maandag 22 juni 2009

Halve rustdag bij de brug van de koningin (2)

Vijfentwintigste dag
Zondag 21 juni 2009
Oricain / Pamplona – Puenta la Reina, 46 km

De koude bergwind heeft de hele nacht aan onze tent gerukt n gesjord. Hij blaast in golven die je hoort aankomen. Puik werk van Boreas, de ‘regiomanager Noordenwind’ uit het team van Aeolus. Als we opstaan - niet te vroeg, we hebben een halve rustdag - blijkt de tent kurkdroog. Maar het is koud. Bij ons vertrek om half negen trekken we de jasjes aan, dicht tot boven toe. In Pamplona toont de kolom bij een tankstation dat het 12 graden is.
Het is een hele hijs om de weg door deze uitgestrekte stad te vinden. We nemen niet de tijd om een kijkje te nemen in het oudste deel. Na enig vragen links en rechts - wat praten die Spanjaarden toch snel… - vinden we de weg naar Cizur Menor. Hier praten we een tijdje met een Hollandse jongen die aan de wandel is (naar Compostela wel te verstaan) met een Canadees meisje.
Daarna gaat het verder zuidwaarts. Klimmen, klimmen naar de laagste pas van de Sierra del Perdon op ongeveer 650 meter. Jasje weer uit. Lange stijgende wegen door onmetelijke gele graanvelden. Met de soms stormachtige wind in de rug. Met dank aan ‘boven’. Even afstappen betekent genadeloos afkoelen. On-Spaans weer, je verwacht hier normaal een verzengende hitte. Maar voor het achterom kijken naar en fotograferen van de uitgestrekte stad Pamplona in een kom van bergen is een beetje rillen best de moeite waard.
Na Campana - wat een mooie namen allemaal… de Camino is als een rijgketting van woordjuwelen, dorpen, stadjes, passen, vlaktes, stromen die er al eeuwen zijn, elke naam is ooit eens door iemand bedacht en versteend tot een begrip… nooit ben je ergens niet in een naam; wij zijn voortdurend in woorden. En niet alleen in woorden, ook in geschiedenis. Die van nu en die van toen. Dit las ik in het boek van Cees Nooteboom. Mooi hè? Maar verder nu: Na Campana gaat het verder westwaarts, waarbij we die wind van opzij krijgen. Boreas doet er werkelijk alles aan om ons van de fiets te blazen, maar we blijven op onze hoede. Ok deze bergwind heeft een naam, maar ik ken hem niet. Het is geen mistral, geen tramontane en geen bora -zou die genoemd zijn naar Boreas? Hoe dan ook, het wordt in elk geval werken op onze halve rustdag.

Na 40 kilometer bereiken we een van de hoogtepunten van de Camino, Eremita de Eunate, een 12e -eeuwse Mariakapel, zomaar eenzaam gelegen tussen de graanvelden. Een achthoekig romaans kerkgebouwtje, omringd door een arcade van 35 bogen, perfect passend in de natuurlijke kleuren van het landschap. Een ingetogen schoonheid. Rust, eenvoud, sfeer, zeggingskracht. Binnen is het intens stil en donker. Het zonlicht wordt gefilterd door een paar kleine albasten vensters. Er speelt zachte fluitmuziek… new age-achtig, in deze old age-omgeving. Desondanks word je gevangen en blijf je biddend zitten. Achter een altaar staat een zittend beeld van Maria van Eunate, dat we later ook weer zullen terugzien in Puente la Reina. Als ik er zit slaat het klokje het middaguur.
Buiten staat een tafeltje met een versleten ordner. Als je die opent zie je een stempel met kussen om zelf je ‘sello’ in je credencial te plaatsen. Een fijne plek om geweest te zijn, ook al kostte het een klim over de Sierra del Perdon - we hadden trouwens ook via de vlakkere hoofdweg kunnen rijden, zeker op zondag. Maar het klimmen gaat ons steeds beter af. Zonder grote problemen.

Een half uur later rijden we Puenta la Reina binnen, het geplande eindpunt voor vandaag. Het stadje is genoemd naar de beroemde stenen boogbrug over de Rio Arga, 900 jaar geleden voor de pelgrims gebouwd in opdracht van Doña Mayor, de echtgenote van de legendarische koning Sancho de Sterke. Meteen als we van de grote weg links een straat in draaien zien we de Albergue de Peregrinos Padres Reparadores, met een gevel van boogjes, arcades. Hier vragen we de weg naar de camping Apostel. We krijgen te horen dat deze albergue achterom ook een weitjes heeft voor tenten. Voor vijf euro per persoon kunnen we gebruik maken van alle faciliteiten die de albergue te bieden heeft: water, toiletten, douches en de keuken. Meteen doen dus. Zo komen we - aan wie zou dat weer te danken zijn? - terecht op een windvrij plekje in plaats van de beoogde camping op de heuvel, waar we opnieuw een speelbal zouden zijn geweest van de inspanningen van Boreas.
Aan de eettafel treffen we allerlei nationaliteiten. Fransen, Duitsers, Canadezen - die met twee witgetoogde jonge paters bezig zijn met het maken van een documentaire - en een groep Koreanen. De pelgrims komen overal vandaan.

Het stadje is ‘s middags vrij leeg. Bijna alles is cerrado, gesloten tot vijf uur. We lopen over de oude brug, waar we aan het einde het steile grindpad zien dat we ongetwijfeld hadden moeten oplopen als we naar camping Apostel hadden gewild. Gelukkig beschikte ‘het lot’ (of de engelen…) anders.
Ook bezoeken we beide kerken. De eerste ligt tegenover de albergue, de sobere romaanse kerk El Crucifijo, door een ronde poort dwars over de straat verbonden met het convent van de pater Reparadores.
Een eind verder lopen we de Jacobskerk binnen. Een prachtig Jacobsbeeld. Maar we zijn met stomheid geslagen door de overweldigende versiering met bladgoud. Vijf gouden altaren rijzen hemelwaarts, het hoofdaltaar tot aan de gewelven! Een en al schittering. Kunst of kitsch? We kunnen ons niet voorstellen dat mensen zoiets mooi kunnen vinden…
Ook zien we de eerste ooievaarsnesten. Met jongen. Geweldig, boven op een torentje van de kerk. Een eindje verder is er ook een op een fabrieksschoorsteen, die daardoor waarschijnlijk lamgelegd is. Ooievaars mogen hier nesten waar ze willen…
We zijn van plan vanavond in een herberg in de calle Mayor een pelgrimsmaaltijd te gaan eten voor 8 euro 90. Als we geluk hebben gaat om vijf uur ook de almentaciones of kruidenier open, zodat we iets kunnen kopen voor morgenvroeg. Want schraalhans is meester in onze ontbijtdoos, tenminste wat brood betreft.

Hier in de albergue is internetmogelijkheid. Hoe een en ander straks gaat verlopen zullen we nog wel zien. Voorlopig leg ik de laatste hand aan dit verhaal op mijn laptopje, zittend in de schaduw van een boom. Best frisjes, fleece trui-rijp. In de zon ware me liever, maar dan zie ik niets op het scherm. Een mens moet voortdurend keuzes maken. Tot zover voorlopig de woorden van Matthias (niet de evangelist, want dat is Mattheus.
Groeten uit een koel en winderig Noord-Spanje.

zondag 21 juni 2009

Halve rustdag bij de brug van de koningin

We zijn vandaag aangekomen in Puenta la Reina, letterlijk de brug van de koningin. De weg van Oricain naar hier was maar 46 kilometer; we houden dus een halve rustdag.
Ik heb op mijn laptopje een uitgebreid bericht geschreven, maar dat kan ik met de internetmogelijkheden die hier aanwezig zijn niet doormailen. Er is geen aansluiting voor een stick (daar staat alles op) dus moet ik snel (ik heb maar 25 minuten...) iets fris van de lever intikken. Hurry, hurry.
Ook jammer dat er nu al drie dagen geen foto´s meer doorgestuurd kunnen worden. Wat dat betreft is Spanje ook niet alles.
Het gaat ons goed. We hebben vandaag weer een lekkere beklimming gemaakt over een pas van de Sierra del Perdon; geen centje pijn, het klimmen gaat steeds beter.
Onze tent staat op een grasveldje achter de albergue hier ter plaatse. Voor 5 euro de man kunnen we hier gebruik maken van alle faciliteiten: water, doeches, keuken. We hebben daarom geld over om vanavond in een ´herberg´ een pelgrimsmaaltijd te gaan eten voor 8 euro 90.

We hebben wel jullie reacties kunnen lezen. Heerlijk! Ga zo door. Ultreia!
Als er morgen of de dagen daarna betere mogelijkheden zijn, zullen we ook de resterende (leuke!) foto´s plaatsen. Hoop doet leven.

Groetjes uit een koel en winderig Spanje (Aeolus heeft zijn ´regiomanager Noordenwind, met name Boreas) opdracht gegeven om eens duchtig uit te pakken. En dat doet ie. Hopelijk wil hij de komende dagen wat meer uit het oosten gaan blazen.

Nogmaals groeten!

zaterdag 20 juni 2009

De Ibañeta bedwongen

Vierentwintigste dag
Zaterdag 20 juni 2009
St.-Jean-Piede-de-Port – Oricain bij Pamplona, 76 km

Wat had ik gisteravond de pé in dat ik geen bericht op de blog kon zetten. In tegenstelling tot een mededeling van iemand van de pelgrimsacceuil dat de zaak tot tien uur open was bleek men, toen ik er om tien voor negen aankwam, al om negen uur te sluiten. Een snelle poging om er toch nog iets op te zetten werd verhinderd door een scherm vol Koreaanse karakters, waarschijnlijk omdat het Koreaanse meisje, dat bij ons op de kamer sliep er eerder geweest was en verzuimd had de computer terug te zetten. Niemand van de aanwezigen wist vervolgens hoe je dat moest doen, inclusief ikzelf. Geen bericht dus deze keer. Daarom nu weer twee ineens.
We gingen om kwart over negen al slapen. De heel refugié was donker. Langer opblijven had dus weinig zin. Gelukkig hadden we geen snurker op de kamer, zodat een redelijke nachtrust gewaarborgd werd.
Om zes uur besluit ik op te staan en alvast mijn fiets te gaan pakken. Daarna schuif ik aan bij het ontbijt, terwijl Frans nog bezig is. Ik zie op tegen deze dag, die begint met een lange klim van 27 kilometer met een hoogteverschil van 900 meter. De laatste zestien zijn het steilst. Na weken heb ik weer last van mijn linkerknie omdat ik me gisteravond verstapt heb. Gelukkig zou dit in het verloop van de dag verdwijnen.

Om kwart voor acht gaan we op pad. Na een half uur vals plat en enkele korte klimmetjes hebben we de Spaanse grens bereikt in het plaatsje Arneguy, waar we een foto maken. Daar begin het klimmen pas echt, een paar keer afgewisseld door een afdaling in een beekdal. Tot mijn verrassing beschik ik over een redelijk soepele tred. Als Frans even stopt om een foto te maken, rij ik door omdat ik ‘er zo lekker in zit’. Gestaag fiets ik door. Frans is inmiddels uit het zicht verdwenen. Ik had me vooraf voorgenomen verschillende stops te maken, zodat Frans op de top naar schatting een uur voorsprong zou hebben. Maar verrassenderwijs maakte ik mijn eerste stop pas na 21 kilometer, zes onder de top. Even wat eten, goed drinken, een paar foto’s maken en weer op het zadel. Aeolus is er weer. Nadrukkelijk. Hij blaast behoorlijk in mijn rug. Pluvius houdt zich in, ondanks het feit dat de omringende toppen in wolken gehuld zijn. De laatste kilometers van de klim komen we zelf ook in die wolken terecht. Ofschoon het erg koud is - soms blaas ik zelfs ’ademwolken’ voor me uit, trek ik mijn jasje niet aan en rij in zomerse kledij naar de top. Daar staat Frans te wachten met zijn camera, maar ziet me pas op het laatste moment aankomen. Een bevrijding, zegevierend de hand omhoog. Hij is er pas een ruim kwartier. Voor mij een geweldige overwinning. Een prestatie. Trots! De Camino kan niet meer stuk. Als je deze ’joep’ zo omhoog rijdt, hoeft de rest ook geen probleem meer te zijn. ‘Als je er niet aan begint, zul je het ook nooit klaarspelen’ ontwikkelt zich als slagzin in mijn hoofd.
Op de top van de Ibañeta doemen ook grote grote groepen pelgrims te voet uit de mist op. Met hun stokken vormen ze een erehaag voor degenen die later boven komen.
Maar wat is het daarboven koud! Zelfs het jasje kan het rillen niet stoppen. Dat gebeurt pas na het drinken van een kop warme melk in een restaurantje op Roncevalles.
Roncevalles, een plek waarop ik mij al lang verheugd heb, gaat schuil achter een heuvelrug en een dicht bos, zodat je het vrij onverwacht voor je ziet liggen. Er ligt een groot klooster en daarnaast een laag gebouw, de kapel van de Heilige Geest, met ronde bogen waaronder een geplaveide omgang met een booggewelf. Vroeger waren hier veel antieke graftombes met de stoffelijke resten van koningen, hertogen, markiezen, graven, paladijnen en heren die hun leven lieten bij de befaamde wapenfeiten van eeuwen geleden. Die werden echter tweehonderd jaar geleden vernietigd. Overigens is deze kapel dicht, evenals het links ernaast gelegen kerkje, dat Charlemagne had laten bouwen nadat zijn geliefde paladijn Roland hier in de strijd gevallen was, nadat hij met zijn zwaard Durendal zo hard op een rots geslagen had dat deze spleet. In de crypte van het gesloten kerkje is deze spleet nog zichtbaar. Deze episode wordt ‘in geuren en kleuren’ bezongen in het bekende Middeleeuwse ‘Chanson de Roland’ of Roelandslied. Dit gaf deze plek internationale allure; een cultuur-historische halteplaats aan de Camino op weg naar Sint Jacob van Asturië.
Met onze jasjes goed dicht verlaten we het bitter koude Roncevalles. Verder omlaag, weer omhoog, opnieuw omlaag en weer pittig omhoog. Op de top van de Alto Erro, op 801 meter hoogte, maken we onze lunchstop, waarbij ook meerdere pelgrims per fiets en te voet voorbij komen en we een tijdje praten met een echtpaar uit Susteren.
Uiteindelijk, als we het dal van de Arga naderen, en de wolken minder worden, krijgen we het warmer. Aeolus blaast ons met grote kracht verder het Spaanse land in. Alle dank. De laatste kilometers naar Pamplona gaan in hoog tempo.
Het vinden van de camping vormt aanvankelijk een probleem. In het drukke verkeer vinden we geen wegwijzer en zijn overgeleverd aan het in het Spaans de weg vragen. Uiteindelijk blijkt dit zelfs ook nog te lukken.

Camping Ezceba, zo’n tien kilometer te noordwesten van de stad, die we om half drie bereiken, is een typische Spaanse kampeerplaats: druk, veel en hard praten, het liefst door elkaar zonder te luisteren wat anderen te melden hebben. De Reception is onbezet; de waard van het restaurant deelt ons mede dat we maar een plaats moeten gaan zoeken en ons straks melden als er iemand is. Er blijkt zelfs wifi te zijn. Hoera.
Morgen gaat het verder richting Puenta la Reina, de brug van de koningin. Cees Nooteboom schreef hierover het volgende: “De weg is nog bochtig, het berglandschap groen. Als ik de uitlopers van de Pyreneeën verlaten heb, zal het land zich wijd openspreiden, laag zijn, golvend en leeg. IJzeren wolken hangen er boven de roestige velden van Navarra. Verkeer is er nauwelijks, toeristen zoeken dit niet, de streek is niet dichtbevolkt. Oud, oud, is het gevoel dat aan alles hangt, tijd zonder tijd, lege achterkamers van de geschiedenis. Fortachtige kerken met ooievaarsnesten tegen een verre glooiing. Verder niets. Ik voel mij een pelgrim naar nergens. Hetzelfde, hetzelfde, hetzelfde, en het werkt als een Tibetaanse gebedsmolen, hetzelfde, hetzelfde, hetzelfde…” We zullen het morgen en de volgende dagen met eigen ogen mogen aanschouwen.

*** Jammer genoeg hebben we hier te maken met een ontzettend trage internetverbinding. Geen foto's mogelijk. We kunnen al blij zijn als dit bericht geplaatst kan worden...
Groetjes uit een koud en winderig Pamplona te midden van verschrikkelijk drukke Spanjaarden... o, sorry, Basken.

Aan de poort van de Camino

Drieëntwintigste dag
Vrijdag 19 juni 2009
Oloron-Ste.-Marie – St.-Jean-Pied-de-Port, 74 km

Het is om half zeven mistig en druilerig, Typisch Pyreneeënweer, zoals we ons overigens gewenst hebben; ‘ze’ werken echt mee daarboven. Volgens de weersverwachting wordt het de komende dagen niet warmer dan een graadje of 21 tot 23. As dat effe zou kunnen uitkomen!
Opruimen en ontbijten gebeurt overdekt. Wat een luxe.
We vertrekken in lichte motregen. De wegen zijn ontstellend slecht, naar Frans recept duizendmaal ‘geflikt’. Bovendien moeten we stukken loeidrukke Route National rijden. Toeterende vrachtwagencombinaties met regengordijnen achter zich aan passeren ons met een onprettige zuigkracht. De regen is toegenomen. Door de bril is nauwelijks meer te kijken. Zo snel mogelijk nemen we een rustiger weg, weg van de snelweg.
Zo belanden we in L’Hospital-St.-Blaise, een plekje met een unieke 12e-eeuws kerkje waar de heilige Blasius vereerd wordt. We maken gebruik van een elektronische ‘rondleiding’: terwijl je luistert naar een (Nederlandse!) tekst uit een soort telefoonhoorn worden de bedoelde delen van het gebouw verlicht. Bijzonder de moeite waard. De tekst wordt afgesloten met de mededeling dat iedere gift ten goede komt aan de instandhouding van het gebouw. Na een stempel in onze credencial nemen we in het tegenovergelegen restaurant nog een chocolât chaude. Die past echt bij het weer van vandaag.

We hebben vandaag voor het eerst te maken met een echte Pyreneeëncol, de Osquich. Een zware klim van meer dan vijf kilometer met een gemiddeld stijgingspercentage van 8 procent. Al na vijfhonderd meter maak ik een eerste stop en een paar foto’s. Een actie die ik tijdens de klim nog twee keer zal herhalen. Frans is van meet af aan al in geen velden of wegen meer te bekennen. Ik trek mijn regenjasje uit omdat er af en toe nog maar een druppeltje valt. De prachtige (!!) vergezichten zijn heiig, wolken hangen rondom de Pyreneeëntoppen. Je kunt nu eenmaal niet alles hebben; een (door de weergoden) gegeven paard mag je niet ondankbaar in de bek zien.
Op de top staat Frans geduldig te wachten. Hij applaudisseert als ik de punten voor de bergtrui incasseer. Mijn achterstand in het algemeen klassement wordt met 25 minuten vergroot. Ik zal de eeuwige tweede blijven…
Aan de voet van de col maken we na een voorzichtige afdaling over de natte en bochtige weg onze lunchpauze op een muurtje met een geweldig panorama achter ons. Nog ruim twintig kilometer… je zou bijna denken dat je er al bent. Gelukkig heb je geen weet van het enorme aantal korte en langere klimmen die daarna nog volgen. Deze 23e dag wordt een hele zware. Ook omdat het weer harder begint te regenen. Pluvius kan het niet laten.

Onderweg zien we voor ons een uitgebroken merrie met een veulen langs een drukke weg. Behoorlijk in paniek. Ze luistert naar het rustige praten van Frans en gaat opzij. Anders was het met een aanhankelijke hond, die kilometers met ons meeloopt, soms enthousiast voor de wielen. Enorm oppassen geblazen, voortdurend handen aan de remmen. Als een andere hond in beeld komt, haakt hij (of zij..?) af. Rust weergekeerd.
Rond vier uur bereiken we onze eindbestemming. Een grensplaats gelegen aan de voet van een hoge heuvel met een citadel - je waant je even in Montmédy - waarin vroeger een sterk garnizoen gelegerd was. Het plaatsnaambord vermeldt niet alleen Saint-Jean-Pied-de-Port maar ook de Baskische naam voor de stad: Donobane Garazi. Dit gebied, de Béarne of het Baskenland, is tweetalig. Net bijvoorbeeld als Friesland en de laaatste jaren ook Limburg, worden plaatsnaamborden voorzien van een equivalent in eigen ‘taal’.
We besluiten de pelgrimsrefugio te nemen om morgenvroeg tijdig op pad te kunnen. Op aanwijzing van een bord Acceuil des Pélérins rijden we door een oude stadspoort het oude centrum binnen. Nou ja, rijdend…, het wordt lopend de fiets omhoog duwen over de klinkertjes van het steile straatje. Na wat vragen links en rechts komen we terecht in de Acceuil des pélérins, waar alle pelgrims zich melden voor een plaats voor de nacht. De meesten beginnen hier hun tocht. We krijgen in de gemeentelijke ’Refugio’, vlakbij de hoogstgelegen Porte Saint-Jacques bij de citadel, een stapelbed toegewezen in een kamer met zes bedden, die verder bezet worden door een jonge Koreaanse, een Zuid-Afrikaanse en een klein Italiaans vrouwke uit Modena. Het zesde bed wordt beslapen door een Duitse jongeman. Nu maar afwachten wie er gaat zorgen voor het nachtelijk geronk… wie van de zes? Misschien een nieuwe spelhint voor John de Mol..?
Na een heerlijke douche neem ik voor het schrijven van het blogbericht plaats in de kantine die wordt beheerd door een hard, snel en met rauwe stem veel pratend pienter oudje. Lokaal beroemd als ‘la Maman des pèlerins’ zoals een krantenartikel op het prikbord kopt. Ze heeft meteen in de gaten ‘wie wie’ is, welk vlees ze in de kuip heeft. Ze maakt een fikse kom thee voor ons met twee zoete plakjes cake. De hele tijd blijft ze nadrukkelijk aanwezig. Soms denk je dat ze enorm staat te schelden, maar het blijkt gewoon haar manier praten.
Deze bijdrage voor de blog kunnen we straks op internet zetten in het Acceuil des pélérins. Eerst gaan we boodschappen doen die we kunnen opwarmen in de magnetron van de refugié.
En morgen rijden - of kreunen - we Spanje binnen; de grens passeren we tijdens de klim naar Roncevalles. Dan gaat de Camino pas echt beginnen.
We kunnen jullie steun hard gebruiken.

Helaas is de verbinding ontoereikend om foto's mee te sturen.... jammer, maar beter íets dan niets.

donderdag 18 juni 2009

De eerste Pyreneeënrit

Tweeëntwintigste dag
Donderdag 18 juni 2009
Lourdes – Oloron-Ste.-Marie, 69 km








Het was aangenaam gisteravond in het Sanctiarium te mogen vertoeven. De rust, de devotie, de gelovige massa… we wasten ons met Lourdeswater, liepen door ‘de grot’ en raakten evenals de miljoenen voor ons de wanden aan, glad gepolijst door louter mensenhanden, staken een kaars op voor iedereen die ons dat gevraagd had en al de anderen die we in gedachten hadden, brachten bijna een half uur door in de Chapelle d’Adoration om in die onwaarschijnlijke stilte te bidden en te mediteren, waren getuige van de kaarsjesprocessie en zongen alle liederen mee die we kenden; kortom, een devote en ingetogen, warme zomeravond. De enige smet was het feit dat we geen stempel hadden kunnen krijgen. Dat zou morgenvroeg alsnog moeten gebeuren. We kwamen wat later dan gewoonlijk in bed.















Tijdens mijn sanitaire stop vannacht om twee uur weerlichtte het in de verte. Twee uur later was het prijs in Lourdes en omstreken. De hele firma weergoden had er kennelijk schik in. Wodan en de zijnen waren zo te horen bezig met een partijtje kegelen; donderend en bolderend kaatsten de zware ballen tussen de bergtoppen. Jupiter zorgde op de voor hem flitsende manier voor de verlichting, Aeolus voor de windvlagen en Pluvius uiteraard voor het natte deel. Een perfecte, uitstekend geënsceneerde show. Over water niet te klagen. De harde grond kon het onvoldoende opzuigen waardoor het onder onze tent kroop en plaatselijk door het grondzeil drong. Luchtmatras (van mij) en schuimmatras (van Frans) aan de onderkant nat, evenals een rand van de slaapzakken. De tent voelt ‘s ochtends als een vaatdoek. Het is mistig. Drogen is uitgesloten.
Het opruimen en inpakken neemt meer tijd in beslag dan gewoonlijk. Tussendoor loop ik even naar de kerk voor een stempel, die na veel zoeken door een hoogbejaarde koster een passende plaats krijgt in onze credencials. Verschillende mensen komen even langs voor een praatje. Zo schiet het niet op. Met Sees is dat wat anders. Deze lange Hollander, te voet onderweg met een bagagekarretje, hadden we gisteren bij de grot al een gevoelig moment. We wisselen onze blogs uit.
Het duurt tot na 9 uur voor we vertrekklaar zijn. Alvorens richting Pau te rijden moeten we eerst nog een eindje terug richting Tarbes, waar we gisteren vandaan kwamen, voor nieuwe gastankjes. De bodem is in zicht.

Zo zijn we om kwart voor tien pas echt op weg voor de etappe van vandaag. Voor ons beiden een feest van herkenning. Zowel Frans (met Gerry vorig jaar, zónder caravan) als ik (elf jaar geleden op de fiets met John) waren hier al eerder, maar dan in tegenovergestelde richting vanuit Lovi-Juzon. We passeren het terrasje in St.-Pé, het dramatische oorlogsmonument op de markt van Bruges.
In Asson, te bereiken via een supersteil smal klimmetje (waar ik afstap om wat ongeduldige auto’s langs te laten en daarna niet meer op mijn fiets kom…) maken we een eerste stop. We worden door de caféhoudster gevraagd onze namen met potlood in de binnenkant van jakobsschelpen te schrijven. Er staat al een hele bloemlezing van passanten in. Leuk idee.
Dit is onze eerste echte Pyreneeënrit. Zoeken de profwielrenners de hoogste hellingen op, wij proberen ze juist te vermijden. En het blijkt me andermaal weer gelukt een route uit te stippelen met een absoluut minimum aan klimmen.
In Lovi-Juzon, waar de Tour bijna jaarlijks passeert op weg naar de ‘reuzenjoepen’ Aubisque en Portalet, gebruiken we onze lunch op een muurtje aan de snelstromende Gave de Ossau. Frans is inmiddels tot de ontdekking gekomen dat hij zijn bidons in Lourdes heeft laten staan - Lourdes, je neem er veel van mee, maar laat er ook vaak het nodige achter. Ik loop de Mairie binnen om mijn twee bidons helemaal opnieuw te vullen. Een gaat er op de fiets van Frans.
Intussen wil de mist maar niet optrekken. De toppen van de bergen zijn in egaal grijs gehuld. Typisch Pyreneeënweer. Voor ons een bijzonder prettige bijkomstigheid. Je kunt immers beter in de mist rijden dan in een verschroeiende zon. Dit weer mag voor ons zo blijven. We willen de mensen gewoon niet geloven die ons morgen ‘beter weer’ in het vooruitzicht stellen. Alsjeblieft niet.
Om kwart over twee al bereiken we na een zeer snelle laatste 15 kilometer Oloron- Ste.-Marie. Alvorens de camping op te zoeken nemen we een welkomstpilsje op een terras, steken de straat over om geld uit de muur te halen voor de gezamenlijke kas, wippen bij een fietsenzaak binnen voor een stel nieuwe bidons voor Frans en bezoeken de markante plaatselijke kathedraal. Hier hangt een grote kaart van Europa, waarop iedere passerende pelgrim met een kopspeld zijn plaats van herkomst aangeeft. Ze komen werkelijk overal vandaan, tot ver in Rusland zelfs. Ook onze spelden zitten er nu in. Het ‘stempelkantoortje’ - open, licht aan - blijkt onbemand. Als ik later vanaf de camping nog eens terug rijd, is er nog niets aan deze situatie veranderd. Na een vergeefs kijkje in de sacristie wend ik me tenslotte tot de waard van het tegenovergelegen café-terras, die me onmiddellijk naar de ‘stempelzetter’ brengt, die kennelijk liever terrasbezoeker is dan kantoorbeheerder…
Camping ‘Gîtes du Stade’ is voorzien van een overdekte eettafel en stroom, waardoor de mogelijkheid om bijvoorbeeld je telefoon op te laden of de laptop aan te sluiten. Een ongekende luxe. Wifi is er niet, daarvoor kun je terecht bij… Mc Donalds. Zo komen we daar ook weer eens.
Morgen rijden we naar St.-Jean-Pied-de-Port, het verzamelpunt van alle pelgrims die via de pas van Roncevalles de Pyreneeën oversteken naar het laatste deel: de Camino door Spanje. We zullen het morgen niet geschonken krijgen. En de dag daarna al helemaal niet. Vandaag dus op tijd naar bed, genoeg rusten en je prepareren. Nog zestien dagen.
Groetjes uit Oloron in de Pyrénées Atlantique. Straks bij Mc Donalds zullen we weer jullie reacties kunnen lezen.

woensdag 17 juni 2009

Avé, avé… (2)

Eenentwintigste dag
Woensdag 17 juni 2009
Maubourguet – Lourdes, 51 km

‘De bonkige, stoppelig bebaarde Jacques, door zijn vrouw liefkozend Jacky genoemd, wist ons de hele nacht te boeien met een onvoorstelbaar breed en divers scala aan slaapgeluiden, variërend van het diepe, vervaarlijke gegrom van een oeros tot iele, liefdevolle verzuchtingen na een geslaagd liefdesspel, afgewisseld met velerlei a-muzikaal gebombardon en onverstaanbare dialoogachtige passages. Met deze mix van ingrediënten zou Shakespeare ongetwijfeld een nieuw litterair drama aan zijn toch al rijke oeuvre hebben kunnen toevoegen: The Snarking Streetburger… of To Sleep Or Not To Sleep. Overbodig op te merken dat er onder deze luidruchtige omstandigheden nauwelijks sprake kon zijn van een verkwikkende nachtrust.’
Ik schrijf dit om zes uur op de veranda bij het muzikale ochtendgetwinkel van onze gevederde vrienden. Gelukkig valt de schade mee vandaag. Er staat een overwegend vlakke rit op de rol, die ons gisteren na het bloggen door de campingbaas geadviseerd werd. Niet meer dan ongeveer 50 kilometer door het brede dal van de Echez.

Even na negenen gaan we op weg. Het blijkt al snel niet zo lekker te lopen. Nog lange tijd draag ik de geluiden van onze Ronkende Reutelaar - of Reutelende Ronker; what’s in a name… - als een vervelende oorwurm bij me. Dat is echter niet de reden. De hele weg vandaag voert vals plat omhoog. Het blijft vermoeiend doortrappen tegen de stroomrichting van de Echez, die ontspringt in de buurt van Lourdes, in. We stijgen van ongeveer 150 meter naar bijna 400 meter, terwijl je het niet aan de weg ziet. Niet best voor het moraal. Daarbij neemt de hitte vrij snel toe.

Na ruim 30 kilometer besluiten we tot een stop in de schaduw van de platanen op een terras in Ibos met de naam ‘Les Platanes’. De oorsprong van namen kan soms weinig aan duidelijkheid te wensen overlaten. De gevels van de huizen in deze regio zijn prachtig versierd met ronde keien in vaak de mooiste patronen. Ieder vogeltje bouwt zijn nest van materialen die in de omgeving het meest te vinden zijn. Zo gaat het ook bij mensen. Ze wonen hier op een traag aflopende puinkegel van sedimenten uit het hooggebergte. De grond is vergeven van deze rond afgesleten keien. Je ziet dan ook geen akkers; de sterkste ploegen zijn niet tegen deze grond bestand. Ook de kerk in het dorp is ogenschijnlijk helemaal uit deze keien opgebouwd.
De bergen komen steeds dichterbij … eigenlijk andersom, want wij zijn Mozes niet. Enkele kilometers voor Lourdes kopen we een heel kistje nectarines, 18 voor 5 euro. We eten er meteen een paar. Dat doet goed.

Om een uur rijden we Lourdes binnen, voor het eerst met stralend weer. Al vrij snel zien we een wegwijzer naar camping De la Poste. Hier was ik met John elf jaar geleden en ook Frans en Gerry ‘stonden’ hier ooit een paar dagen. Bekend terrein dus. Zeker als er nog steeds niets veranderd blijkt. We checken in, installeren ons, doen de noodzakelijke was en zoeken de schaduw op om te rusten. Terwijl ik dit schrijf ligt Frans languit op zijn schuimmatrasje en probeert af en toe de Snarking Streetburger naar de kroon te steken. Maar dan moet je van bijzonder goede huize komen. Frans’ pogingen zijn dan ook te kwalificeren als een uiterst matig aftreksel van de grote kunst van de meester. Jacques dus. Niet te verwarren met de gelijknamige Saint, waar we over zeventien dagen hopen aan te komen. Het aftellen is begonnen.

Straks gaan we boodschappen doen, naar het internetcafé Le Carrefour om dit allemaal op de blog te zetten (zie foto), daarna koken en vanavond naar de lichtprocessie. ‘Avé, avé, avé Maria‘… het zal ons ongetwijfeld weer kippenvel bezorgen.
Tot zover dit bericht uit Lourdes. We verzorgen nu alvast de blog omdat het straks na de processie te laat is.
Mochten er vanavond nog schokkende dingen gebeuren, dan zullen wij daar morgen op terugkomen. In Oloron Sainte Marie.
Groetjes vanuit het allesbehalve koele zuiden.

dinsdag 16 juni 2009

De Pyreneeën in zicht


Twintigste dag
Dinsdagdag 16 juni 2009
Castéra-Verdurzan - Maubourguet, 74 km

Vandaag begint de tweede helft. Niet door een fluitje van een of andere scheidsrechter, maar door het ontwaken in een gerieflijk, maar toch ietwat te zacht hotelbed. De vermoeienissen zijn eruit geslapen. Op het moment dat de klok van de oude kerk acht slaat zijn we alles op de fietsen aan het binden. Daarna het déjeuner, op z’n Frans: croissants, baguets, veel jam, een eitje, fruit. De eieren blijken niet gekookt. Daar komt Frans achter als hij het met een ferme tik van zijn mes onthoofdt… het moet eerst in de eierkoker. Hoelang? Dat weet geen mens. Frans’ tweede onthoofding loopt ook al uit op een kliederig drama (zoiets als de destijds mislukte paaseieren van oma). Daarna blijkt de derde keer andermaal scheepsrecht. Mijn neus lijkt ook wel van bladerdeeg, want er valt een losgeraakt velletje op mijn bord. Als dat zo doorgaat zie ik eruit als een verweerde Egyptische sfinx als ik thuis kom.
Om kwart voor negen stappen we op voor de tweede helft van onze tocht. De twintigste dag alweer. De eerste dertig kilometer voeren ons licht golvend op en af door rivierdalen. We doen het rustig aan, stappen af waar we het leuk vinden en nemen alle tijd. Het weer werkt mee. Het is bewolkt, af en toe een flauw zonnetje, niet te koud en niet te warm. Perfect fietsweer.

Rond half elf , tijd voor een stop, rijden we L’Isle deNoé binnen, een oud, enigszins vervallen dorpje met een veel te smalle dorpsstraat waar vaak zwaar verkeer doorheen moet. Het enige cafeetje is nog dicht. Ik vraag een passerende dame of er misschien nog een ander café is. Helaas niet. Maar zij wil ons wel een kop koffie aanbieden. Waar? Op de Mairie. Zij is de secretaresse van de maire. Bijzonder aardig. Wij volgen haar naar het kantoor, waar zij kennelijk de enige gemeenteambtenaar is, en voorziet ons van een plastic bekertje sterke instantkoffie. Vervolgens krijgen we een lesje lokale geschiedenis waaruit blijkt dat de naam van de ‘commune’ niets te maken heeft met de oude Noé en zijn bekende ark, maar met de naam van de vroegere adellijke familie die generaties lang de gebiedende heren waren van het dorp en de wijde omtrek. Nadat ze een stempel geplaatst heeft in ons credencial nemen we afscheid van deze aardige dame, die straks thuis ongetwijfeld weer een leuk verhaal te vertellen zal hebben.

Onze volgende stop maken we halfweg in het oude vestingstadje Montesqiou, uiteraard hoog op een heuvel. De torenklok slaat twaalf als we achter een ‘chocolat chaude’ zitten, met de Nesquick op tafel… Een Nederlandse vrouw maakt een foto van ons beiden voor de blog. Intussen staat de waard met een gast onze fietsen te bekijken. Hij informeert naar de ‘moteur’; ik wijs op mijn benen… juist, dat had hij bedoeld. Het is een ontspannende dag tot nog toe. Het klimmen gaat me goed af, en Frans, die het een heel stuk rustiger aandoet dan normaal, eveneens. We kunnen hier uiteraard niet onze ‘ontbijtdoos’ op tafel zetten om te lunchen. Dat doen we zeven kilometer verder (na twee klimmen) op een werkelijk schitterende plek: een overdekte ‘aire’ met water en toiletten, zij het in redelijk aftandse staat. Voor ons ligt een meertje en daarachter een dorp op een heuvel met een enorme toren, Bassoues, waar we naar toe moeten.
Als we na een lange klim van 8 procent in het centrum aankomen zien we een enorme marktplaats, helemaal overdekt met een gigantisch authentiek kapwerk. Ongelooflijk mooi. Langs de kant zitten mensen op terrasjes te eten. Er komt iemand naar ons toe, een Nederlander.
“Ik zag meteen dat jullie pelgrims zijn. Aan de schelpen. Ik ben ook op de fiets bij Sint Jacques geweest en al die bergen omhoog gereden. Ibañeta, Cruz de Ferro, de Pojo… daar is de klim hiernaartoe een molshoop bij… dan weten jullie dat alvast.” Je hebt af en toe iemand nodig die je moed inspreekt. Hij wil graag een foto van ons tweeën maken, nou ja, een hele serie. Voor de blog. We komen leuke mensen tegen vandaag.

Even voor drie uur maken we na zestig kilometer een laatste tussenstop in Marciac. Er hangt onweer in de lucht, dus we besluiten om even te blijven en af te wachten waar het naar toe trekt. Als ik in mijn routeboekje kijk zie ik een aantekening die ik ooit van internet geplukt had. De camping in Maubourguet beschikt over een speciaal chalet voor pelgrims, dat telefonisch gereserveerd kan worden. En het lukt! Voor vandaag zijn we weer letterlijk onder de pannen. Maar eerst moeten er nog drie forse klimmen gemeesterd worden. De laatste zes kilometer voor Maubourguet zijn verrassend ‘Hollands vlak’. En in de heiige verte… zien we ze: de besneeuwde toppen van de Pyreneeën! Je krijgt zo’n gevoel van een kind op schoolreisje, dat begint te zingen van “We zijn er bijna… maar nog niet helemaal”.
Even vallen er een paar druppeltjes. Alsof Pluvius zich even bescheiden meldt: “Hier ben ik toch nog even, jongens. Sorry van gisteren. Maar vandaag heb ik jullie gematst. Ik heb vriend Donar gevraagd om het onweer langs jullie te sturen...” Toch aardig, die Pluvius.

Op de camping worden we vriendelijk ontvangen door een leuke blonde vrouw, die ons naar het chalet brengt. Een lekker gevoel. Het regent licht, en wij zitten vanavond droog. Zelfs de fietsen kunnen op de veranda onder de overkapping. Dan voel je je rijk. Wat later krijgen we gezelschap van medepelgrims, een Frans echtpaar uit Strassbourg, te voet op weg naar Spanje. Zij gaan eten in een restaurantje. Intussen hebben wij ‘stormfreie Bude’ om zelf te koken. De dag van gisteren was een behoorlijke aanslag op onze gezamenlijke kas. Maar het was nodig, en het heeft resultaat gehad.
Aardige lui, die Fransen. De nacht moeten we nog maar afwachten.
Groeten uit ons Franse chalet. Morgen gaan we naar Lourdes. Daar verheugen we ons nu al op. Maar ook op jullie reacties. Elke dag weer een feest.