woensdag 10 juni 2009

De eerste duizend zitten erop



Veertiende dag
Woensdag 10 juni 2009
Bénévent – St.-Germain-les-Belles, 77 km

Uiteraard was de nacht in een gewoon bed weer van ‘thuiskwaliteit‘… hoewel… je mist toch wel wat. In de gîte sliep ook een Franse pelgrim, in alle opzichten een einzelgänger - het Franse woord daarvoor ken ik niet. Zelfs bij ons ontbijt houdt hij zich afzijdig en gaat in de stad ontbijten. Dus zitten we lekker met z’n tweeën aan ons déjeuner Hollandais. Hieronder een geweldige ontbijtdialoog.
Frans: “Dus eerst nog even naar de ‘internet-Joep’…
May: “’t is een vrouw, dus een ‘internet-Josephine’.
Frans: “Oké, een ‘internet-wifi’ dan…”

Buiten is het half bewolkt, koud en nauwelijks wind. Maar als we even na negen uur buiten de bebouwde kom aankomen, blijkt Aeolus wel degelijk aanwezig, zij het wat minder stormachtig dan gisteren. We beginnen met een foutje (niet bedankt…): afdalend naar een diep dal (waarna altijd weer een klim volgt) bemerk ik dat we de zon in de rug hebben… we rijden naar het westen! Dat kan niet, we moeten zuidwaarts. Dus rechtsomkeer, de berg weer omhoog, op zoek naar de juiste weg. Dik drie kilometer voor de…. vul dat zelf maar in.
De routeomstandigheden wijken niet veel af van gisteren. Lange klimmen, lange snelle afdalingen, lange klimmen. We krijgen ze van meet af aan weer … juist, ja.

Als we in het dorp St.-Martin Ste.-Cathérine een oud romaans kerkje passeren waarvan de deur openstaat, stappen we even af om buiten en binnen wat foto’s te maken. Onwaarschijnlijk vervallen, scheuren in de muren, afbladderende verflagen, zelfs rattenkeutels op het priesterkoor. De kerk in Frankrijk… ‘God in Frankrijk’ begint zijn weelderige glans te verliezen.
Na 40 kilometer maken we in Le Châtelet-en-Dognon een pauze waarbij we een omelet met salade tot ons nemen. Dat is hard nodig, want het voortdurende klimmen vreet aan je krachten. We zijn immers nog maar pas op de helft. We hebben tot op dit moment een gemiddelde gereden van ruim 15 per uur. Best goed onder deze omstandigheden.

Na bijna 50 kilometer rijden we na een fikse klim het hooggelegen St.-Leonard binnen. De massieve granieten toren van de 12e-eeuwse kerk is al van verre zichtbaar met rondom rustige pleintjes en straatjes waarin het middeleeuwse stratenpatroon nog duidelijk herkenbaar is. De grondslag voor dit stadje werd rond 550 gelegd door de kluizenaar Léonard, wiens graf zich in de kerk bevindt. Omdat hem de twijfelachtige eer ten deel viel tot patroon van de gevangenen bestemd te worden, hangen er een aantal kluisters boven zijn graf. Overigens is St.-Leonard de geboorteplaats van de wielrenner Raymond Poulidor, de ‘eeuwige tweede‘… min of meer mijn persoonlijke ‘patroonheilige’ dus…want fietsen met de oersterke François Kiestèr laat me geen ander keus.
Van hieruit is het nog 30 kilometer tot St.-Germain-les-Belles, onze eindbestemming, ook alweer gelegen op een heuvel. Er zijn daarvoor nog een behoorlijk aantal gemene en lange hellingen te nemen. Maar als je in Santiago wil komen hoort dat erbij. Zelfs als ze, zoals de laatste klim, met de Franse slag volgegooid zijn met nieuw split om het erbarmelijke wegdek enigszins te camoufleren… kortom, een vreselijk klim door de regen, waarbij regelmatig door hoge ‘splitduinen’ geploegd moet worden. Aeolus doet er weer een schepje bovenop. Het wordt weer puur afzien. Ergens horen we in gedachten de stem van pap: “Keengerkes, keengerkes, ‘t gieët gee erger leed es dat me zich zelf aan deet…” ‘De profeet’ had alweer eens gelijk…

Als we om kwart over vijf onze missie voor vandaag voltooid hebben en behoorlijk afgepeigerd boven in het dorp op plein staan rond te kijken voor een bord naar de camping, stapt er een man uit een klein bestelbusje. Hij blijkt een Engelsman - Frans ziet dat meteen aan het stuur aan de rechterkant -, sinds twee jaar in Frankrijk woonachtig. Ik vraag hem de weg naar de camping.
“Waarom zouden jullie naar de camping gaan als jullie bij mij thuis bed & breakfast kunnen krijgen..?” luidt zijn wedervraag. In het Engels welteverstaan. Na een korte onderhandeling over de prijs weet Frans er nog 5 euro vanaf te pingelen. Omdat we pelgrims zijn.
Waarom komen we uitgerekend op dit moment deze man tegen? Toeval? Of is hij een van de ‘engelen’, die je vaak in hoogste nood tegenkomt? Hoe dan ook: zo komen we voor de derde achtereenvolgende nacht in een normaal bed terecht. De heer des huizes heeft internet, waardoor jullie bovendien nog eens het laatste nieuws kunnen lezen.
Hij beveelt ons een heerlijk restaurantje aan, Le Petit Moulin. Daar krijgen we voor een belachelijk lage prijs een heerlijk vijfgangen-diner voorgezet, bestaande uit soep, salade met quiche, kwartel met aarappeldobbelsteentjes, plat de fromage, karamelpudding als dessert en koffie. Met gratis wijn erbij zoveel we willen… helaas moeten we morgen weer fietsen.
Het echtpaar Steward is zeer gastvrij. We hebben goede gesprekken met een goed glas wijn aan hun keukentafel en ze doen alles om het ons zoveel mogelijk naar de zin te maken. Ook deze overnachting zal de geschiedenisboeken ingaan als een onvergetelijke. En buiten regent het pijpenstelen. Alles beter dan de nacht doorbrengen in een tent. Er is dus weer eens iemand 'toevallig' op onze weg gestuurd om ons meer mis`ere dan nodig te besparen.
Groetjes uit St.-Germain-les-Belles. Die ‘Belles’, dat zijn wij zeker niet. Allereerst omdat we er verre van mooi uitzagen toen we hier arriveerden. Op de tweede plaats omdat ‘belle’ vrouwelijk is. Het heet hier niet St.-Germain-les-Beaux; dan zouden we na een douche wellicht voor deze eretitel in aanmerking gekomen zijn… hoewel, we zijn wel beau-frères van elkaar. Dat is al mooi genoeg.

Alouette, gentille alouette…



Dertiende dag
Dinsdag 9 juni 2009
Cluis – Bénévent-l’Abbaye, 77 km


Na en heerlijke nachtrust in een ’normaal’ bed staan we tegen half acht uitgeslapen op. Onze refugegenoten, de voetpelgrims Tom en Tineke Kaufmann uit Nieuw-Vennep, die beneden sliepen omdat hij een echte snurker is - zij heeft daarom oordopjes - zijn intussen al aan het rommelen. We hebben er gisteren een gezellige avond van gemaakt. Tom had gebruik mogen maken van mijn laptopje om een bericht voor hun blog (tintom.waarbenje.nl) te schrijven, waarna we samen naar de hospitalier gegaan waren om het met veel vijven en zessen te plaatsen.
Vanochtend rond acht uur zitten we samen aan de door Tineke gedekte ontbijttafel met vers brood, warm van de bakker. Het heeft vannacht stevig geonweerd. Frans en Tom hebben het meegekregen, terwijl Tineke en ik er gewoon doorheen waren geslapen. Maar zij had oordopjes…
Als we aan de voordeur de fietsen optuigen worden we meteen geconfronteerd met een harde, stormachtige zuidwestenwind. Dat belooft wat voor vandaag. Wilde wolkenpartijen jagen langs het zwerk.
Nadat we volgens afspraak bij ons gezamenlijk vertrek de sleutel onder ‘de steen’ gelegd en elkaar Bon Camino gewenst hebben, stappen we op. Het is meteen vol aan de bak.
Aeolus is een drieste bui en heeft bovendien een deel van zijn personeel ingeschakeld, Notus en Zephyros, de respectievelijke afdelingshoofden zogezegd van de zuidenwind en de westenwind. En die nemen het karwei serieus. Ze pakken het aan als de vuisten van een bokser en proberen ons de ene keer van links en de ander keer van rechts met harde ‘hooks’ van onze fietsen te blazen. En Aeolus zelf zorgt voor een stukje stevige mistral van voren. Tel daarbij op de vele, vele, vele klimmen die het routeboekje ons vandaag voor de wielen legt, dan krijgen we ze - zoals mijn vriend John het zo treffend kan uitdrukken - van verschillende kanten behoorlijk ‘gepiezzeld’. De route van vandaag is een waar paradijs voor klimfanaten, maar daar voelen wij ons met onze vele kilo’s bepakking bepaald niet bij horen. Ook Pluvius steekt nog even een druppelend handje toe, maar weinig overtuigend. Hij heeft zijn beurt gisteren en vannacht al gehad.

Klokslag elf kruipen we vanuit het diepe dal van de Creuze, die in de loop der tijden een indrukwekkende kloof heeft uitgesleten, met rotspartijen en al, na een lange, steile klim het stadje Crozant binnen. In de zomer kun je hier over de koppen (auto’s) lopen, maar nu zijn wij de enige ‘toeristen‘. Bij een kop ‘chocolat chaude’ komt zowaar de zon even tevoorschijn. Collega-god Apollo dus. Crozant, zo lezen we in onze gids, werd reeds in de allereerste, middeleeuwse pelgrimsgids van Aimery Picaud al genoemd als een belangrijke oversteekplaats van de Creuze. Later werd de plaats versterkt met vestingwerken, waar tegenwoordig alleen nog maar ruïnes van overgebleven zijn. Indrukwekkende ruïnes, dat wel.
Bij het verlaten van Crozant worden we halt gehouden door een bord ‘Route barrée’. wegwerkzaamheden over de hele breedte van de weg. Een tweede bord ‘Déviation’ wijst bergop. Allé dan maar… waarna we na een paar honderd meter erachter komen dat er geen verbinding is met de weg die we moeten hebben. Voor fietsers althans. Dus rechtsomkeert naar beneden. Een man in een tuin, die ons even eerder omhoog heeft zien zwoegen, roept ons iets toe.
“Wat sach deë?” vraagt Frans.
Ik rem, keer om, hijs me in mijn veel te grote ‘daalversnelling’ moeizaam weer terug omhoog en vraag hem wat hij zei.
“Je disais”, luidde zijn antwoord, “ça va mieux, hè?!”, de weg omlaag wijzend. Waarom zeggen Fransen soms van die overbodige dingen? Natuurlijk gaat het bergaf beter dan bergop. Gevraagd naar de omleiding vindt hij dat die bepaald niets is voor fietsers. Dus rijden we verder omlaag, lopen tussen de werklui en de machines door en harken vervolgens verder langs zwiepende boomtaken tegen Aelos‘ geweld in.
Het blijft de hele dag harken, beuken op de pedalen door het landschap van de Limousine - met die aparte bruine koeien - dat veel lijkt op de Ardennen waar we de eerste drie dagen doorheen fietsten. Klimmen, dalen, klimmen… en op de top telkens opnieuw in het geweld van de windgoden arriveren.
Om één uur maken we, pas goed halfweg - het gemiddelde is niet hoger dan 13 in het uur - een eetpauze bij een eenzaam, pittoresk overdekt wasplaatsje. Er komen twee Nederlandse pelgrims te voet voorbij, die een foto van ons maken. En wij van hen samen.
Na ruim 50 kilometer rijden we La Souterraine binnen, een klein stadje, weer op een heuvel, met een historische kern. In de middeleeuwen kwamen hier veel pelgrims. De Place St.-Jacques en de gelijknamige straat houdt dit gevoel voor historie levend.
Vijf kilometer later krijg ik een inzinking. De benen willen niet meer rond, zijn de wind beu. Frans gaat het beter af. Wel moe, maar nog lang niet ‘plat’. Dat heb je met die jonge goden… Een terrasje in St.-Priest biedt uitkomst. Een banaan doet de rest. De laatste vijftien kilometer naar Bénévent-l‘Abbaye, ons einddoel voor vandaag, gaan weer als vanouds.

In Benevent is geen camping. Wel een pelgrimsonderkomen tegenover de kerk, een duizendjarige traditie… gesponsord door de Shell! De sleutel zou bij de apotheek verkrijgbaar zijn, zo lazen we in ons boekje. Maar tot onze schrik hoorden we gisteravond al van de hospitalier in Cluis (uitspreken als ‘Klwie’ s.v.p.) dat die recentelijk gesloten was. Wat nu? Pelgrimeren betekent vaak niet weten waar je terecht kunt voor de nacht. Laten we het maar op ons afkomen.
Bij het toeristenbureau worden we door een buitengewoon ongeïnteresseerde baliemeid verwezen naar een ’Chambre d’hôte’ c.q. ‘‘Bed and breakfast’, die we na enig zoeken - en alweer te ver de berg oprijden - vinden op het adres Rue du Monthery 17. Daar blijken ze tot onze verrassing toch, zij het op een ander adres, een nieuw pelgrimsonderkomen of Gîte Pélérin opgestart te hebben. De heer des huizes, een vlotte Engelsman, rijdt ons op zijn fiets voor naar de Rue des Remparts, lager in de stad. Werkelijk een prachtig onderkomen met een ruime, rustieke woonkamer met fauteuils aan een open haard, een keukenafdeling met alles d’r op en d’r aan en boven acht slaapplaatsen. À raison van 15 euro per nacht. Daar hoef je met dit koele en kille, wisselvallige weer je tent niet voor op te zetten. We koken een vorstelijke maaltijd en genieten van een rustige ‘huiselijke‘ avond.
Terwijl Frans met gesloten ogen in een fauteuil zit - hij heeft onderweg iets in een oog gekregen - werk ik aan deze bijdrage, die ik morgenochtend voordat we verder rijden nog op de blog kan zetten in de ‘epicerie’ waar ik vandaag de boodschappen deed. Alles op de stick zetten en dan weer ‘ju’.
Groetjes uit de ‘Gîte Pélérin l’Alouette‘. Vandaar dus de titel van deze bijdrage.
Als we ‘hem’ op de blog zetten zullen we jullie reacties pas kunnen lezen. Vol verwachting klopt ons hart…

maandag 8 juni 2009

Refuge in Cluis



Twaalfde dag
Maandag 8 juni 2009
St.-Amand-Montrond - Cluis, 77 km


Als we om half zeven opstaan (Frans tenminste, ik een kwartiertje later) is er zelfs een waterig zonnetje te bekennen. In het westen hangt een loom, triestig grijs wolkendek ons op te wachten. Het heeft vannacht een paar keer stevig geplenst en de tent is drijfnat. Er blijft weinig anders over dan ze nat in te pakken. Straks zullen we wel verder zien.
Om half negen gaan we weer op weg. De eerste druppeltjes dienen zich al aan en na een kilometer of tien wordt het dermate serieus dat het raadzaam lijkt het regenjasje aan te trekken. Het regenjasje waar ik en tijdje geleden tegenaan liep bij de … Aldi. Acht euro negenennegentig (8,99) kostte het..! Dit blijkt achteraf een van de beste kapitalistische investeringen die ik ooit gedaan heb, want het is werkelijk waterdicht en ‘ademend’.
Pluvius geeft vandaag weer blijk van een gulle bui. Buitengewoon op prijs gesteld door de flora, alles wat groen is. Bij de fauna, waarvan de mens in geëvalueerde vorm nadrukkelijk deel uitmaakt, zijn de meningen verdeeld, vooral bij mij. Ik zou een voorstel willen doen aangaande de tijdstippen van Pluvius’ activiteiten: hij ’s nachts, ik overdag. Maar of daarover te onderhandelen valt..?
Door de regen rijden is echter niet zo erg als het lijkt. Normaal ben ik een typische ‘mooiweerfietser’ die er niet aan denkt om op de fiets te stappen als de buienradar nattigheid in het vooruitzicht stelt. Een beetje een watje dus. Maar anderzijds zorgt regenval voor meer zuurstof in de lucht, waardoor je beter presteert. Dat blijkt ook vandaag weer: ondanks het moeilijke heuvelachtige parcours rijden we een gemiddelde van tegen de 18.
Op een lange rechte weg stopt een tegemoetkomende auto aan de overkant van de weg. De bestuurder draait zijn raampje open en roept:
- “Vous allez à Saint Jacques!?” En op onze bevestiging: “Bonne route et bon courage!” Bij het doorrijden horen we hem weer optrekken en zijn weg vervolgen. Dit zijn bijzonder leuke intermezzi.
Bij het binnenrijden van Chateaumeillant na zo’n 35 kilometer besluiten we even te pauzeren stappen we als twee verzopen katers binnen bij een ‘Bar/Tabac’, een opvallend net en proper etablissement, waar drie tafeltjes zijn bezet. Onmiddellijk verstommen de gesprekken. Ons “Bonjour” wordt nauwelijks beantwoord. De waard en zijn vrouw staan als versteend achter de tapkast, ongelooflijk verstard. Ik zie de vrouw denken: Heb ik daarvoor onze heldere lichte tegelvloer vanmorgen nog eens extra gepoetst..? Als de waard twee warme ‘chocolats’ bij ons tafeltje brengt, kan ik met een luchtig “Il fait bon ajour’hui, n’est-ce pas?” slechts een vage grimas op zijn gezicht teweeg brengen. Nee, op ons hebben ze kennelijk niet zitten wachten. Gevraagd naar de ‘Méteo’ voor vandaag verklaart de vrouw met haar intens trieste gezicht dat het de hele dag blijft regenen en dat het nog dagen nat blijft.
- “Jusqu’à vendredi…” Tot vrijdag…

We besluiten van het routeboekje af te wijken en te kiezen voor de iets drukkere rechte D-weg. Die loopt lekkerder dat het keren en draaien door de kleine dorpjes aan weerszijden. De klimmen blijven wel, en heel veel, maar ze zijn niet zo steil en lopen geleidelijker omhoog. In de regen rijden is nu eenmaal niet echt genieten; daarom kun je er het beste zo snel mogelijk vanaf zijn.
In La Châtre, een oud pelgrimsstadje op een steile heuvel, rijden we helemaal omhoog in de hoop een open restaurant te vinden voor een warme kop soep. Alles dicht. Maandag in La France. Als we bijna de stad weer uit zijn ziet Frans (ik was al doorgereden) in een zijstraatje een Café Routiers, voornamelijk voor truckers en vrachtwagenchauffeurs. Hier genieten we van een uitgebreide salade en een kop koffie met een flinke scheut ‘de la vache’. Intussen is de regen even opgehouden en lijkt er in de verte verbetering te bespeuren. Maar als we eenmaal weer op de fiets zitten komt Pluvius weer uit zijn schuilhoek te voorschijn. Hij lijkt van continuïteit te houden.
Over vaches gesproken: ik lijk er in mijn regenuitmonstering met wit petje onder mijn helm nogal schrikwekkend uit te zien; bij nhet passeren van een wei sloeg de hele kudde verschrikt op hol!
Andermaal besluiten we een afkorting te nemen. Maar ditmaal komen we echt op de koffie (zonder ‘de la vache’). De kaarsrechte weg tussen weiden door is een ongelooflijke aaneenschakeling van klimmen en dalen. Zoiets als de rups op de kermis, maar dan veel uitgestrekter. Wat we ons eerder bespaard hadden kregen we nu dubbel en dik als spaartegoed uitgekeerd. Met als klap op de vuurpijl een steile klim naar onze eindbestemming, het hooggelegen Cluis, een bedevaartsplaats ter ere van Maria, troosteres van de bedroefden… maar daar horen we vandaag niet bij. We kiezen niet voor de camping maar voor de ’refuge’, speciaal voor Santiagopelgrims. Die is gevestigd in een klein huisje aan een schilderachtig pleintje achter de Middeleeuwse kerk.
Met boven een slaapzaaltje met twee stapelbedden, en beneden wc en douche en een zitkamertje annex keuken met kookplaat, ijskast, magnetron en wasdroger (!). Onze fietsen mogen in de ‘woonkamer’ gestald worden. En dat voor de prijs van zeven euro per nacht. Als je in staat bent om meer te geven, dan mag dat uiteraard. We rekenen een tientje per man af. In het gastenboek zien we dat Jan Geerts en Frans Magieke, die we enkele geleden onderweg troffen, hier gisteren overnacht hebben.
Later, als de droger loopt, begint het buiten te onweren. Dan krijgt deze keuze nog eens extra glans. Och, wat blijven wij toch bofferds. Bovendien heeft de ‘hospitalier’, de beheerder van deze refuge, die een eindje verder om de hoek woont, thuis een heuse internetverbinding beschikbaar. Daar ga ik straks dit bericht op de blog zetten…. Dat terwijl ‘bij ons thuis’ repetitie van het kerkkoor is… Jesús, je voudrais te chanter sur la route…

Terwijl ik dit tik, lopen de volgende pelgrims binnen, degenen die vannacht de andere twee slaapplaatsen zullen bezetten. Een druk pratend echtpaar van onze leeftijd. We zullen wel zien hoe dat straks ‘werkt‘.

De reacties van gisteren waren overweldigend. Vooral die van mijn kinderen. Het doet mijn oude hart zo goed om te lezen hoe jullie met onze tocht meeleven, zowel grappig als inhoudelijk. Ellen die gretig de vragen van Per beantwoordt. Geweldig. Je zit dicht in de buurt, El. De oppergod was Jupiter (bij de Romeinen) of Zeus (in de Gr1ekse mythologie). Beiden hadden hun ‘personeel’ voor de meest uiteenlopende zaken. Pluvius zorgde voor de regen. Aeolus was aangesteld als heerser over de wind, met ook weer zijn eigen ‘onderpersoneel’ voor de vier afzonderlijke windstreken. Voor mijn gevoel een beetje vergelijkbaar met onze ene God, zijn engelen en zijn heiligen; met dát verschil dat die géén goden zijn. Het voert in dit kader te ver om daar dieper op in de gaan. Dat kunnen we ooit eens doen als ik weer thuis ben. Maar hoe dan ook, jullie reacties hebben me diep getroffen. Ik ben ook trots op jullie!
Sorry dat ik niet verder in ga op de overige reacties. Maar ze zijn en blijven heel belangrijk voor ons. Groetjes uit de refuge.

zondag 7 juni 2009

Plezierritje met Aeolus

Elfde dag
Zondag 7 juni 2009
Nevers – St.-Amand-Montrond, 75 km

Vandaag is mijn ‘broertje’ Harry jarig. Vijfenvijftig alweer. Proficiat van ons twee en maak er een mooie dag van. Wij drinken vanavond eentje op je gezondheid. (de rekening volgt)

Wij hebben het onvergetelijke maar natte Nevers vandaag verlaten. Even nadat we gisteravond vanuit de stad op de camping terugkwamen en aan de praat raakten met twee Friese voetpelgrims (niet dezelfde van gisteren, deze waren uit Franeker) begon het voor de zoveelste keer te hozen. Snel de tent in, letterlijk en figuurlijk onder zeil. Striemende stortbuien en stormvlagen ranselden en rukten aan onze nylon behuizing, die echter de verwoede pogingen van de toornige Fluvius in onbedaarlijke collaboratie met onze bolwangige vriend Aeolus trots wist te doorstaan. Na een kwartiertje gaven ze het op. Voorgoed? Dat zeker niet, maar wij konden voorlopig wel rustig gaan slapen.
Rond middernacht schrik ik wakker. Mijn mobieltje? Voordat ik de onrustverwekker in het donker gevonden heb, houdt het bellen op. ‘Onbekend‘, meldt de display. Louise dus. Zou er iets zijn? Als ik terugbel krijg ik te horen dat Nederland zich voor het WK geplaatst heeft. Lief hè?

Om zes uur vanochtend neem ik mijn verslagschrift om het volgende te noteren: ‘Al uren ratelt de regen op de tent. Onwaarschijnlijke hoeveelheden water zijn er in de laatste dertig uren naar beneden gekomen. De Loire begint er met het uur onrustiger van te worden. En het blijft maar doorgaan. Onder deze omstandigheden kun je natuurlijk niet gaan opruimen en verder trekken. Dan zit er in plaats van 24 kilo wel 30 kilo op je fiets, waarbij liters water. Maar aan de andere kant: een pelgrim wijkt voor niets, laat zich door geen enkele tegenslag uit het veld slaan… dat klinkt mooi, maar dóe het maar eens. Ik moet er niet aan denken dat dit weer nog de hele week aanhoudt, zoals we op internet ‘beloofd’ krijgen. Moeten we nóg een dag op deze camping blijven koekeloeren? Nee. Er is niets. De enige overdekte plek is een meter overkapping bij het toiletgebouw en de wasbakken. Je bent hier weerloos overgeleverd aan de elementen. Als we nu vertrekken, zelf nat, spullen nat, tegen de wind in… de we zullen met stormvlagen tegemoet geblazen worden. Aeolus, waarom ben je zo boos op ons? Of confronteer je ons alleen maar met een stukje beproeving in opdracht van Sint Jacob, omdat die vond dat het ‘die twee’ wat ál te goed voor de wind ging en best wat meer ontberingen mochten ondergaan. Als dat zo is, nou, dan ben je in je opzet geslaagd..!’

Als Frans om 10 voor zeven van het toiletgebouw terugkeert, laat hij een sprankje optimisme horen: “Ik zie in de verte een blauw vlekje!” De aanzet tot gerichte actie. De fietsen worden opgetuigd en naar de overkapping bij de wasbakken gereden waar we staand ontbijten. De tent blijft nog even staan. We krijgen hulp. Pluvius vindt het niet nodig het blauwe gaatje met nattigheid te vullen en Aeolus blaast. Zo mogen we onze tent ook nog eens bijna droog inpakken.
Om negen uur vertrekken we onder dreigende luchten en de wind van voren.

“Vandaag was tot nu toe de gemakkelijkste etappe. Eindelijk eens een dag vrijwel helemaal vlak…” zo lazen we in het reisverslag van de Geleense pelgrims Cor en Sophie Ronda uit het jaar 2000. Daar zijn we het helemaal mee eens. Als we Nevers verlaten hebben zitten we al snel op een jaagpad langs een kanaal. Wel hobbelig; voor de Fransen is al gauw iets ’befietsbaar’… Daarom vinden we het toch nodig om onze achterbanden nog eens extra hard op te pompen.

Daarna rijden we langs de oevers van de rivier de Allier. Na 17 kilometer vormt het dorp Apremont-sur-Allier een schitterend pareltje, een van de fraaiste dorpen van Frankrijk, helemaal bestaande uit gerestaureerde middeleeuwse woningen. De bovenin de deurlijsten ingekerfde bouwjaren voeren soms terug tot de 15e eeuw. Hier kunnen onze camera’s uiteraard niet in de tassen blijven. De skyline wordt gevormd door een 18e-eeuws kasteel, op een steile heuvel hoog boven de huizen gebouwd op de fundamenten van een oude burcht uit de tijd van de Honderdjarige Oorlog - ja, ze hebben wat afgeknokt vroeger.
We passeren nog een paar dorpjes met fraaie daken waarop Anton Pieck zich geweldig zou hebben kunnen uitleven. Wij verheugen ons erop een kop koffie te gaan drinken in de pelgrimsrefuge van Augy-sur-Aubois, ‘Mon Repos’, die gerund wordt door een groep Nederlanders en Vlamingen, waaronder mijn dorpsgenoot René Heinrichs. Ze ligt een beetje van de route af, maar dat hebben we ervoor over… als er iemand is. Daarom plegen we ruim vooraf een belletje. En later nog eens. Twee keer krijgen we een antwoordapparaat aan de lijn. Jammer maar helaas, we hadden deze refuge graag eens bekeken.
Bij de klanken van het angelusklokje maken we een chocomelstop op een terrasje tegenover het stokoude (12e-eeuwse) romaanse kerkje van Neuilly-en-Dun, zo simpel van bouw als het maar mogelijk is. Ontwapenend eigenlijk. De zon komt af en toe even tevoorschijn, maar het blijft koel - echt fleecetrui-weer - en winderig, met chaotisch voortjagende wolkenluchten. We hebben onderweg af en toe wat druppeltjes gehad, maar dat mag nauwelijks naam hebben. Alles met alles valt het dus best mee. Qua route is het echt een plezierritje, af en toe een klimmetje maar nooit te steil of te lang, een beetje á la Zuid-Limburg. Gemakkelijk te doen allemaal. Afgezien dan van die harde, soms stormachtig vlagerige tegenwind, vooral op een stuk brede en kaarsrechte D-weg. Maar je kunt nu eenmaal niet alles hebben. Het fietsgemiddelde van rond 17 is niet om over naar huis te schrijven. Maar dat doen we hierbij toch. Aeolus wil kennelijk met ons spelen vandaag, maar voor ons zijn het vermoeiende spelletjes.

De laatste kilometers voor St.-Amand-Montrond, onze pleisterplaats voor vandaag, leiden ons over smalle zijweggetjes, wel van hobbelige kwaliteit, maar door de begroeiing heerlijk uit de wind. Zo komen we in het stadje aan, waar de camping volgens ons boekje links van het kanaal zou liggen. Maar plotseling zien we hem aan de overkant, zonder een brug in de buurt. Na een stuk terugrijden naar de vorige oversteekmogelijkheid melden we ons op de receptie van de camping. Voor 9 euro 90 zijn we de man.
Deze camping Municipal ‘La Roche’ is een prachtig terrein met ongelooflijk riante percelen. Als we bezig zijn met het opzetten van de tent begint Pluvius weer te plagen. Zo staat ons slaaponderkomen er zelfs met een natte binnentent. We koken soep in een klein zaaltje met tafels en stoelen om een droog onderdak te bieden aan de tentkampeerders. Dat hebben we in Nevers node moeten missen.

Terwijl ik dit verslag tik, fietst Frans naar het stadje om te kijken of er een winkel open is. Zondag in Frankrijk hoeft niet per se te betekenen dat alles gesloten is. Ook nu niet. Trots keert Frans terug met de boodschappen om na twee dagen ‘uit eten’ vanavond weer eens zelf te koken. Niet alleen om budgettaire redenen, maar ook voor de gezelligheid.
Volgens de juffrouw van de receptie beschikt deze camping ook over wi-fi. Een leuke verrassing. Aar als ik connexion probeer te krijgen, lukt het niet. Ça ne marche pas. Dus weer terug naar de acceuil, waar ik te horen krijg dat het alleen daar ter plaatse maar mogelijk is. Tot middernacht. Tijd genoeg dus.
Maar of het mogen ook lukt... dat zullen jullie morgen wel zien. Is er niets nieuws, dan is het niet gelukt. We zien uit naar jullie reacties.
Groeten uit een zeer koel St.-Amand Montrond.

zaterdag 6 juni 2009

Nevers wordt steeds onvergetelijker




Nog steeds de tiende dag
Rustdag Nevers


De rest van de dag heeft het geregend. Toch hebben we in deze stad (uitgesproken als Nevèèèr) een onvergetelijke dag beleefd, zoals jullie al hebben kunnen lezen in het vorige bericht van vanmiddag. Ik dacht toen dat we het wel gehad hadden voor vandaag. Maar verre van dat.
Rond zeven uur lopen we weer in onze pelgrimsuitmonstering naar de stad om een ‘plat de jour’ te gaan nuttigen in het internetcafé. Overigens een heerlijke maaltijd voor 7 euro 90.
Op weg ernaartoe komen we langs de kathedraal en horen binnen prachtige koormuziek klinken.
Naar binnen natuurlijk. Op de trappen voor de romaanse absis achterin de kerk staat een gemengd koor. We hadden vanmorgen al tegen elkaar gezegd dat die halve koepel moest zorgen voor een fantastische akoestiek. En nu mogen we daar getuige van zijn.
Het koor wordt gedirigeerd door een slanke vrouw, die werkelijk de touwtjes in handen heeft. Daarbij moet ik steeds denken aan Sybill, de dirigente van mijn (ons) eigen kerkelijk zangkoor van Nieuwenhagen. Prachtige harmonieën - het doet denken aan een mengelmoes van vroeg romaans en Ennia - en ongelooflijk mooie dynamiek in fortes en pianissimo’s. We zijn werkelijk dankbaar dat we dit hebben mogen meemaken. Zo onverwacht. Zo was ik dan toch nog bij een koorrepetitie.
Maandag is onze koorrepetitie. Ik zal het missen. Het zingt nu al door mijn hoofd: “Jesús, je voudrais te chanter sur la route…” Onze route leidt morgen naar een plaats waar waarschijnlijk geen internetverbinding te vinden is. Vandaar dat we jullie dit snel laten weten vanuit het internetcafé in Nevers, waar we zonet heerlijk gegeten hebben.
Voordat het eten opgediend werd, schreef ik alvast wat op de achterkant van de placemat (zie foto hiernaast)
Mijn koorvrienden en vriendinnen wens ik maandag een inspirerende repetitie toe. In juli mag ik er zelf weer bij zijn. Daar verheug ik me nu al op.
Groeten uit La France.

Avé, Avé… in Nevers

Tiende dag
Zaterdag 6 juni 2009
Rustdag Nevers

Zaterdagochtend, half zeven. Het tokkelt, roffelt en watervalt al uren luidruchtig op het tentzeil. Als ooit een rustdag zorgvuldig gepland is, dan is het nu wel. Het lijkt er zelfs op dat de weergoden zich aanpassen aan onze planning; dat Pluvius, gisteren minzaam omlaag kijkend, iets denkt of in zichzelf mompelt in de trant van: “Daar fietsen ze, nog even wachten, ouwe jongen, morgen hebben ze een rustdag, dan mag je weer…” Zoiets. Maar hoe durf ik zoiets te verzinnen? Hovaardigheid ten top. Dat roept om straf! Een grijs gestrafte dag. Gaat Pluvius daarom vanochtend zo te keer? Hij heeft zich acht dagen moeten inhouden; ja, dan wil je wel even. Met bakken laat hij het omlaag storten uit een egaal grijze hemel. De sluizen vol open. Ons tentje begint plaatselijk lekverschijnselen te vertonen. Bagage herschikken, strategische pannetjes plaatsen, nee, zo erg is het nog niet.

Wat doe je allemaal op zo’n rustdag? In ieder geval eens niet fietsen. Om half twaalf willen we naar de mis in het Espace Bernadette. En voor de rest staan zaken op de rol die op zo’n dag normaliter gedaan worden: fietsen poetsen, onderhoud plegen aan ketting en derailleur, bagage herordenen… en rusten, energie opdoen voor de komende dagen tussen Bernadette hiér en Bernadette vroeger, als molenaarsdochter in Lourdes, waar haar in 1858 Maria verscheen.

Bij de douches en toiletten, die ik al vroeg bezoek omdat de aandrang verder slapen onmogelijk maakt, heb ik een lang gesprek met een Nederlands echtpaar tevoet naar Sint Jacob. Wind en weder dienende - het blijft gieten - hebben ze toch alles ingeruimd en staan ze naast hun enorme rugzakken te ontbijten onder de overkapping bij de afwasbakken. Niet moeilijk doen, gewoon nemen zoals het komt. “We hebben eigenlijk nog nooit zo’n riante tafel gehad…” Overal het positieve van inzien, op zijn minst proberen.
Maar wij slapen nog een uurtje door.

Wij zijn nu negen dagen onderweg. Een noveen. De tiende dag is onze rustdag. Helemaal in de geest van de oude Franse kalender van tweehonderd jaar geleden, die overigens al snel weer afgeschaft werd omdat niemand eraan kon wennen. Vlak na de grote Revolutie, waarbij alles op de kop werd gezet, begonnen ze toen met een nieuwe jaartelling - hun Revolution achtten ze belangrijker dan de geboorte van Christus… - en een nieuw kalendersysteem van tiendaagse weken. In die zin zit onze eerste Franse week erop en is de laatste dag voor ons de Dag des Heren, de dag dat we naar de kerk gaan. Een eenvoudige verklaring, nietwaar? Tot zover weer deze zoveelste, toch wel beknopte geschiedenisles. Onder het motto van ’overal neem je iets van mee, zelfs van deze blog‘. Een mens blijft zijn hele leven leren.

Rond half tien zitten we te ontbijten. Buiten. ‘t Is even droog. Maar binnen de kortste keren moet er weer een vlucht naar Egypte geënsceneerd worden, onder de beschutting van onze riante voortent. Bij het steeds intenser wordende a-ritmisch geroffel vlak boven onze hoofden - samenlopende druppels lopen als straaltjes aan de buitenkant omlaag - zetten we het knusse ontbijt voort. Pluvius heeft er vandaag duidelijk zin in. Aeolus zal vandaag waarschijnlijk uitslapen, want het is windstil.
Als outfit voor onze wandeling naar de stad kiezen we voor een typische pelgrimsuitmonstering: blote voeten in open sandalen - ‘Jesus-nikes’- en een dunne korte broek die snel droogt. Regenjas met capuchon… en daar gaat-ie. Zelfs nu moeten we even een portiek invluchten omdat Pluvius ons wat al te zeer bestookt. Eerst bezoeken we de kathedraal. Ontzettend groot. Het achterste deel is het oudst, duidelijk romaans; de rest werd er later aangebouwd in gotische stijl. Kinderen en leerkrachten zijn aan het oefenen voor la grande Communion morgen.

Ons doel is het klooster St.-Gildard, beter bekend als de Espace Bernadette. De laatste jaren van haar leven sleet ze in dit klooster als non. Ze ligt er nu ten aanschouwe van iedereen in een prachtig versierde glazen kist, opvallend gaaf - je denkt even aan een kunststukje van Madame Toussaud… - een hemels exempel van vredigheid, maar ook een beetje - ik heb af en toe vreemde ideeën - als een slapende Sneeuwwitje… als het stukje appel uit haar keel schiet wordt ze weer wakker… “Waar ben ik? Wat doen jullie hier?” Maar dat gebeurt niet. Je wordt getroffen door de intense devotie waarmee de meesten in gebed voor haar neerknielen; nee, dit is toch serieus. De mis doet goed, ook al is ze in het Frans. Een groep Italiaanse Lourdes-pelgrims zorgt voor de gezangen. Sfeervol. De viering wordt afgesloten met het bekende ‘Avé, avé, avé Maria‘, dat we met kippenvel meezingen. Vol ontroering. Dit hééft wat. Tenslotte krijgen we bij de acceuil onze volgende stempel.
Met een lekker gevoel gaan we weer naar de Place Carnot, waar zich het café bevindt waar ze connexion internet hebben. Daar schrijf ik dit verhaaltje onder het genot van een café-au-lait.
Frans maakt intussen een wandeling buiten. Er zijn stilaan af en toe droge perioden. Maar niet voor lang.
Wat we de rest van de dag doen, weten we nog niet. Dat is afhankelijk van het weer. Als dát wil, dan wil de rest ook.
Iets heel anders nu: vandaag speelt Oranje uit in IJsland. Bij één punt zijn onze jongens verzekerd van een ticket naar het WK volgend jaar in Zuid-Afrika. Ongetwijfeld zal er wel iemand de uitslag doorseinen op de blog. Bedankt alvast.
De eerstkomende dagen doen we kleinere plaatsen aan. De kans lijkt niet groot dat we dan onze dagverslagen op de blog kunnen zetten. We vragen alvast voor enig geduld. Wil je per se weten hoe het met ons gaat, bel dan even met Louise of Gerry, met wie we dagelijks telefonisch contact hebben.
Groetjes! Blijf jullie reacties sturen. Ze zijn als doping voor ons. Boterhammen met pindakaas is ook niet alles… (figuurlijk althans, want we eten best goed en komen weinig te kort!).



vrijdag 5 juni 2009

De eerste fietsnoveen voltooid




Negende dag
Vrijdag 5 juni 2009
Vézelay – Nevers, 97 km

Het is 5 juni vandaag, de verjaardag van mijn zoon Per. Al 38. Je wordt ouder papa… opa! Ouwe knar op de fiets.
We hadden gisteren nog een leuke avond op de camping in het onvergetelijke Vézelay. Toen we uit de stad terugkwamen (Frans met de boodschappen, ik met de laptop) bleek Willemien ook gearriveerd. Lekker bijkletsen. En ze maakte de bijgaande foto van ons.
Verder was er een ouder Zwitsers echtpaar; een kolfje naar de hand van Frans. En een Engelsman, per fiets vanuit Zuid-Frankrijk op de terugweg naar dear old Albion. Hij had pijn in zijn knieën van de zware klimmen. Daar weten wij intussen ook alles van. Maar pijn in de knieën hebben we niet. In de trainingstijd vooraf had ik er wel regelmatig last van. Maar de laatste drie dagen voor ons vertrek heb ik mijn knieën gemasseerd met Lourdeswater… dat lijkt geholpen te hebben.
Om tien uur lagen we al onder de wol. Vannacht bij een sanitaire slaapstop was er een ongekend heldere sterrenhemel boven de donkere heuvels te zien. Nooit geweten dat er zich zoveel schitterends in het heelal ophoudt. Jammer dat het zo koud was.

We willen vandaag vroeg uit de veren omdat de méteo later in de middag regen voorziet. Aangezien we een lange en zware etappe door de hoge heuvels van de Morvan, een Ardennenachtig gebied, voor de boeg hebben, willen we graag droog in Nevers aankomen. Frans heeft de wekker gezet op half zes. Maar om vijf uur zijn de vogels hem voor. Ze verzorgen een prachtig concert. Toch kruip ik pas om kwart voor zes de tent uit. Elke morgen is er redelijk wat werk aan de winkel. Alles weer inpakken, ontbijten, tent opruimen. Dat neemt gemiddeld zo’n kleine twee uurtjes in beslag. Om half zeven zitten we al aan het ontbijt en om half acht rijden we gepakt en gezakt de poort uit, na eerst afscheid genomen te hebben van Willemien die we waarschijnlijk niet meer zullen zien… het rijmt ook nog.
De lange afdaling naar Saint Père is werkelijk ijs- en ijskoud. We vliegen klappertandend door de vele bochten omlaag. Daarna blijft de weg gestaag stijgen tussen de heuvels door. Dan krijg je het vanzelf weer warm. Als we achterom kijken blijft Vézelay nog lang in het blikveld. Andermaal een foto. Na de top volgt een prachtige lange (en weer koude!) afdaling van acht kilometer met uitzicht naar beide kanten.

Na een tweede klim dalen we af in het dal van de Yonne en bereiken na 30 kilometer het stadje Corbigny. Er is net markt, uitgerekend in de hele lengte van de straat waar we doorheen moeten.
“Dat zou Gerry niet erg vinden”, weet Frans zeker. Maar wij moeten lopen tussen het gedrang door. Op een terrasje voor een warme kop chocomel bel ik Per even om hem te feliciteren. Hij klinkt bijzonder verrast, vindt het gewoonweg prachtig dat ik eraan gedacht heb. Graag gedaan. Een fijne dag.
Het verdere verloop van ónze dag is qua inspanningen minder fijn. Voortdurend fors klimmen en diep dalen. Ondanks dat de zon schijnt zijn de afdalingen koud. Ik houd bijna de hele dag mijn fleece trui aan. Best lastig bij de beklimmingen. Het zweet gutst.
Maar de landschappen zijn geweldig. En in het dorp Quipy fietsen we zowaar door de lange hoofdstraat met de naam ‘Rue Saint-Jaques de Compostelle‘. Dan voel je je echt ‘op weg‘.

Tegen elf uur krijg ik een ‘hongerklop’. Dat krijg je als je om half zeven al zit te ontbijten. Bij de klimmen krijg ik de trappers bijna niet meer rond. Een tranendal, harken bij het leven. Zelfs Frans, die vandaag in opperste conditie verkeert en als ’de adelaar van Toledo’ de ene na de andere klim met succes meestert, mompelt terwijl hij me weer inhaalt (in de afdaling ben ik altijd sneller, bij de volgende klim schuift hij altijd weer à la Jopie langs me):
“Ze willen ons vandaag maar niet met rust laten…” Er is inderdaad nauwelijks een stukje vlak. Ik ervaar deze etappe als de zwaarste tot nog toe.

Als we rond half twaalf uitgebreid met brood en soep zitten te lunchen aan een picknickzitje achter een oorlogsmonument waar een frisse wind onder de bomen doorblaast - een andere plek is niet te vinden - passeren twee Friese pelgrims te voet. Op 22 april vertrokken uit Ljouwert zijn ze al 44 dagen onderweg en ze hopen rond 10 augustus aan te komen - ik moet er niet aan denken, ik vind negen dagen al lang, maar ja, dat heb ik me zelf aangedaan… Frans vindt het ‘nog lang niet lang‘; de tijd vliegt, altijd is er weer iets te beleven. Als je die mensen ziet lopen, dan denk je: ‘Wat ben ik maar een watje’. Ook Dries van Agt noemde pelgrimeren per fiets ooit eens ‘labbekakkerig’. Zíjn mening. Maar ík voel het anders.
Als we na 65 kilometer in Premery aankomen, stel ik na een onderzoekende blik op de kaart voor om van de verder klimmende route af te wijken en de laatste 35 kilometer naar Nevers af te leggen via een drukkere D-weg door het dal van de Nièvre. Wel af en toe omhoog en omlaag, maar niet zo zwaar. Links en rechts van de weg zien we de hoge heuvels waar de route uit ons boekje doorheen loopt. Met welgevallen, dat wel.
Zo bereiken we Nevers aanzienlijk frisser… hoewel, na het opzetten van de tent doen we allebei even een half uurtje de oogjes toe. Eungere. Je voelt dat je wat gedaan hebt.

De camping (met internetaansluiting!!) ligt langs de Loire met een fantastisch uitzicht op de stad op een heuvel aan de overkant. Op het hoogste punt schittert de gotische kathedraal St.-Cyr-et-Ste-Julitte. Ik had me verheugd om hier een paar mooie foto’s van te maken, maar laat nu die fraaie toren in ‘omzeilde’ steigers staan. Doodzonde.
Jaarlijks komen vele mensen naar Nevers om het lichaam van de heilige Bernadette, bekend van het wonder van Lourdes, te bezoeken. Dat zullen wij morgen doen op onze eerste rustdag. De stad staat bekend om haar prachtige architectuur en befaamde aardewerk. Er is altijd wat te doen op het gebied van festiviteiten. Aan de rand van de stad ligt - Harry, Wilma, Jo en Helmy, spits je oren! - het circuit van Magny-Cours, waar de Grand Prix van de Formule 1 jaarlijks verreden wordt.Vanavond gaan we de stad in. Ondermeer om eens ‘uit te eten’. Dat hebben we dik verdiend na de ontberingen van deze negende dag.

Het eerste routeboekje is ‘uit’. Of het dat zelf geweten heeft? Op de hobbelige wegen van een voorstadje trilt het uit de houder en valt op straat. Terstond wordt het een prooi van een vrachtwagen… die er daardoor meteen 3-d kaartjes van maakt, met nóg meer heuvels dan in werkelijkheid.

Als we op de camping dit nieuwe bericht aan de blog willen toevoegen, blijkt de boel niet te werken. De zaak is pas geïnstalleerd... maar niet goed dus. Onverrichterzake en de pé in verlaten we het veelbelovende kantoor en gaan naar de stad. Daar komen we erachter dat er een café is waar geïnternet kan worden. Dus na het eten weer de berg af naar de camping en met laptop weer terug omhoog. Jawel, het is gelukt.
Bedankt voor jullie reacties. Zo blijven we op de hoogte. Vooral het bericht van de narrow escape van Roda deed mijn geelzwarte hart sneller kloppen. Bedankt.