zaterdag 27 juni 2009

Eindelijk… de Meseta

Dertigste dag
Vrijdag 26 juni 2009
Burgos – Carrión de los Condos, 104 km

Na een ontspannen negenentwintigste dag van slenteren door de prachtige stad Burgos besloten we gisteravond nog eens zelf te koken. En écht genoeg te eten. Elk twee borden spaghetti en salade, geblust met een yoghurttoetje. Na het internetten in de cantina namen we afscheid van Jan en Trudie, een echtpaar uit Oost-Graftdijk in Noord-Holland bij Purmerend, dat we onderweg regelmatig op verschillende campings ontmoet hebben. Leuke mensen. Aangezien zij pas rond de 12e juli in Santiago willen aankomen, scheidden hier definitief onze wegen… tenminste wat deze reis betreft.
Toen het bedtijd werd - voor ons rond tien uur - begon in de nabijheid van de camping een keihard ritmisch concert met djembees, dat gelukkig om half elf stopte.
Midden in de nacht daalde een zacht regenbuitje op het tentzeil neer, het eerste sinds we in Spanje zijn, aaiend bijna, heel kort en mild, bijna een natte zoen van Pluvius… alsof hij ons nog even ‘Buen Camino’ wilde wensen voor het laatste deel van onze reis. De vooruitzichten voor de komende tien dagen zijn zondermeer prachtig. Zonnig en niet te warm. Wij boffen echt enorm. Alle goden, heiligen en engelen lijken met ons.

Het is heerlijk zonnig maar frisjes als we al voor kwart voor acht de poort uitrijden. Via een klim van twee kilometer verlaten we de stad en belanden in de licht golvende graanvelden, afgewisseld met een enkele zonnebloemenakker en af en toe een dorpje. Ergens onderweg loopt zo’n typisch Spaans zwart gekleed, oud, klein, ietwat scharminkelig, tandeloos vrouwke ons tegemoet en zwaait ons toe met een grote bos veldbloemen.
“Buen Camííínóóó”, roept ze met een hoog krakend stemmetje - bijna als de heks van Hans en Grietje, maar dan veel liever. Echt lief. Dat drijft je vooruit.
Na zo’n 30 kilometer maken we een eerste stop in Estepar bij een wegrestaurantje - een van de weinige die we vandaag zullen tegenkomen - met een reclamebord ‘MENU 8 Euro’. Daar is het nog te vroeg voor. Maar bij de ‘grande café con leche’ bestellen we wel een kleinigheid te eten, een broodje kaas en een broodje ham, ofwel in het Spaans een ‘bocadillo quieso’ en een ‘bocadillo jamón‘. Nou, wat je dan krijgt, daar heb je even werk aan: een half stokbrood, rijkelijk volgepropt met het bestelde beleg. Daar kun je weer een behoorlijke tijd op vooruit.

Het blijft vandaag lekker weer. De fleece trui blijft lang aan. We rijden, weliswaar met een fikse wind tegen, over rechte wegen door de onafzienbare velden van de meseta, de schaduwloze Spaanse hoogvlakte, waar het ‘s zomers zo verschrikkelijk heet kan zijn, waar je levend kunt verbranden, weerloos ten prooi aan de koperen ploert. Die schijnt vandaag wel in volle glorie, maar gelukkig niet als een ploert. Wij hebben gewoon onvoorstelbaar geluk met het weer. Nogmaals, er wordt boven onze hoofden goed voor ons gezorgd…
Vele kilometers voelen we ons alleen op de wereld. Geen mensen, geen auto‘s - nou ja, twee per uur - …en dan opeens, in de verte … een fietser die ons tegemoet komt. Een Nederlander..! Kennelijk op weg naar huis. Doorvoor fiets je in Spanje, om Nederlanders tegen te komen. Later nog een Vlaming, doorwinterd in het Caminorijden; hij waarschuwt ons voor het laatste deel in Galicië en raadt ons vooral aan de dagetappes daar niet te lang te maken. Twee ritten van 80 kilometer..? Hij schudt zijn hoofd. De eerste Spanjaard dient zich aan als Frans na een klim even op mij staat te wachten. In een van die zeldzame auto’s… en hij stopt zelfs, en vraagt of er iets mis is en of hij hulp nodig heeft… prachtig.

Om elf uur maken we foto’s bij de beeldige afslag naar Castrojeriz, waar een oud kruis op een driesprong staat, in gezelschap van wegwijzers en een honderd meter verder een bord ‘Santiago 514 km‘. Dan weet je precies waar je aan toe bent.

Tien minuten verder komen we bij de imponerende ruïnes van het klooster San Anton, waarin zelfs een geïmproviseerde albergue gevestigd is… wát een locatie! We kijken er vol bewondering rond, met eigen ogen en onze cameraatjes, en worden by the way ook nog eens vergast op een miniconcertje van een bijna tandeloze Simpley Red-achtige figuur (ook qua stem!) op een kleine accordeon, begeleid door een vrouwtje op mandoline. Pelgrimerende Canadezen. Ze maken gezellige en vooral ook ’keigoeie’ country & bluesmuziek, waardoor we op een haartje na zelfs met z’n tweeën aan het dansen slaan… tjonge, dat zou wat zijn.

De volgende plaats op dit rijgsnoer van herkenning is Castrojeriz, waarvan de foto in de titel van onze blog staat. Precies 500 kilometer voor ons einddoel. De kerk slaat net het middaguur. Terwijl we bezig zijn tegen dit decor met zelfontspanner een échte foto van ons tweeën te maken - die op de blog is natuurlijk gemonteerd… - komt er een Koreaanse voetpelgrim aan die bereidwillig aanbiedt ons die klus uit handen te nemen. Hij ontpopt zich als een echte fotograaf, niet door het afdrukken aan te kondigen met “Here comes the little birdy” of zoiets, maar met “Wan, toe, slie”. Maar de foto’s lukken uitstekend. Leuke mensen, die Koreanen. Ze lachen altijd. En zorgen dat wij dat ook doen.
Een half uur later rijden we met 70 kilometer op de teller de provincie Palencia binnen. Alweer wordt de weg op slag weer hobbelig. Het is wat met die grenzen. We eten een kleinigheid en hobbelen verder door de eindeloze meseta. Wat een gebied. Wat een leegheid. Een tafelgebergte, deze hoge vlakte van Castilië, leeg, droog, groot als een weids golvende zee. Een kaal land met lage, onaanzienlijke dorpen waar kalligrafisch gebeeldhouwde kerken en kloosters de herinnering aan voorbije grootheid bewaren. Hier is de tijd werkelijk stil blijven staan.

Eigenlijk zou volgens planning Frómista vandaag ons einddoel zijn. Als we daar om twee uur aankomen hebben we 84 kilometer achter de rug. We besluiten om er nog twintig kilometer aan te plakken. Over de Castiliaanse vlakte. Op dit relatief vlakke terrein moet dat mogelijk zijn. Heel weinig klimmen en een lekkere temperatuur. Bovendien kunnen we dan morgen in één ruk naar doorrijden naar León (opnieuw meer dan 100 kilometer), daar onze rustdag in het weekend houden en een dag voorsprong op ‘het schema‘ boeken. We eten een portie ravioli op een terras en brengen een bezoek aan de San Martinkerk, een hoogtepunt van romaanse bouwkunst op de Camino, een bijna Rijnlandse kerk, veel te groot voor een dorp als dit, met in de buitengevels wel honderden in steen gesneden korbelen, kraagstenen, met allemaal verschillende hoofden, koppen, gezichten, die soms doen denken aan onze Jeroen Bosch. Schitterend onderhouden, maar helaas gesloten. In dit land kun je ‘s middags niets doen. Spanje ligt tussen twee en vijf plat; de enigen die zich moe maken zijn ontoerekeningsvatbare noorderlingen.

Om vier uur zijn we in Carrión de los Condes, een aardig plaatsje met een camping. Hier ontmoeten we een echtpaar uit ‘Pló bij Boakel’, Chris en Nelly. Ook op weg naar Santiago en twee dagen later vertrokken dan wij. Ze hebben dus goed doorgereden. We zitten samen op de veranda aan een groot pils terwijl ik dit dagverslag op de laptop zet. Of het vandaag ook op de blog gezet kan worden is nog de vraag. De wifi van de camping is gewoon ontoereikend; misschien is er straks in het stadje nog een andere mogelijkheid. Daar gaan we een pelgrimsmenu eten. Wij vinden dat we dat vandaag verdiend hebben.
Vooraf stapten we de kerk binnen, ondermeer voor een stempel. Er werd net de rozenkrans gebeden, in ontzettend rap Spaans. Na afloop daarvan zouden we de stempel kunnen halen in de sacristie. Maar voor we er erg in hadden stond de priester weer op het koor en begon met een uitgebreide verering van het allerheiligste, op zijn knieën gezonken, zingend en hoestend - kennelijk last van zijn stem. Toen hij daarna met de mis begon, hielden we het voor gezien. We rammelden van de honger en prefereerden - o, onzaligheid - de geneugten van wereldlijk voedsel boven het geestelijke equivalent. We genoten in het restaurantje tegenover de kerk inderdaad van een heerlijk pelgrimsmenu. Frans bestelde nog eens extra ’patatas’ en salade om ’echt zat’ te worden. Een half uur later, toen de mis afgelopen was, stak ik snel even de straat over om in de kerk toch onze stempels te bemachtigen.

Om voor de rest kort te gaan: de camping-wifi werkte niet, wat we ook probeerden. Daarom wordt dit verslag vandaag in León op de blog gezet.
Groeten vanaf een zonnige maar gelukkig niet bloedhete meseta. Wat een zegen.

donderdag 25 juni 2009

Groene velden en een schitterende stad

Achtentwintigste dag
Woensdag 24 juni 2009
Santo Domingo – Burgos, 84 km


Het verhaal dat de vroege vogels in albergues al rond vijf uur in de donkere ochtend luidruchtig beginnen te spoken en iedereen uit hun slaap halen, gaat in Santo Domingo de la Calzada niet op. Na een iel elektronisch wekpiepje ergens op de naburige slaapkamers klinkt weliswaar even een zacht gestommel, gaat er even een mobieltje aan om wat licht in de duisternis te brengen, maar voor de rest blijft het stil. We moeten ons voornemen om met de vroegsten uit de veren te stappen voorlopig even uitstellen uit mededogen voor de slapende meerderheid. Geritsel van plastic zakken kan meteen ‘dodelijk’ zijn.
De dag is buiten nog niet aangebroken. Hoe verder je naar het westen reist, des te later wordt het licht. De eerste vogels beginnen pas tegen zes uur de nieuwe dag aan te kondigen. Even na half zes ben ik de eerste. Zachtjes wat kleren aan, op de ‘servicios’ weer uittrekken, wassen, weer terug het aardedonkere hol in, waar ik tegen iemand opbots.
“Frans, bis toe dat…?” Het is Frans. We gaan naar beneden om te ontbijten.
Frans is niet bepaald vrolijk. Voor hem is dit absoluut de laatste keer. Nooit geen albergue meer. De hele nacht al die geluiden, je in het piepende en krakende stapelbed niet durven te bewegen om anderen tot last te zijn… die anderen die er nietsontziend op los draaien en snurken. Zelf vond ik het best meevallen. Al vóór middernacht was wel een ongewenst ‘Wunschkonzert fúr drei Schnarcher und Hobo’ van start gegaan, maar later in de nacht was het weer weldadig stil geworden. Maar Frans is pertinent. Nooit meer.

Om half zeven is het buiten bitter koud. We bevinden ons op een hoogte van 650 meter. De lucht is helder blauw maar de zon is op de binnenplaats nog niet te zien. Om zeven uur vertrekken we. Jasjes aan uiteraard. Niet via de drukke N120 maar noordelijk daarvan over rechte wegen door de enorme velden gaat het richting Burgos. Eerst een afdaling naar een vlekje in een dal op 570 meter en daarna vals plat omhoog naar Belorado, dat weer tweehonderd meter hoger ligt. Op het wegdek rijden onze twee langgerekte schaduwen met ons mee, een mooi gezicht, ook voor mijn camera.


Na 16 kilometer rijden we de provincie Burgos binnen. Op slag verandert het wegdek van aangenaam vlak naar hobbelig en duizend-en-tweemaal geflikt; zoals Franse binnenwegen. We hebben een hekel aan dit gehots, -bots en -knots, maar er blijft geen andere keus.
Om kwart voor negen drinken we een café con leche op een terrasje in Belorado, tegenover een pleintje met een waterpomp, waar het ‘agua‘ - hier noemen de rap sprekende Spanjaarden het ‘awa’, alsof ze zich ergens gestoten hebben - ongehinderd uit blijft stromen. Leer hier je kinderen maar eens dat ze de kraan moeten dichtdraaien.
We zijn de Tierra de Campos binnengereden, een eindeloos lijkend gebied van onafzienbare akkers waar we nog bijna 300 kilometer doorheen moeten ‘ploegen’.

Na Belorado gaat het via een prachtige klim van vijf kilometer aan 5 procent omhoog tot . Hoe hoger we komen des te groener de velden worden. Ook de bermen. Ze staan vol klaprozen en korenbloemen. Nog niets is verdord. Wat een verschil met de droge, overrijpe velden van Navarra. De Montes de Oca is een streek met prachtige groene vergezichten waar we met volle teugen van genieten.





We rijden zelfs door lommerrijke laantjes met bomen aan weerszijden. Stilaan komen we op een hoogte van rond de duizend meter zonder echt moeilijke en steile klimmen gehad te hebben.






Het is een leeg gebied. De dorpen liggen her en der verspreid, ver uit elkaar. Elk dorp heeft een eigen kerk, meestal op het hoogste punt. En boven op de toren zie je vaak een ooievaarsnest. Waarom zoeken die ooievaars juist de kerken op? Heeft dat misschien iets te maken met het bezoek van de pastoor in vroeger tijden… voor iets waarvoor de ooievaar ingeschakeld diende te worden..?
Het superkleinste dorp is wel San Juan de Ortega. Het bestaat slechts uit een verlaten klooster dat nu deels als pelgrimsherberg dienst doet, een kerk, en een café. Dat is alles. Hier wordt de man vereerd wiens naam dit vlekje draagt, net als Santo Domingo een wegen- en bruggenbouwer voor de middeleeuwse pelgrims op de Camino. Zijn tombe in een aardedonkere crypte is uiterst eenvoudig - tenminste dat zie ik pas nadat ik mijn camera heb laten flitsen. We willen graag een stempel van dit oord op onze kaarten, maar die is nergens te vinden. In de kerk is niemand, de caféhouder verwijst ons naar de albergue… en daar worden we door een woedende ‘albergist’ weggejaagd als een stel straathonden. De zaak is gesloten en als we een ‘sello’ willen, moeten na twee uur maar terugkomen. Voor ons geen optie. Rond die tijd willen we in Burgos zijn. We eten wat brood op een picknickzitje in de schaduw. De temperatuur begint voelbaar op te lopen.
Er wacht ons nog een ‘klimmetje’ van 8 tot 14 procent. Dit beschouw ik gelaten als een gedwongen stukje Camino te voet, mijn tweewielige pakezel in het zweet des aanschijn omhoog zeulend… maar tot mijn verbazing weet ik toch fietsend de top te halen. Daarna dalen we af naar de stad waar we even na twee uur inchecken op camping Fuentes Blancas (witte bronnen) in een groot recreatiegebied op vier kilometer van de ‘cuidad’, het centrum van de stad.
We gebruiken de middag om wat orde op zaken te stellen. Er moet een uitgebreide was gedaan worden - voor onze begrippen althans - en de fietsen moeten een goede beurt krijgen. Als je tweeduizend kilometer onderweg bent - die zitten er inmiddels ruimschoots op - hoopt het vuil zich op. Met name in de ketting, de derailleur en de velg van het achterwiel. Alles wordt grondig schoongemaakt, daarna gedoucht - ik kan mijn vingers maar niet schoon krijgen - en alvast de witte was gedaan. De rest kan morgen.
Naar de stad fietsen kan door het recreatiepark waar een fietspad langs de oever van de Rio Arlazón loopt. Het eerste wat je ziet als je de stad binnenrijdt is een geweldig standbeeld van El Cid. Uit mijn jeugdjaren herinner ik me een film met die naam. Nooit gezien, wat ik nu betreur. El Cid Campeador, geboren als Rodrigo Diaz de Bivar, was een legendarische, briljante veldheer die belangrijke veldslagen geleverd heeft tegen de Moren en wiens daden een ereplaats hebben gekregen in de Spaanse nationale epiek.
Hij ligt met zijn gade Ximena begraven in de kathedraal, op een absolute ereplaats, loodrecht onder de prachtige stervormige koepel, van buiten een rijk met pinakeltjes en andere weelderige gotische elementen versierde toren op het kruispunt van de beuken.
Die kathedraal… mensen, wát een juweel. We hebben veel kerken gezien, maar deze…
“Da vilt dich gaar nieks mieë i”, verzucht Frans als we al een hele tijd van de ene verbazing in de andere gevallen zijn. Wat een ongelooflijke pracht en praal, onmetelijke rijkdom. Wat een schitterende kapellen, gouden altaren, gouden trappen, onvergelijkbare sacristieën. Want zelfs de ‘kleedkamers’ zijn musea op zich. Er speelt stemmige gregoriaansachtige muziek. Mijn camera blijft voortdurend in aanslag.

Dan zien we midden in een groot gouden altaar Sint Jacob, als Santiago Matamoros, de ‘morendoder’, gezeten op een wit paard. Het verhaal gaat dat hij in de veldslag tussen de christenen en de Moren bij Clavijo plotseling vanuit het niets - men zegt vanuit de hemel - ten tonele verscheen en de verloren situatie wist te redden door eigenhandig duizenden Moren naar een andere wereld te helpen. Santiago (Spaans voor Sint Jacob) als de redder van het christendom, daarom schutspatroon van Spanje en daarom op een ereplaats in de kerken. Wat bloedvergieten niet allemaal kan opleveren…
Kortom, we beleven een onvergetelijk intens uur - of nog langer? Ook de geschiedenis van de kerk wordt in de bijgebouwen belicht met bijzonder fraaie maquettes. De entree bedraagt vijf gulden. Pelgrims mogen voor de helft van de prijs naar binnen. Pelgrims hebben veel voordelen in dit land. Ook de camping kost maar 3,50 per persoon omdat we pelgrims zijn.
Later zitten we op een terras op het plein voor de kathedraal. Met name aan de twee torens is te zien dat hier ook drie architecten uit Keulen hebben gewerkt. De spitsen zijn net als die van de Dom van Keulen ‘opengewerkt’.
Domenico Laffi, de Italiaanse pelgrim uit de 17e eeuw, schreef in zijn dagboek: “Burgos is waarlijk een schitterende stad, groot en de hoofdstad van Castilië, waar ooit de koning zijn hofhouding had. De stad ligt in een ruime vlakte, paradijselijk doorsneden door een rivier.” Meer dan driehonderd jaar later zijn wij het nog steeds met hem eens. Hier een rustdag houden is een gouden greep. Ook de stad buiten die onvergelijkelijk kathedraal is in alle opzichten de moeite waard. Daar gaan we op onze (welverdiende) rustdag van genieten.

Van hieruit is het nog iets meer dan vijfhonderd kilometer naar Santiago. Het einde van onze tocht is in zicht. Pelgrimswegen en je eigen levensweg zijn vergelijkbaar. Stilaan begint de tijd te komen dat deze pelgrimage tot opbrengsten komt, dat het iets met je doet, dat je een helder zicht krijgt op je eigen levensweg en de manier waarop je met je leven - en dat van anderen - omgaat. Gesprekken met Frans over dit thema zijn af en toe heel verhelderend. Therapeutisch bijna. Ik word mezelf bewust van het feit dat ik vaak nadrukkelijk, té nadrukkelijk en te sturend aanwezig ben. Ik ben, niet alleen beroepsmatig, maar ook in het leven daarbuiten, een typisch ‘planningsmanneke’. Wat ik voor ogen heb, gepland heb, moet koste wat koste nagestreefd en gerealiseerd worden. Dat is niet altijd even prettig voor mensen met wie ik samenwerk. In de beoordeling van situaties sla ik soms stappen over, waardoor mijn visie wel eens bot en negatief kan overkomen. Dat wordt me stukje bij beetje duidelijk. Dit zijn belangrijke leermomenten van pelgrimage: je los maken en van op afstand kijken naar je functioneren als mens. Dit was vooraf dan ook een van mijn doelstellingen van deze reis. We zijn in allerlei opzichten goed op weg.

Nog twee foto's




We proberen nogmaals de twee foto's door te sturen.
Wellicht was de rauter gisteravond overbezet.
Daar gaat ie dan.


woensdag 24 juni 2009

We zijn in Burgos!

Achtentwintigste dag
Woensdag 24 juni
Santo Domingo de la Calzada - Burgos, 84 km

Vanmiddag even na twee uur zijn we na een lange, maar fantastische rit aangekomen in de stad Burgos. Leuke camping gevonden en voor de rest veel werk. Was doen, fietsen in orde maken, boodschappen doen... kortom, geen tijd om een lang bericht te schrijven. Dat komt morgen!
We hebben een eerste kort bezoek aan 'de stad' gebracht, met name de kathedraal. In één woord: geweldig. Als je dat ziet, 'da vilt dich nieks mieë i!" Morgen meer daarover.
Voor vandaag laten we het even hierbij.
We hebben trouwens wel de reacties gelezen. Wat een meeleven, meefietsen, meelachen... voor dat laatste twee nieuwe foto's die we vanmiddag in de stad maakten met een nogal stijve pelgrim...
Groetjes uit een zomers Burgos.
Tot morgen

Sorry, de verbinding blijkt niet toereikend om de beloofde foto's mee te sturen.
Wat in het vat zit, verzuurt niet. Beloofd is beloofd!

dinsdag 23 juni 2009

Van de kip en de haan

Zevenentwintigste dag
Dinsdag 23 juni 2009
Logroño – Santo Domingo de Cálzada, 61 km

Het is nog half donker als de pieptoontjes van Frans’ mobiel de volgende fietsdag aankondigen. Hoe verder we westwaarts trekken - Ultreia! - des te later zal de nieuwe dag geboren worden. Nu beginnen de vogels om kwart voor zes met hun concert, straks in Burgos zal dat later zijn, in León nóg later, laat staan straks in Arzua, van waaruit we op 4 juli zullen vertrekken voor de slotdag van onze pelgrimage.


Gisteravond waren we weer uit gaan eten. Pelgrimsmenu. De flessen wijn en water worden het eerst op tafel gezet, waarna drie gangen volgen. Uiterst smakelijk, en dat voor 9 euro. In het restaurantje in het centrum van Logroño bezetten we het tafeltje naast het jonge Italiaanse paar dat we gisteren onderweg een paar keer gezien hadden. Wat heet toeval? Op de camping hadden we als buren het Noord-Hollandse echtpaar, dat we in Puenta la Reina hadden leren kennen.


De nacht was donker en stil, de slaap navenant verkwikkend. Alleen verrekte ik bij het opstaan voor een nachtelijke sanitaire stop een spier in mijn heup; daar kan ik dagen last van hebben, vooral bij trappen lopen en staand klimmen. Maar de engelen zijn met ons - dat merk je aan alles - en Sint Jacob rolt de loper uit. Dus…

Het lukt ons weer vóór acht uur te vertrekken. Het smalle poortje kost nogal wat hoofdbrekens. De onsypathieke campingbaas is niet bereid de grote poort te openen vóór half negen. Je mag niet zelf bepalen wanneer je binnenkomt en weggaat. Het lijkt wel een gevangenis; de rechter bepaalt. Ordnung muss sein. Bovendien is het er droog en duur. Dik 16 euro moesten we gisteren neertellen voor een piepklein plekje tussen vier heggen. We zijn blij hier te kunnen vertrekken.

Het uitrijden van Logroño in het spitsuur is een moeizame onderneming. Op zoek naar een spoorweg die dermate verdekt is, dat ie ons niet opvalt rijden we veel te ver door en belanden via een stuk autobaan op een golfterrein… waar de route uit het boekje wel doorheen blijkt te lopen. Verder dus geen probleem, zij het dat we af en toen het genot mogen smaken ons een weg te moeten banen over de kiezelpaden van de voetpelgrims. Geen pretje. Het landschap is in het begin ook nog eens saai.



Na Navarrete worden we een omweg opgestuurd via Sotés, een vervelend kilometerslang vals plat, besloten met een klim van 10 tot 12 procent. Er moet weer veel geklommen worden vandaag. Vooral de weg vanuit San Millán naar Villa de Torre, dat op een hoogte ligt van ruim 750 meter. De beloning bestaat vervolgens uit een kilometerslange, rechte afdaling naar het geplande eindpunt van vandaag.



Rond half twee, nog net voor de grootste hitte als een verstikkende sprei over de velden en de dorpen van Navarra valt, rijden we Santo Domingo de la Calzada binnen via de Calle Mayor, de smalle hoofdstraat met middeleeuwse gevels. Met een beetje fantasie zie je ze hier in de middeleeuwen langs lopen, de santiagopelgrims van die dagen, haveloos of niet haveloos, de schelp van Sint Jacob als embleem op hun wijde mantels, staf in de hand. Heenweg of terugweg, als ze hier arriveerden hadden ze nog maanden lopen voor de boeg. Ik denk aan hun vroomheid, hun liederen, hun stappen, hun stemmen… en aan die groep jonge Canadezen in Puenta la Reina, die deze oude, verbleekte, stoffige beelden weer tot een nieuw en kleurig leven trachten te wekken door het maken van een videodocumentaire.

Omdat er geen camping is, besluiten we de eerste de beste albergue te nemen, ‘de la Abadia Cisterciense’, gevestigd in een eeuwenoude aanbouw achter de apsis van de abdijkerk van deze zusterorde. Lang geleden, vlak nadat de middeleeuwer Dominico, die in de naam van de plaats geëerd wordt, hier zijn bijzondere werken voor de pelgrims verrichtte waarmee hij de eeuwige heiligheid verwierf, werd hier alles opgetrokken uit de ronde keien die in grote getale te vinden zijn in de ’s zomers droogliggende bedding van de Rio Oja (uitgesproken als ’Ocha’). Vooral op de binnenplaats van de albergue is dat goed te zien. Alleen de schotelantenne op het oude pannendak is niet uit die tijd… maar dat mag geen verrassende constatering heten. Het interieur is rustiek, met muren van keien en houten balken. De vloeren zijn scheef, de sanitaire omstandigheden bepaald niet aagepast aan de eisen van onze tijd. Maar toch.., dit heeft wat, dit moet je meegemaakt hebben.

‘s Middags maken we een wandeling door het stadje en zien op meerdere plaatsen een pelgrimsmenu aangeboden voor 9 euro. Inclusief brood, water en een fles wijn. Laten we eerlijk zijn, daar kun je zelf niet voor koken. De inkopen alleen al zouden duurder zijn. Het wordt dus weer Spaans lekker vanavond.
We maken ook even een foto van onszelf als Sint Jacob... waarbij we echter slordig het regiefoutje over het hoofd zien dat onze zonnebrillen de historische betrouwbaarheid beklagenswaardig geweld aandoet.

De kathedraal, open na vijf uur - ook de Almachtige Vader houdt hier kennelijk zijn siësta - heeft iets heel bijzonders. Boven op een soort schoorsteenmantel tegen een van de binnenmuren staat, bekroond met een halve boog met rozetten en gotische pinakels, een vergulde en bewerkte kooi, en in het zachte, gelige licht achter de tralies zitten ze, een heilige kip en een dito haan, twee prachtige exemplaren in het mooiste kippenhok ter wereld. Als de haan kraait tijdens je aanwezigheid, zou dat een zeer goed teken zijn. Bijgeloof? Vanwaar deze kerkelijke animaliteit? Wel, ze steunt op een oude legende. Ergens in de middeleeuwen gaan een ouderpaar met hun zestienjarige zoon op pelgrimage naar Santiago. Ze overnachten in een herberg. De dochter van de waard wordt op slag verliefd op de kennelijk goed uitziende jongeman. Maar die gaat niet op haar avances in. Uit wraak verstopt het meisje een zilveren schaal in de bagage van de jongen en alarmeert kort na zijn vertrek de politie. De diefstal lijkt bewezen en er wordt door de plaatselijke rechter snelrecht gesproken. De strop. Als de ouders na de terechtstelling diepbedroefd naar de galg gaan, ontdekken ze dat de jongen nog leeft. Een wonder! Ze gaan naar de rechter, die net aan een goed gedekte dis zit.
“Wat?!”, reageert hij op het verhaal van de vader, “niet dood?! Man, je jongen is net zo dood als… die kip hier op mijn bord!”
Waarop de vette, blote, gebakken kip terstond wonderbaarlijk in één seconde van een witte vedertooi voorzien wordt en tokkend van het bord vlucht. Vanaf die tijd bevolken haar nakomelingen alsmede de haan (anders zouden er geen nakomelingen zijn) deze letterlijke ‘gouden kooi’ in de kathedraal.

Ziehier een van de vele legendes rond de Camino. Ze worden gecultiveerd, mede tot meerdere eer en glorie van de plaatselijke middenstand, zou zien we vanmiddag her en der. Zelfs in het stadswapen staan een kip en een haan.



Op minstens drie plaatsen in de stad is er internetmogelijkheid. Dus vandaag zal het ook weer lukken. We verheugen ons alvast op jullie reacties.

maandag 22 juni 2009

Foto´s die jullie nog te goed hebben.... hier zijn ze dan!

Hier in Logrono hebben ze eindelijk (inde stad) een goede internetverbinding. Dus nu twee berichten én een paar foto´s extra tegelijk.


Het prachtige 12e eeuwse kerkje van Sint Blasius














Op weg naar St. Jean Pied de Port liep een enthousiaste hond een eindje mee...














Een prachtige plek voor de lunchpauze in de Franse Pyreneeën














Bij Arneguy is de Spaanse grens bereikt. De echte klim kan beginnen....







Op de top van de Ibaneta duikt May na 16 kilometer klimmen uit de mist op. En blij..!!

















NIET VERGETEN: Hierna volgen nog twee berichten, die van zondag en maandag.
Succes bij het lezen.
Groetjes uit een bloedheet Logrono.

Puur genieten in Navarra


Zesentwintigste dag
Maandag 22 juni 2009
Puente la Reina – Logroño, 74 km

Tegen zessen word ik wakker van een aanrollende windgolf en het sterke geruis van bomen. Wij liggen beschut achter een huis en een hoge muur. Verder hoor ik een monotoon gebrom van… wespen? Bijen? Een wolk sprinkhanen? Onze voorganger pelgrim Domenico Laffi maakte dat rond 1670 mee en beschreef dit op uiterst realistische wijze in zijn dagboek; maar daar kom ik later op terug als we op de meseta, de boomloze Spaanse hoogvlakte, zijn. Frans lost het probleem op als hij van het wassen terugkomt:
“Heb je die hommels gezien?” Een boom naast onze tent zit vol met die gonzende insecten; het is dus even hommeles boven onze hoofden. Maar zeker niet wat het weer betreft. De lucht straalt ons strak blauw toe. Het is fris. Af en toe even zo’n langgerekte windvlaag die je van tevoren hoort aankomen en dan weer niets. Wat is Aeolus en zijn kornuiten vandaag met ons van plan? Van Pluvius lijken we voorlopig weinig te duchten te hebben - misschien een paar dagen vakantieverlof aan de Costa del Sol..?
De albergue stroom leeg, vanaf vijf uur al. Wandelaars komen op gang en lopen gepakt en gezakt de Calle Mayor in. Rugzakken, schelpen, stokken en goede moed. De fietsers - het zijn er maar een paar - nemen rustig de tijd. Het is nu kwart voor zeven. Over een kwartier gaat de panaderia open en kunnen we brood halen voor het ontbijt. Terwijl ik nog mijn spullen opruim gaat Frans dat doen. Hij keert terug met een lekker bruinbrood en een zakje witbroodjes, die we eten aan een tafel in de bijna lege albergue.

Dan zien we opa klaarstaan om te vertrekken. Opa? Inderdaad, een klein manneke met witgrijze stoppelbaard uit Saarbrücken, 85 jaar! We ontmoetten hem voor het eerst in St.-Jean-Pied-de-Port. Hij zat bij ons aan tafel in de albergue en praatte honderduit. En gisteravond, toen we zaten te genieten van onze pelgrimsmaaltijd - Menu Peregrinos: een hele terrine bijzonder smakelijke knoflooksoep, ik een biefstuk met frites, Frans grgrild varkensvlees, een toetje na en de wijn (een hele fles!) gratis; en dat voor 8,90... - kwam opa weer aanlopen. Ook hij had het klaargespeeld om in twee dagen hier te komen. Hij was ‘s middags weliswaar verzeild geraakt op de voetpelgrimsroute, een grindpad helemaal over de hoogste top van de Sierra del Perdon, waarbij hij uiteraard had moeten ‘schieben’, en naar beneden ook, maar toch had hij het weer klaargespeeld. Hij herstelt snel, die krasse tachtiger. Opa vertrekt eerder. Wij zijn om kwart over acht zover. De eerste vijf kilometer bestaan uit een geweldige klim naar grote hoogte waarbij we opa inlopen. Frans rijdt op de hem bekende wijze vooruit en ik blijf een tijdje bij hem rijden. Tijdens de klim heeft hij lucht genoeg over om een relaxed praatje te maken. Maar ons tempo ligt hoger en we rijden door. We halen ook een jong Italiaans stel in. En overal zien we weer voetpelgrims op de weg of op de paden ernaast. “Bon Camino!” “Bon Camino!”

Het is een behoorlijk klimrijke dag in heerlijke omstandigheden. Om tien uur is het 16 graden en nauwelijks wind. En dan dat landschap… Navarra…. Hoge heuvels met aan de voet uitgestrekte korenvelden, geel van rijpheid. Her en der beginnen de combines hun werk te doen. Geweldige vergezichten. Daarbij gaat het klimmen bijna vanzelfsprekend. Puur genieten.
In Irache, een klooster met wijnbottelarij, waar een bord ‘Fuente de vino’ ons heen wijst, tappen we echte Riojawijn uit een kraan in de muur. Een bodempje bidon voor straks op de camping.
Daarna verrijden we ons en beklimmen de puntige berg met op de flank het schilderachtige dorp Villamayor de Monjardin. We komen er pas achter dat we verkeerd zitten als we bijna boven zijn. Op een bankje op het dorpsplein drinken we een koel drankje uit de automaat van de plaatselijke Alberge Parroquial, terwijl de voetpelgrims voorbij komen en hun bewondering uitspreken over het feit dat we hier naar boven gefietst zijn. We krijgen bij de albergue een stempel, een ongeplande ‘sello’, die ons altijd zal blijven herinneren aan deze mooie routefout.

In Los Arcos maken we rond het middaguur een pauze bij een restaurant. We eten er een bijzonder makelijke portie spaghetti voor 5 euro met een glas koele melk. Het wordt warm. De laatste dertig kilometer gaan voor een groot deel door een onherbergzaam heuvellandschap met lange klimmen en afdalingen, waarbij de wegen regelmatig gekruist worden door de paden van de voetpelgrims. “Bon Camino!” “Ultreia!” Vol goede moed steeds verder westwaarts.

Logroño, de meest oostelijke stad van het voormalige koninkrijk Castilië, ligt in het brede dal van de Ebro. De aankomst op de camping om half drie is een ontnuchtering. De baas komt naar buiten. De camping is gesloten tot vier uur. Tot dan moeten we buiten wachten. Op enige afstand is een grote overdekte uitspanning onder de bomen. Daar laten we ons neer, drinken een 0,3 pils - voor 1,50... - en beginnen alvast aan de tekst voor de blog. In de stad schijnt een internetcafé te zijn. De campingbaas zal na vier uur pas vertellen waar dat te vinden is. Best consequent, nietwaar.
De rest van de dag en de avond zullen we wel zien. Uiteraard even naar de stad, terwijl in Nieuwenhagen ‘mijn’ koor repeteert… ik ken helaas geen Spaans lied op ons repertoire. Maar ‘Jesús, je voudrais te chanter sur la route’ volstaat vandaag zeker. Want… Jezus, wat was het mooi vandaag!