calles’ genoemd. Een Calle Mayor, met een wegdek van knarsend grind waar je banden af en toe in wegglijden. Hoe kunnen ze hier leven? Armoede? Of tevredenheid? Och, als je niet anders gewend bent… We zien zelfs ondergrondse huizen, heuvels met een deur en schoorstenen boven het gras. Een heeft er zelfs een tv-antenne op de schoorsteen. Hier staat de tijd dus niet stil.
Rond de middag draait de wind. De laatste veertig kilometer wordt het werken. Sluierbewolking slibt langzaam de hemel dicht en het wordt heet en benauwd. Onweer op komst? We wachten af.
Tegen half vier rijden we León binnen. Opnieuw zitten er meer dan honderd kilometer op. Als we een politieagent naar de camping vragen, krijgen we te horen dat er alleen in de zomer een camping is… de zomer begint hier pas op 1 juli. Hij verwijst ons naar de albergue. Een groot gebouw, van binnen zeer netjes. We slapen hier met acht mensen op een kamer. Frans wil het nog een keer proberen, min of meer met zijn rug tegen de muur. Eigenlijk mag je maar één nacht van een albergue gebruik maken. Voor ons wordt een uitzondering gemaakt. We moeten dan wel morgen verhuizen naar een andere zaal en voor de tweede nacht het dubbele betalen. Vier euro wordt dan acht euro… daar kom je overheen.
Dit weekend zijn mijn collega’s van het Collectief ’05 gestart met de opnamen van onze nieuwe film. Twee dagen na mijn thuiskomst is het volgende opnameweekend en kan ik er weer bij zijn… Succes alvast!
Vanavond gaan we de stad in. Mochten er nog leuke dingen gebeuren, dan verschijnen die morgen alsnog op de blog.
Groeten uit León, intussen weer zonnig en aangenaam warm.
Zaterdag 27 juni 2009
Carrión de los Condes - León, 106 km
De wind hield vannacht behoorlijk thuis in de populieren. Zoiets komt je nachtrust niet ten goede. Ik lag een tijdje wakker, waarbij van alles door mijn hoofd speelde. Louise, intussen al een maand in haar eentje thuis, moet voor alles alleen opdraaien. Ik mis haar. Alles wat je lief is bevindt zich ruim tweeduizend kilometer van mijn luchtmatras. Mijn eigen keuze, waar zij me de ruimte voor gaf. Ik geniet ervan, doe er iets mee… maar er zijn van die momenten… daarna sukkelde ik weer in slaap, een diepe slaap.
Om half zeven schrik ik wakker. Frans is al een half uur bezig, zijn deel van de tent is al opgeruimd. Ik heb er niets van gemerkt. Daar voel ik me niet lekker bij.
Ik schakel op dubbele kracht vooruit en even na half acht zijn we klaar met opruimen en tien minuten later fietsen we de poort uit voor onze tweede dag over de meseta, die kale vlakte. Aeolus geeft ons vriendelijk een zetje in de rug.
Het zijn lange rechte wegen, eerst vlak, daarna met valse platten, soms aan de steile kant. Mijn ‘zit’ is niet echt lekker. Als Frans vooruit rijdt - het is zijn terrein, hij maalt zich krachtig omhoog - raak ik steeds verder achter. Ook malend, maar dan in mijn hoofd. Het nachtelijk gepeins komt terug. Ik kom er mentaal helemaal doorheen te zitten. Als Frans op de top van een klim, waar hij op mij gewacht heeft, informeert of er misschien iets is, wordt het me te veel. Op een bank barst ik in huilen uit… echt, ik kan niet anders.
“Ik heb ‘t helemaal gehad. Ik wil naar huis!”
Na een tijdje hervind ik mezelf. Deze diepe dalen horen er gewoon bij. Iedereen krijgt er vroeg of laat mee te maken. Daarna probeer ik mijn gevoel uit mijn lijf te fietsen door de eindeloze golvende vlakte. Lange rechte, troosteloze wegen. Ik denk aan wat ik gelezen heb in het verslag van Domenico Laffi, die ons rond 1670 te voet voorging. Wat hij hier tegenkwam was schokkend. Lees en huiver:
Dat waren nog eens tijden.
Rond de middag draait de wind. De laatste veertig kilometer wordt het werken. Sluierbewolking slibt langzaam de hemel dicht en het wordt heet en benauwd. Onweer op komst? We wachten af.
Tegen half vier rijden we León binnen. Opnieuw zitten er meer dan honderd kilometer op. Als we een politieagent naar de camping vragen, krijgen we te horen dat er alleen in de zomer een camping is… de zomer begint hier pas op 1 juli. Hij verwijst ons naar de albergue. Een groot gebouw, van binnen zeer netjes. We slapen hier met acht mensen op een kamer. Frans wil het nog een keer proberen, min of meer met zijn rug tegen de muur. Eigenlijk mag je maar één nacht van een albergue gebruik maken. Voor ons wordt een uitzondering gemaakt. We moeten dan wel morgen verhuizen naar een andere zaal en voor de tweede nacht het dubbele betalen. Vier euro wordt dan acht euro… daar kom je overheen.
Dit weekend zijn mijn collega’s van het Collectief ’05 gestart met de opnamen van onze nieuwe film. Twee dagen na mijn thuiskomst is het volgende opnameweekend en kan ik er weer bij zijn… Succes alvast!
Vanavond gaan we de stad in. Mochten er nog leuke dingen gebeuren, dan verschijnen die morgen alsnog op de blog.
Groeten uit León, intussen weer zonnig en aangenaam warm.
Eindelijk… de Meseta
Dertigste dag
Vrijdag 26 juni 2009
Burgos – Carrión de los Condos, 104 km
Na een ontspannen negenentwintigste dag van slenteren door de prachtige stad Burgos besloten we gisteravond nog eens zelf te koken. En écht genoeg te eten. Elk twee borden spaghetti en salade, geblust met een yoghurttoetje. Na het internetten in de cantina namen we afscheid van Jan en Trudie, een echtpaar uit Oost-Graftdijk in Noord-Holland bij Purmerend, dat we onderweg regelmatig op verschillende campings ontmoet hebben. Leuke mensen. Aangezien zij pas rond de 12e juli in Santiago willen aankomen, scheidden hier definitief onze wegen… tenminste wat deze reis betreft.
Toen het bedtijd werd - voor ons rond tien uur - begon in de nabijheid van de camping een keihard ritmisch concert met djembees, dat gelukkig om half elf stopte.
Midden in de nacht daalde een zacht regenbuitje op het tentzeil neer, het eerste sinds we in Spanje zijn, aaiend bijna, heel kort en mild, bijna een natte zoen van Pluvius… alsof hij ons nog even ‘Buen Camino’ wilde wensen voor het laatste deel van onze reis. De vooruitzichten voor de komende tien dagen zijn zondermeer prachtig. Zonnig en niet te warm. Wij boffen echt enorm. Alle goden, heiligen en engelen lijken met ons.
Het is heerlijk zonnig maar frisjes als we al voor kwart voor acht de poort uitrijden. Via een klim van twee kilometer verlaten we de stad en belanden in de licht golvende graanvelden, afgewisseld met een enkele zonnebloemenakker en af en toe een dorpje. Ergens onderweg loopt zo’n typisch Spaans zwart gekleed, oud, klein, ietwat scharminkelig, tandeloos vrouwke ons tegemoet en zwaait ons toe met een grote bos veldbloemen.
“Buen Camííínóóó”, roept ze met een hoog krakend stemmetje - bijna als de heks van Hans en Grietje, maar dan veel liever. Echt lief. Dat drijft je vooruit.
Na zo’n 30 kilometer maken we een eerste stop in Estepar bij een wegrestaurantje - een van de weinige die we vandaag zullen tegenkomen - met een reclamebord ‘MENU 8 Euro’. Daar is het nog te vroeg voor. Maar bij de ‘grande café con leche’ bestellen we wel een kleinigheid te eten, een broodje kaas en een broodje ham, ofwel in het Spaans een ‘bocadillo quieso’ en een ‘bocadillo jamón‘. Nou, wat je dan krijgt, daar heb je even werk aan: een half stokbrood, rijkelijk volgepropt met het bestelde beleg. Daar kun je weer een behoorlijke tijd op vooruit.
Vrijdag 26 juni 2009
Burgos – Carrión de los Condos, 104 km
Na een ontspannen negenentwintigste dag van slenteren door de prachtige stad Burgos besloten we gisteravond nog eens zelf te koken. En écht genoeg te eten. Elk twee borden spaghetti en salade, geblust met een yoghurttoetje. Na het internetten in de cantina namen we afscheid van Jan en Trudie, een echtpaar uit Oost-Graftdijk in Noord-Holland bij Purmerend, dat we onderweg regelmatig op verschillende campings ontmoet hebben. Leuke mensen. Aangezien zij pas rond de 12e juli in Santiago willen aankomen, scheidden hier definitief onze wegen… tenminste wat deze reis betreft.
Toen het bedtijd werd - voor ons rond tien uur - begon in de nabijheid van de camping een keihard ritmisch concert met djembees, dat gelukkig om half elf stopte.
Midden in de nacht daalde een zacht regenbuitje op het tentzeil neer, het eerste sinds we in Spanje zijn, aaiend bijna, heel kort en mild, bijna een natte zoen van Pluvius… alsof hij ons nog even ‘Buen Camino’ wilde wensen voor het laatste deel van onze reis. De vooruitzichten voor de komende tien dagen zijn zondermeer prachtig. Zonnig en niet te warm. Wij boffen echt enorm. Alle goden, heiligen en engelen lijken met ons.
Het is heerlijk zonnig maar frisjes als we al voor kwart voor acht de poort uitrijden. Via een klim van twee kilometer verlaten we de stad en belanden in de licht golvende graanvelden, afgewisseld met een enkele zonnebloemenakker en af en toe een dorpje. Ergens onderweg loopt zo’n typisch Spaans zwart gekleed, oud, klein, ietwat scharminkelig, tandeloos vrouwke ons tegemoet en zwaait ons toe met een grote bos veldbloemen.
“Buen Camííínóóó”, roept ze met een hoog krakend stemmetje - bijna als de heks van Hans en Grietje, maar dan veel liever. Echt lief. Dat drijft je vooruit.
Na zo’n 30 kilometer maken we een eerste stop in Estepar bij een wegrestaurantje - een van de weinige die we vandaag zullen tegenkomen - met een reclamebord ‘MENU 8 Euro’. Daar is het nog te vroeg voor. Maar bij de ‘grande café con leche’ bestellen we wel een kleinigheid te eten, een broodje kaas en een broodje ham, ofwel in het Spaans een ‘bocadillo quieso’ en een ‘bocadillo jamón‘. Nou, wat je dan krijgt, daar heb je even werk aan: een half stokbrood, rijkelijk volgepropt met het bestelde beleg. Daar kun je weer een behoorlijke tijd op vooruit.
Vele kilometers voelen we ons alleen op de wereld. Geen mensen, geen auto‘s - nou ja, twee per uur - …en dan opeens, in de verte … een fietser die ons tegemoet komt. Een Nederlander..! Kennelijk op weg naar huis. Doorvoor fiets je in Spanje, om Nederlanders tegen te komen. Later nog een Vlaming, doorwinterd in het Caminorijden; hij waarschuwt ons voor het laatste deel in Galicië en raadt ons vooral aan de dagetappes daar niet te lang te maken. Twee ritten van 80 kilometer..? Hij schudt zijn hoofd. De eerste Spanjaard dient zich aan als Frans na een klim even op mij staat te wachten. In een van die zeldzame auto’s… en hij stopt zelfs, en vraagt of er iets mis is en of hij hulp nodig heeft… prachtig.
De volgende plaats op dit rijgsnoer van herkenning is Castrojeriz, waarvan de foto in de titel van onze blog staat. Precies 500 kilometer voor ons einddoel. De kerk slaat net het middaguur. Terwijl we bezig zijn tegen dit decor met zelfontspanner een échte foto van ons tweeën te maken - die op de blog is natuurlijk gemonteerd… - komt er een Koreaanse voetpelgrim aan die bereidwillig aanbiedt ons die klus uit handen te nemen. Hij ontpopt zich als een echte fotograaf, niet door het afdrukken aan te kondigen met “Here comes the little birdy” of zoiets, maar met “Wan, toe, slie”. Maar de foto’s lukken uitstekend. Leuke mensen, die Koreanen. Ze lachen altijd. En zorgen dat wij dat ook doen.
Een half uur later rijden we met 70 kilometer op de teller de provincie Palencia binnen. Alweer wordt de weg op slag weer hobbelig. Het is wat met die grenzen. We eten een kleinigheid en hobbelen verder door de eindeloze meseta. Wat een gebied. Wat een leegheid. Een tafelgebergte, deze hoge vlakte van Castilië, leeg, droog, groot als een weids golvende zee. Een kaal land met lage, onaanzienlijke dorpen waar kalligrafisch gebeeldhouwde kerken en kloosters de herinnering aan voorbije grootheid bewaren. Hier is de tijd werkelijk stil blijven staan.
Eigenlijk zou volgens planning Frómista vandaag ons einddoel zijn. Als we daar om twee uur aankomen hebben we 84 kilometer achter de rug. We besluiten om er nog twintig kilometer aan te plakken. Over de Castiliaanse vlakte. Op dit relatief vlakke terrein moet dat mogelijk zijn. Heel weinig klimmen en een lekkere temperatuur. Bovendien kunnen we dan morgen in één ruk naar doorrijden naar León (opnieuw meer dan 100 kilometer), daar onze rustdag in het weekend houden en een dag voorsprong op ‘het schema‘ boeken. We eten een portie ravioli op een terras en brengen een bezoek aan de San Martinkerk, een hoogtepunt van romaanse bouwkunst op de Camino, een bijna Rijnlandse kerk, veel te groot voor een dorp als dit, met in de buitengevels wel honderden in steen gesneden korbelen, kraagstenen, met allemaal verschillende hoofden, koppen, gezichten, die soms doen denken aan onze Jeroen Bosch. Schitterend onderhouden, maar helaas gesloten. In dit land kun je ‘s middags niets doen. Spanje ligt tussen twee en vijf plat; de enigen die zich moe maken zijn ontoerekeningsvatbare noorderlingen.
Om vier uur zijn we in Carrión de los Condes, een aardig plaatsje met een camping. Hier ontmoeten we een echtpaar uit ‘Pló bij Boakel’, Chris en Nelly. Ook op weg naar Santiago en twee dagen later vertrokken dan wij. Ze hebben dus goed doorgereden. We zitten samen op de veranda aan een groot pils terwijl ik dit dagverslag op de laptop zet. Of het vandaag ook op de blog gezet kan worden is nog de vraag. De wifi van de camping is gewoon ontoereikend; misschien is er straks in het stadje nog een andere mogelijkheid. Daar gaan we een pelgrimsmenu eten. Wij vinden dat we dat vandaag verdiend hebben.
Vooraf stapten we de kerk binnen, ondermeer voor een stempel. Er werd net de rozenkrans gebeden, in ontzettend rap Spaans. Na afloop daarvan zouden we de stempel kunnen halen in de sacristie. Maar voor we er erg in hadden stond de priester weer op het koor en begon met een uitgebreide verering van het allerheiligste, op zijn knieën gezonken, zingend en hoestend - kennelijk last van zijn stem. Toen hij daarna met de mis begon, hielden we het voor gezien. We rammelden van de honger en prefereerden - o, onzaligheid - de geneugten van wereldlijk voedsel boven het geestelijke equivalent. We genoten in het restaurantje tegenover de kerk inderdaad van een heerlijk pelgrimsmenu. Frans bestelde nog eens extra ’patatas’ en salade om ’echt zat’ te worden. Een half uur later, toen de mis afgelopen was, stak ik snel even de straat over om in de kerk toch onze stempels te bemachtigen.
Om voor de rest kort te gaan: de camping-wifi werkte niet, wat we ook probeerden. Daarom wordt dit verslag vandaag in León op de blog gezet.
Groeten vanaf een zonnige maar gelukkig niet bloedhete meseta. Wat een zegen.
Een half uur later rijden we met 70 kilometer op de teller de provincie Palencia binnen. Alweer wordt de weg op slag weer hobbelig. Het is wat met die grenzen. We eten een kleinigheid en hobbelen verder door de eindeloze meseta. Wat een gebied. Wat een leegheid. Een tafelgebergte, deze hoge vlakte van Castilië, leeg, droog, groot als een weids golvende zee. Een kaal land met lage, onaanzienlijke dorpen waar kalligrafisch gebeeldhouwde kerken en kloosters de herinnering aan voorbije grootheid bewaren. Hier is de tijd werkelijk stil blijven staan.
Eigenlijk zou volgens planning Frómista vandaag ons einddoel zijn. Als we daar om twee uur aankomen hebben we 84 kilometer achter de rug. We besluiten om er nog twintig kilometer aan te plakken. Over de Castiliaanse vlakte. Op dit relatief vlakke terrein moet dat mogelijk zijn. Heel weinig klimmen en een lekkere temperatuur. Bovendien kunnen we dan morgen in één ruk naar doorrijden naar León (opnieuw meer dan 100 kilometer), daar onze rustdag in het weekend houden en een dag voorsprong op ‘het schema‘ boeken. We eten een portie ravioli op een terras en brengen een bezoek aan de San Martinkerk, een hoogtepunt van romaanse bouwkunst op de Camino, een bijna Rijnlandse kerk, veel te groot voor een dorp als dit, met in de buitengevels wel honderden in steen gesneden korbelen, kraagstenen, met allemaal verschillende hoofden, koppen, gezichten, die soms doen denken aan onze Jeroen Bosch. Schitterend onderhouden, maar helaas gesloten. In dit land kun je ‘s middags niets doen. Spanje ligt tussen twee en vijf plat; de enigen die zich moe maken zijn ontoerekeningsvatbare noorderlingen.
Om vier uur zijn we in Carrión de los Condes, een aardig plaatsje met een camping. Hier ontmoeten we een echtpaar uit ‘Pló bij Boakel’, Chris en Nelly. Ook op weg naar Santiago en twee dagen later vertrokken dan wij. Ze hebben dus goed doorgereden. We zitten samen op de veranda aan een groot pils terwijl ik dit dagverslag op de laptop zet. Of het vandaag ook op de blog gezet kan worden is nog de vraag. De wifi van de camping is gewoon ontoereikend; misschien is er straks in het stadje nog een andere mogelijkheid. Daar gaan we een pelgrimsmenu eten. Wij vinden dat we dat vandaag verdiend hebben.
Vooraf stapten we de kerk binnen, ondermeer voor een stempel. Er werd net de rozenkrans gebeden, in ontzettend rap Spaans. Na afloop daarvan zouden we de stempel kunnen halen in de sacristie. Maar voor we er erg in hadden stond de priester weer op het koor en begon met een uitgebreide verering van het allerheiligste, op zijn knieën gezonken, zingend en hoestend - kennelijk last van zijn stem. Toen hij daarna met de mis begon, hielden we het voor gezien. We rammelden van de honger en prefereerden - o, onzaligheid - de geneugten van wereldlijk voedsel boven het geestelijke equivalent. We genoten in het restaurantje tegenover de kerk inderdaad van een heerlijk pelgrimsmenu. Frans bestelde nog eens extra ’patatas’ en salade om ’echt zat’ te worden. Een half uur later, toen de mis afgelopen was, stak ik snel even de straat over om in de kerk toch onze stempels te bemachtigen.
Om voor de rest kort te gaan: de camping-wifi werkte niet, wat we ook probeerden. Daarom wordt dit verslag vandaag in León op de blog gezet.
Groeten vanaf een zonnige maar gelukkig niet bloedhete meseta. Wat een zegen.
donderdag 25 juni 2009
Groene velden en een schitterende stad
Achtentwintigste dag
Woensdag 24 juni 2009
Santo Domingo – Burgos, 84 km
Het verhaal dat de vroege vogels in albergues al rond vijf uur in de donkere ochtend luidruchtig beginnen te spoken en iedereen uit hun slaap halen, gaat in Santo Domingo de la Calzada niet op. Na een iel elektronisch wekpiepje ergens op de naburige slaapkamers klinkt weliswaar even een zacht gestommel, gaat er even een mobieltje aan om wat licht in de duisternis te brengen, maar voor de rest blijft het stil. We moeten ons voornemen om met de vroegsten uit de veren te stappen voorlopig even uitstellen uit mededogen voor de slapende meerderheid. Geritsel van plastic zakken kan meteen ‘dodelijk’ zijn.
De dag is buiten nog niet aangebroken. Hoe verder je naar het westen reist, des te later wordt het licht. De eerste vogels beginnen pas tegen zes uur de nieuwe dag aan te kondigen. Even na half zes ben ik de eerste. Zachtjes wat kleren aan, op de ‘servicios’ weer uittrekken, wassen, weer terug het aardedonkere hol in, waar ik tegen iemand opbots.
“Frans, bis toe dat…?” Het is Frans. We gaan naar beneden om te ontbijten.
Frans is niet bepaald vrolijk. Voor hem is dit absoluut de laatste keer. Nooit geen albergue meer. De hele nacht al die geluiden, je in het piepende en krakende stapelbed niet durven te bewegen om anderen tot last te zijn… die anderen die er nietsontziend op los draaien en snurken. Zelf vond ik het best meevallen. Al vóór middernacht was wel een ongewenst ‘Wunschkonzert fúr drei Schnarcher und Hobo’ van start gegaan, maar later in de nacht was het weer weldadig stil geworden. Maar Frans is pertinent. Nooit meer.
Om half zeven is het buiten bitter koud. We bevinden ons op een hoogte van 650 meter. De lucht is helder blauw maar de zon is op de binnenplaats nog niet te zien. Om zeven uur vertrekken we. Jasjes aan uiteraard. Niet via de drukke N120 maar noordelijk daarvan over rechte wegen door de enorme velden gaat het richting Burgos. Eerst een afdaling naar een vlekje in een dal op 570 meter en daarna vals plat omhoog naar Belorado, dat weer tweehonderd meter hoger ligt. Op het wegdek rijden onze twee langgerekte schaduwen met ons mee, een mooi gezicht, ook voor mijn camera.
Na 16 kilometer rijden we de provincie Burgos binnen. Op slag verandert het wegdek van aangenaam vlak naar hobbelig en duizend-en-tweemaal geflikt; zoals Franse binnenwegen. We hebben een hekel aan dit gehots, -bots en -knots, maar er blijft geen andere keus.
Om kwart voor negen drinken we een café con leche op een terrasje in Belorado, tegenover een pleintje met een waterpomp, waar het ‘agua‘ - hier noemen de rap sprekende Spanjaarden het ‘awa’, alsof ze zich ergens gestoten hebben - ongehinderd uit blijft stromen. Leer hier je kinderen maar eens dat ze de kraan moeten dichtdraaien.
We zijn de Tierra de Campos binnengereden, een eindeloos lijkend gebied van onafzienbare akkers waar we nog bijna 300 kilometer doorheen moeten ‘ploegen’.
Na Belorado gaat het via een prachtige klim van vijf kilometer aan 5 procent omhoog tot . Hoe hoger we komen des te groener de velden worden. Ook de bermen. Ze staan vol klaprozen en korenbloemen. Nog niets is verdord. Wat een verschil met de droge, overrijpe velden van Navarra. De Montes de Oca is een streek met prachtige groene vergezichten waar we met volle teugen van genieten.
We rijden zelfs door lommerrijke laantjes met bomen aan weerszijden. Stilaan komen we op een hoogte van rond de duizend meter zonder echt moeilijke en steile klimmen gehad te hebben.
Het is een leeg gebied. De dorpen liggen her en der verspreid, ver uit elkaar. Elk dorp heeft een eigen kerk, meestal op het hoogste punt. En boven op de toren zie je vaak een ooievaarsnest. Waarom zoeken die ooievaars juist de kerken op? Heeft dat misschien iets te maken met het bezoek van de pastoor in vroeger tijden… voor iets waarvoor de ooievaar ingeschakeld diende te worden..?
Dan zien we midden in een groot gouden altaar Sint Jacob, als Santiago Matamoros, de ‘morendoder’, gezeten op een wit paard. Het verhaal gaat dat hij in de veldslag tussen de christenen en de Moren bij Clavijo plotseling vanuit het niets - men zegt vanuit de hemel - ten tonele verscheen en de verloren situatie wist te redden door eigenhandig duizenden Moren naar een andere wereld te helpen. Santiago (Spaans voor Sint Jacob) als de redder van het christendom, daarom schutspatroon van Spanje en daarom op een ereplaats in de kerken. Wat bloedvergieten niet allemaal kan opleveren…
Kortom, we beleven een onvergetelijk intens uur - of nog langer? Ook de geschiedenis van de kerk wordt in de bijgebouwen belicht met bijzonder fraaie maquettes. De entree bedraagt vijf gulden. Pelgrims mogen voor de helft van de prijs naar binnen. Pelgrims hebben veel voordelen in dit land. Ook de camping kost maar 3,50 per persoon omdat we pelgrims zijn.
Later zitten we op een terras op het plein voor de kathedraal. Met name aan de twee torens is te zien dat hier ook drie architecten uit Keulen hebben gewerkt. De spitsen zijn net als die van de Dom van Keulen ‘opengewerkt’.
Domenico Laffi, de Italiaanse pelgrim uit de 17e eeuw, schreef in zijn dagboek: “Burgos is waarlijk een schitterende stad, groot en de hoofdstad van Castilië, waar ooit de koning zijn hofhouding had. De stad ligt in een ruime vlakte, paradijselijk doorsneden door een rivier.” Meer dan driehonderd jaar later zijn wij het nog steeds met hem eens. Hier een rustdag houden is een gouden greep. Ook de stad buiten die onvergelijkelijk kathedraal is in alle opzichten de moeite waard. Daar gaan we op onze (welverdiende) rustdag van genieten.
Van hieruit is het nog iets meer dan vijfhonderd kilometer naar Santiago. Het einde van onze tocht is in zicht. Pelgrimswegen en je eigen levensweg zijn vergelijkbaar. Stilaan begint de tijd te komen dat deze pelgrimage tot opbrengsten komt, dat het iets met je doet, dat je een helder zicht krijgt op je eigen levensweg en de manier waarop je met je leven - en dat van anderen - omgaat. Gesprekken met Frans over dit thema zijn af en toe heel verhelderend. Therapeutisch bijna. Ik word mezelf bewust van het feit dat ik vaak nadrukkelijk, té nadrukkelijk en te sturend aanwezig ben. Ik ben, niet alleen beroepsmatig, maar ook in het leven daarbuiten, een typisch ‘planningsmanneke’. Wat ik voor ogen heb, gepland heb, moet koste wat koste nagestreefd en gerealiseerd worden. Dat is niet altijd even prettig voor mensen met wie ik samenwerk. In de beoordeling van situaties sla ik soms stappen over, waardoor mijn visie wel eens bot en negatief kan overkomen. Dat wordt me stukje bij beetje duidelijk. Dit zijn belangrijke leermomenten van pelgrimage: je los maken en van op afstand kijken naar je functioneren als mens. Dit was vooraf dan ook een van mijn doelstellingen van deze reis. We zijn in allerlei opzichten goed op weg.
Woensdag 24 juni 2009
Santo Domingo – Burgos, 84 km
Het verhaal dat de vroege vogels in albergues al rond vijf uur in de donkere ochtend luidruchtig beginnen te spoken en iedereen uit hun slaap halen, gaat in Santo Domingo de la Calzada niet op. Na een iel elektronisch wekpiepje ergens op de naburige slaapkamers klinkt weliswaar even een zacht gestommel, gaat er even een mobieltje aan om wat licht in de duisternis te brengen, maar voor de rest blijft het stil. We moeten ons voornemen om met de vroegsten uit de veren te stappen voorlopig even uitstellen uit mededogen voor de slapende meerderheid. Geritsel van plastic zakken kan meteen ‘dodelijk’ zijn.
De dag is buiten nog niet aangebroken. Hoe verder je naar het westen reist, des te later wordt het licht. De eerste vogels beginnen pas tegen zes uur de nieuwe dag aan te kondigen. Even na half zes ben ik de eerste. Zachtjes wat kleren aan, op de ‘servicios’ weer uittrekken, wassen, weer terug het aardedonkere hol in, waar ik tegen iemand opbots.
“Frans, bis toe dat…?” Het is Frans. We gaan naar beneden om te ontbijten.
Frans is niet bepaald vrolijk. Voor hem is dit absoluut de laatste keer. Nooit geen albergue meer. De hele nacht al die geluiden, je in het piepende en krakende stapelbed niet durven te bewegen om anderen tot last te zijn… die anderen die er nietsontziend op los draaien en snurken. Zelf vond ik het best meevallen. Al vóór middernacht was wel een ongewenst ‘Wunschkonzert fúr drei Schnarcher und Hobo’ van start gegaan, maar later in de nacht was het weer weldadig stil geworden. Maar Frans is pertinent. Nooit meer.
Na 16 kilometer rijden we de provincie Burgos binnen. Op slag verandert het wegdek van aangenaam vlak naar hobbelig en duizend-en-tweemaal geflikt; zoals Franse binnenwegen. We hebben een hekel aan dit gehots, -bots en -knots, maar er blijft geen andere keus.
Om kwart voor negen drinken we een café con leche op een terrasje in Belorado, tegenover een pleintje met een waterpomp, waar het ‘agua‘ - hier noemen de rap sprekende Spanjaarden het ‘awa’, alsof ze zich ergens gestoten hebben - ongehinderd uit blijft stromen. Leer hier je kinderen maar eens dat ze de kraan moeten dichtdraaien.
We zijn de Tierra de Campos binnengereden, een eindeloos lijkend gebied van onafzienbare akkers waar we nog bijna 300 kilometer doorheen moeten ‘ploegen’.
Het superkleinste dorp is wel San Juan de Ortega. Het bestaat slechts uit een verlaten klooster dat nu deels als pelgrimsherberg dienst doet, een kerk, en een café. Dat is alles. Hier wordt de man vereerd wiens naam dit vlekje draagt, net als Santo Domingo een wegen- en bruggenbouwer voor de middeleeuwse pelgrims op de Camino. Zijn tombe in een aardedonkere crypte is uiterst eenvoudig - tenminste dat zie ik pas nadat ik mijn camera heb laten flitsen. We willen graag een stempel van dit oord op onze kaarten, maar die is nergens te vinden. In de kerk is niemand, de caféhouder verwijst ons naar de albergue… en daar worden we door een woedende ‘albergist’ weggejaagd als een stel straathonden. De zaak is gesloten en als we een ‘sello’ willen, moeten na twee uur maar terugkomen. Voor ons geen optie. Rond die tijd willen we in Burgos zijn. We eten wat brood op een picknickzitje in de schaduw. De temperatuur begint voelbaar op te lopen.
Er wacht ons nog een ‘klimmetje’ van 8 tot 14 procent. Dit beschouw ik gelaten als een gedwongen stukje Camino te voet, mijn tweewielige pakezel in het zweet des aanschijn omhoog zeulend… maar tot mijn verbazing weet ik toch fietsend de top te halen. Daarna dalen we af naar de stad waar we even na twee uur inchecken op camping Fuentes Blancas (witte bronnen) in een groot recreatiegebied op vier kilometer van de ‘cuidad’, het centrum van de stad.
We gebruiken de middag om wat orde op zaken te stellen. Er moet een uitgebreide was gedaan worden - voor onze begrippen althans - en de fietsen moeten een goede beurt krijgen. Als je tweeduizend kilometer onderweg bent - die zitten er inmiddels ruimschoots op - hoopt het vuil zich op. Met name in de ketting, de derailleur en de velg van het achterwiel. Alles wordt grondig schoongemaakt, daarna gedoucht - ik kan mijn vingers maar niet schoon krijgen - en alvast de witte was gedaan. De rest kan morgen.
Naar de stad fietsen kan door het recreatiepark waar een fietspad langs de oever van de Rio Arlazón loopt. Het eerste wat je ziet als je de stad binnenrijdt is een geweldig standbeeld van El Cid. Uit mijn jeugdjaren herinner ik me een film met die naam. Nooit gezien, wat ik nu betreur. El Cid Campeador, geboren als Rodrigo Diaz de Bivar, was een legendarische, briljante veldheer die belangrijke veldslagen geleverd heeft tegen de Moren en wiens daden een ereplaats hebben gekregen in de Spaanse nationale epiek.
Hij ligt met zijn gade Ximena begraven in de kathedraal, op een absolute ereplaats, loodrecht onder de prachtige stervormige koepel, van buiten een rijk met pinakeltjes en andere weelderige gotische elementen versierde toren op het kruispunt van de beuken.
Die kathedraal… mensen, wát een juweel. We hebben veel kerken gezien, maar deze…
“Da vilt dich gaar nieks mieë i”, verzucht Frans als we al een hele tijd van de ene verbazing in de andere gevallen zijn. Wat een ongelooflijke pracht en praal, onmetelijke rijkdom. Wat een schitterende kapellen, gouden altaren, gouden trappen, onvergelijkbare sacristieën. Want zelfs de ‘kleedkamers’ zijn musea op zich. Er speelt stemmige gregoriaansachtige muziek. Mijn camera blijft voortdurend in aanslag.
Er wacht ons nog een ‘klimmetje’ van 8 tot 14 procent. Dit beschouw ik gelaten als een gedwongen stukje Camino te voet, mijn tweewielige pakezel in het zweet des aanschijn omhoog zeulend… maar tot mijn verbazing weet ik toch fietsend de top te halen. Daarna dalen we af naar de stad waar we even na twee uur inchecken op camping Fuentes Blancas (witte bronnen) in een groot recreatiegebied op vier kilometer van de ‘cuidad’, het centrum van de stad.
We gebruiken de middag om wat orde op zaken te stellen. Er moet een uitgebreide was gedaan worden - voor onze begrippen althans - en de fietsen moeten een goede beurt krijgen. Als je tweeduizend kilometer onderweg bent - die zitten er inmiddels ruimschoots op - hoopt het vuil zich op. Met name in de ketting, de derailleur en de velg van het achterwiel. Alles wordt grondig schoongemaakt, daarna gedoucht - ik kan mijn vingers maar niet schoon krijgen - en alvast de witte was gedaan. De rest kan morgen.
Naar de stad fietsen kan door het recreatiepark waar een fietspad langs de oever van de Rio Arlazón loopt. Het eerste wat je ziet als je de stad binnenrijdt is een geweldig standbeeld van El Cid. Uit mijn jeugdjaren herinner ik me een film met die naam. Nooit gezien, wat ik nu betreur. El Cid Campeador, geboren als Rodrigo Diaz de Bivar, was een legendarische, briljante veldheer die belangrijke veldslagen geleverd heeft tegen de Moren en wiens daden een ereplaats hebben gekregen in de Spaanse nationale epiek.
Hij ligt met zijn gade Ximena begraven in de kathedraal, op een absolute ereplaats, loodrecht onder de prachtige stervormige koepel, van buiten een rijk met pinakeltjes en andere weelderige gotische elementen versierde toren op het kruispunt van de beuken.
Die kathedraal… mensen, wát een juweel. We hebben veel kerken gezien, maar deze…
“Da vilt dich gaar nieks mieë i”, verzucht Frans als we al een hele tijd van de ene verbazing in de andere gevallen zijn. Wat een ongelooflijke pracht en praal, onmetelijke rijkdom. Wat een schitterende kapellen, gouden altaren, gouden trappen, onvergelijkbare sacristieën. Want zelfs de ‘kleedkamers’ zijn musea op zich. Er speelt stemmige gregoriaansachtige muziek. Mijn camera blijft voortdurend in aanslag.
Kortom, we beleven een onvergetelijk intens uur - of nog langer? Ook de geschiedenis van de kerk wordt in de bijgebouwen belicht met bijzonder fraaie maquettes. De entree bedraagt vijf gulden. Pelgrims mogen voor de helft van de prijs naar binnen. Pelgrims hebben veel voordelen in dit land. Ook de camping kost maar 3,50 per persoon omdat we pelgrims zijn.
Later zitten we op een terras op het plein voor de kathedraal. Met name aan de twee torens is te zien dat hier ook drie architecten uit Keulen hebben gewerkt. De spitsen zijn net als die van de Dom van Keulen ‘opengewerkt’.
Domenico Laffi, de Italiaanse pelgrim uit de 17e eeuw, schreef in zijn dagboek: “Burgos is waarlijk een schitterende stad, groot en de hoofdstad van Castilië, waar ooit de koning zijn hofhouding had. De stad ligt in een ruime vlakte, paradijselijk doorsneden door een rivier.” Meer dan driehonderd jaar later zijn wij het nog steeds met hem eens. Hier een rustdag houden is een gouden greep. Ook de stad buiten die onvergelijkelijk kathedraal is in alle opzichten de moeite waard. Daar gaan we op onze (welverdiende) rustdag van genieten.
Van hieruit is het nog iets meer dan vijfhonderd kilometer naar Santiago. Het einde van onze tocht is in zicht. Pelgrimswegen en je eigen levensweg zijn vergelijkbaar. Stilaan begint de tijd te komen dat deze pelgrimage tot opbrengsten komt, dat het iets met je doet, dat je een helder zicht krijgt op je eigen levensweg en de manier waarop je met je leven - en dat van anderen - omgaat. Gesprekken met Frans over dit thema zijn af en toe heel verhelderend. Therapeutisch bijna. Ik word mezelf bewust van het feit dat ik vaak nadrukkelijk, té nadrukkelijk en te sturend aanwezig ben. Ik ben, niet alleen beroepsmatig, maar ook in het leven daarbuiten, een typisch ‘planningsmanneke’. Wat ik voor ogen heb, gepland heb, moet koste wat koste nagestreefd en gerealiseerd worden. Dat is niet altijd even prettig voor mensen met wie ik samenwerk. In de beoordeling van situaties sla ik soms stappen over, waardoor mijn visie wel eens bot en negatief kan overkomen. Dat wordt me stukje bij beetje duidelijk. Dit zijn belangrijke leermomenten van pelgrimage: je los maken en van op afstand kijken naar je functioneren als mens. Dit was vooraf dan ook een van mijn doelstellingen van deze reis. We zijn in allerlei opzichten goed op weg.
Abonneren op:
Posts (Atom)