zaterdag 4 juli 2009

Tot rust komen en nog veel meer…

Achtendertigste dag
Zaterdag 4 juli 2009
Santiago de Compostela

Uitslapen lukt niet zo best vanochtend op camping As Cancelas. Om tien voor zeven ben ik al wakker. Voor het eerst in een koude tent zonder Frans, die zich ongetwijfeld in een warmer nestje bevindt, drie kilometer hier vandaan. Een vreemd gevoel ook om vandaag en de dagen daarna niet meer op de fiets te hoeven.
Mijn hoofd stroomt weer vol met de indrukken van gisteren. Het ‘afdalen’ naar het enorme Praza do Obradoiro, het plein bij de kathedraal, via de hoge trappen, een act die voornamelijk noest en slechts weinig glorieus oogde… maar het toch was. Onder begeleiding van Galicische doedelzakmuziek. De emoties van het er eindelijk zijn. Een eerste gevoel van: is dit alles? Heb je daarvoor bijna 2700 kilometer gereden? Louise, die eerst niet bereikbaar was en me later opbelde toen we ergens in een van die kleine restaurantjes aan tafel gingen… eigenlijk zou ik meteen naar huis willen, in haar armen vliegen… maar ik weet dat het ‘nog lang’ niet zo ver is. Het formuleren van de eerste indrukken op de laptop in de bar van de camping, selecteren van foto’s… en als je het op de blog wil zetten… er dan achter komen dat alles verdwenen is door een stomme opslagfout! En het was zo’n prachtig verhaal… helaas pindakaas, opnieuw beginnen, terwijl iedereen op me staat te wachten om naar de stad te gaan. Frans en Gerry (die een fiets gehuurd had), Chris en Nelly met Henny en Maan, een bevriend stel, dat hen gisteren op het plein wat later verwelkomd had en met de caravan ook op deze camping staat. Dan die onvergetelijke fietstocht naar het centrum, zeven fietsers op een rijtje door het drukke verkeer, een optochtje dat zorgde voor de nodige opschudding in de stad, roepen, aanmoedigingen, duimen omhoog, ‘Olé, olé!’, ‘Buon Camino!’

We aten ergens aan een lange tafel een pelgrimsmenu en ‘doken’ daarna een van de vele kroegjes in, niet meer dan een ondergronds, rustiek, ruwstenen gangetje, waar het dringen geblazen was en waar we ons tegoed deden aan heerlijke vino tinto en daarmee de geslaagde missie vierden te midden van het drukke verbale geweld van Spanjaarden en andere nationaliteiten. Om half elf al begonnen er een paar te gapen na meer dan een maand lang rond tien uur al naar bed te hebben ‘gemoeten’. Het zou voor het eerst weer eens na twaalven worden.
Terwijl ik dit in een koele ochtend onder een blauwe hemel (Galicië…!?) zit te tikken, komt Chris aanlopen. Het is kwart voor negen. Een van de tafels van het terras wordt bestemd tot gezamenlijke ontbijttafel. Tradities moet je niet te snel afbouwen. Terwijl ik ga douchen werkt Nelly haar blog (http://chrisennelly.blogspot.com/) bij op mijn laptopje, waarmee ik hier rechtstreekse verbinding met internet heb. De berichtgeving van ‘the days after’ is de komende dagen dus gewaarborgd.
Tegen mijn tent, die ’ze’ gisteren versierd hebben met oranje ballonnen, staan de gladiolen. En naast mij een Nederlander met een caravan. Hij complimenteert me met mijn prestatie en vertelt dat hij vijf jaar geleden hetzelfde tot een goed einde gebracht heeft. Met een ‘maatje’. Die is echter enige tijd geleden overleden, kanker. Zijn as werd gisteren uitgestrooid op… Cruz de Ferro, op die berg stenen onder dat ijzeren kruis. Wát een symboliek! In de kathedraal van Santiago wordt de herdenking afgesloten… daar ben je even stil van.

Tegen half elf gaat mijn mobieltje. Frans. Of we vanochtend al naar de pelgrimsmis gaan; de gisteren aangekomen pelgrims worden voorgelezen, leuk om daarbij te zijn.
Ik besluit te voet te gaan via de oude route van de voetpelgrims door de stad, gemarkeerd met koperen schelpen in de stoepbestrating. In de voetsporen van de miljoenen die me voorgingen. Een half uur goed doorstappen. Als ik door de bijna volle kathedraal loop om een plaats te zoeken staat Gerry achter me. Ze hebben een plaats vrijgehouden. Weer zoiets: hoe vind je elkaar in zo’n enorme ruimte..? Tussen zoveel mensen. Toeval? En Duitse medepelgrim die naast me zit formuleert het als volgt: “Toeval is God die incognito mee reist.” Dat hebben we tijdens onze reis al een paar keer ondervonden. Als de nood het hoogst is, zijn de engelen nabij. Er wordt daarboven goed op ons gepast.
De mis, een tien-herenmis, is een unieke belevenis. Een zustertje met een engelenstem repeteert vooraf even een paar liederen met de kerkbezoekers. Ze lijkt tevreden. “Muy bien”, zegt ze na de korte repetitie. Terwijl de priesters binnenkomen wordt er het Laudate Dominum gezongen. Ik kan uit volle borst meezingen. Bekend repertoire van ‘mijn’ kerkelijk zangkoor in Nieuwenhagen. Daarna wordt voorgelezen hoeveel pelgrims er gisteren aangekomen zijn en waar ze hun reis begonnen. In rap Spaans. Ergens in die opsomming horen we ook een onverstaanbaar aantal pelgrims uit Ollanda noemen. Wij dus. Spaanse jeugdgroepen die voor het altaar op de grond zitten, verzorgen enkele lezingen. De Camino is bij de Spaanse jeugd zeer in trek. Ze kunnen het op hun cv zetten. Dat kan later van belang zijn bij sollicitatie.
Ik vind het heel bijzonder om in deze ambiance de communie te ontvangen en daarna alles door je heen te laten gaan, inclusief emoties… en dat alles bij hemels gezang van het zustertje, gevoelig begeleid op het geweldige orgel. Kippenvel.

En dan komt het hoogtepunt, dé attractie. De ‘botafumeiro‘, het legendarische enorme wierookvat dat aan een dik touw hoog in het gewelf hangt en door een man of acht in beweging gebracht wordt. Elk heeft een dunner touw ter hand dat in een tros vastzit aan het dikke. Ze laten eerst de boel wat vieren, het vat begint te zwaaien, ze trekken de touwentros weer aan en tenslotte bereikt het vat, dat de grootte heeft van een flinke landmijn, een angstaanjagende snelheid en hoogte; het suist door de hele lengte van het dwarsschip, tot in de nok en weer terug, een lange, rokende baan als een komeet… en intussen wordt er prachtig gezongen bij triomfantelijke orgelmuziek, een uitgebalanceerde show. Als de vaart van het heilige projectiel mindert, gaat de grootste en sterkste in de baan ervan staan en brengt met een geweldige pirouette het monster weer tot bedaren brengt. Einde. Ovationeel applaus. Ik film alles van begin tot einde. Om thuis te laten zien, want voor mezelf blijft het onvergetelijk, op mijn netvlies staan. Een unieke belevenis.

Na de mis scharen we ons in de lange rij van degenen die het grote gouden beeld van Jacobus boven het altaar fysiek willen begroeten. Een trap brengt je achter de met edelstenen gesmukte kolos, die je dan mag omarmen, bedanken en wat dan ook. Eveneens heel bijzonder. Ook brengen we in de crypte een bezoek aan de stoffelijke resten van Jacobus in een schitterend versierde gouden reliekschrijn.

Ook steken we kaarsen op voor degenen die ons dat gevraagd hebben en allen die we lief hebben… nou ja, opsteken; je stopt munten in een gleuf en daarna gaan een aantal kaarsvormige lampjes een tijdje branden… het is niet anders.

Als we de kerk verlaten hebben en buiten op het bordes staan… schiet me te binnen dat we iets gemist hebben: de Portica de la Gloria. Als je de kathedraal van Santiago binnenkomt, zo heb ik op verschillende plaatsen gelezen, staat er in het midden van die ronde poort een zuil… en in die zuil is een hand uitgesleten. Niet gebeeldhouwd maar uitgesleten door de aanraking van mensen. Als je het over de eeuwigheid hebt… hoe vaak moet een hand… alle handen van al die pelgrims, die in de eeuwen sinds die zuil daar staat, zich eraan vastgegrepen hebben op het ogenblik dat ze er eindelijk waren? Daardoor ontstond die negatieve, materieloze hand waar iedereen ook zijn eigen, tijdelijke hand in kan leggen. Een hand van niets, dat is het, elke aanraking heeft het miniemste vleugje steenhard marmer meegenomen, elke naamloze hand heeft meegedaan om in die zuil een hand uit te hollen die eigenlijk miljoenen handen is… natuurlijk, daar horen de onze ook bij. Ik ga terug. Maar de Portico is afgezet wegens ‘conservatie en restauratie‘. Willen ze verdere uitslijting tegengaan? We mogen wel kijken, maar een hekwerk verhindert het aanraken. Wij kunnen ons niet voegen bij allen die de hand uitgesleten hebben, onze voorgangers… we worden een volgende generatie.

Diep onder de indruk zoeken we een restaurantje op om wat te eten en te drinken. Het is inmiddels half twee. Gerry en ik laten ons ‘bacon y huevos’ - bij ons spek en ei - uitstekend smaken. Hetzelfde geldt voor Frans die een ‘Jacobus’ bestelt.
Daarna gaan we op zoek naar het toeristenbureau voor informatie over het verpakken van de fietsen voor de vliegreis naar huis en het tijdschema van de bussen naar Finisterre, waar we maandag naar toe willen. Het is niet nodig de fietsen bij een fiestenmaker in te laten pakken. Er kunnen op het vliegveld bij de Iberiabalie veel goedkoper dozen gekocht worden om zelf de fiets ’vliegklaar’ te maken. Alvast belangrijk om te weten.
Na nog een uurtje slenteren langs allerlei bezienswaardigheden gaan we onze eigen weg. Gerry en Frans naar het hotel. Ik als voetpelgrim terug naar de camping, waar ik nu deze bijdrage voor de blog zit te tikken. In principe zorg ik vanavond zelf voor mijn potje… een goeie ‘spaghetti-à-la-papa’.
Tot zover de woorden van… juist, van mij.
Groeten uit een redelijk zonnig en niet te warm Santiago de Compostela.
En last but not least bedankt voor jullie schitterende reacties. Ze betekenen zeer veel voor ons, vooral emotioneel!!!
Nogmaals bedankt en tot ziens over een paar dagen!

vrijdag 3 juli 2009

‘Glorieuze intocht…’

Zevenendertigste dag
Vrijdag 3 juli 2009
Arzúa - Santiago, 55 km

Het is geweldig toeven in de prachtige albergue van Arzúa. We slapen uit tot zeven uur en ontbijten gezamenlijk in de keuken van de albegue. Tosti’s, gekookte eieren, alles erop en eraan. Mijn rug voelt een stuk slechter dan de afgelopen dagen. De pijn trekt in mijn benen. Eigenlijk had ik wat meer moeten rusten, maar vind daar de tijd maar eens voor op zo’n tocht. Je kunt Frans bezwaarlijk alleen verder laten fietsen.

Tegen half negen vertrekken we voor onze laatste dag. Opnieuw over hoge heuvels en door diepe dalen en eucalyptusbossen, die vandaag extra lekker geuren omdat het weer vochtig is. Het handelsmerk van het supergroene Galicië. De zon krijgt vandaag geen kans. De wolken hangen zwaar over de hoogste toppen. Het regent hier driemaal zoveel als in Nederland… we hoeven dus echt niet ontevreden te zijn.
De zwaarte van het traject zou gemakkelijk gekopieerd kunnen worden uit het verslag van gisteren. Maar dat past vandaag niet. Het is vandaag de Dag der Glorie, de dag van de Glorieuze Intocht bij Sint Jacob.

Tegen half een bereiken we na een lange klim door het voorstadje Arins - ik was, in de veronderstelling dat het voor vandaag laatste klim was, als eerste boven, alles gegeven - het plaatsnaambord Santiago. Wat doe je dan? Foto’s maken natuurlijk.
Je denkt dat je er bent, dat je van hieruit glorieus door de straten van de stad naar het plein van de kathedraal kunt ‘zeilen’… maar dan kom je er achter dat Santiago in verschillende opzichten lijkt op Valkenburg, met niet één maar meerdere ‘Caubergen’. De steilste, die we op moeten naar het centrum, recht toe recht aan, is geplaveid met ronde keien en in het midden een goot van grotere platte stenen, die nog enigszins befietsbaar is. Auto’s rijden omhoog en omlaag, toeterend - het zijn meestal Nederlanders die het in hun zotte hoofd halen om zoiets belachelijks te ondernemen als hier omhoog te fietsen… ik word er nerveus van, maak even plaats en kan daarna niet meer opstappen. Te steil. Zo maak ik een ‘glorieuze intocht’ als voetpelgrim… met een pijnlijke rug een zwaarbeladen fiets tegen de steilte omhoogduwend… een politieagent wordt zelfs boos omdat ik op een stukje eenrichtingsstraat tegen het verkeer in worstel… waar moet ik dán lopen?!

Als we later weer fietsen en een pleintje oversteken begint het er iets meer op te lijken. Grote groepen jongeren zorgen voor een hartverwarmende ontvangst, klappen, zingend, aanmoedigend. Een fantastisch gevoel. Maar dan… om op het plein van de kathedraal te komen lijkt niet gemakkelijk te zijn. We belanden in smalle straatjes, tussen kraampjes en volksmassa’s en zien ons tenslotte gedwongen om onze fietsen hoge trappen af te zeulen, tree voor tree… Maar zo komen we wel op het plein.
Gerry staat in het midden op de uitkijk. Zou gauw ze ons blikt ontvouwt ze een zelfgemaakt spandoekje met de tekst ‘Frans / WELKOM / May’ en rent naar haar ‘sjat’ toe. Omhelzing, aandoenlijk. Ook ik kom aan de beurt, evenals Chris en Nelly. We krijgen gladiolen… gek, ik heb eigenlijk niet het idee iets gepresteerd te hebben in de sportieve orde van ‘de dood of de gladiolen’, maar toch word ik emotioneel… ‘griên-iêzer’… als ik Louise wil bellen wordt er niet opgenomen… ‘griên-iêzer’…
Omdat we eerst een stempel ons ‘compostelanum’ willen krijgen, gaan we naar het pelgrimskantoor. Daar staat echter een lange rij. We voelen er niets voor om er een uur of langer in te staan en geven de voorkeur aan een hapje eten en het beklinken van onze aankomst… onze ‘glorieuze aankomst’… Die ‘diploma-uitreiking’ kan later ook nog.
Een uurtje later blijkt de rij geslonken tot enkele personen. De juffrouw die mij achter de balie te woord staat heeft er kennelijk niet zoveel zin in en kriebelt mijn namen slordig op de akte, bepaald niet gekalligrafeerd. Dat van Frans ziet er wel mooi verzorgd uit.
Aangezien Frans bij Gerry in de stad blijft fiets ik met Nelly en Chris naar de camping. Door de motregen. Galicië…

Later, als ik deze bijdrage zit te schrijven, verschijnen Gerry en Frans ten tonele. Gerry heeft een paar cadeautjes voor ons gekocht. Een soort wielertrofee (Landgraaf-Santiago, 2009) en een kunstig van draad gemaakt fietsje met reisbepakking. Mooie aandenkens aan een lange reis.
Tot zover deze eerste indrukken. Morgen meer.
Groeten uit Santiago. We zijn er!!!

donderdag 2 juli 2009

Toeval bestaat niet

Zesendertigste dag
Donderdag 2 juli 2009
Portomarin - Arzúa, 61 km

We verlaten de geweldige albergue van Portomarin om kwart over acht na een gezellig gezamenlijk ontbijt. Eerst eventjes omlaag naar de brug en dan begint een klim van 12 kilometer van 350 naar 720 meter. Meteen een tijdje 10 procent omhoog en daarna ietsjes minder - maar niet veel. We zitten nog steeds in de bergen, een landschap waarbij de Ardennen verbleken. Steil! Ze kijken hier niet op een procentje.

Na vier kilometer passeren we - eigenlijk ík alleen, want Frans is al een eind vooruit - de eerste horreo, zo’n typisch Galicisch droogschuurtje voor zaaigoed op kunstig bewerkte poten om ratten en muizen geen kans te geven. Even afstappen om een foto te maken. Dan weer verder. Ik heb het niet vandaag, het loopt niet. Na een uur afzien staat er pas 7 kilometer op de teller. Het is echt zwaar. Waarschuwingen van mensen die hier ooit gefietst hebben zijn terecht. Denk niet dat je hier zomaar dagetappes van 80 of 90 kilometer kunt maken…

Als ik na ruim acht kilometer omkijk schrik ik en snap ik pas waarom het niet loopt. Achter me ligt een geweldige diepte. Heb ik dát allemaal omhoog gereden?! Ben ik uit dát dal geklommen, zo steil omhoog? Ik krijg meteen weer meer vertrouwen in eigen kunnen. Galicië, je denkt dat je er bijna bent, even lekker kunt uitbollen naar het einddoel. Vergeet het maar. Frans heeft boven lang op me moeten wachten in een zachte motregen... We zijn immers in Galicië.
Het is druk op de weg. Veel pelgrims te voet. In de smalle straatjes van Ligonde, na 16 kilometer moet je voortdurend je komst aankondigen om langs te kunnen: “Buenos dias, buon Camino”.
Op een stijl klimmetje staat Chris, die met Nelly een kwartiertje eerder vertrokken is, met de camera klaar om ons noeste klimmen vast te leggen. We drinken koffie bij een boerderijtje (2 uur gereden op 16 kilometer…) en rijden samen verder.
Rond het middaguur eten we op een picknickplaatsje langs de drukke weg naar Melide. Het blijft zwaar. Ik heb het gevoel na 34 kilometer al genoeg arbeid verricht te hebben voor de hele dag. Maar Arzúa is nog ruim 20 kilometer verder. We rijden verder door eucalyptusbossen, heerlijk van geur. Opnieuw over hoge klimmen en door diepe dalen.
Rond twee uur naderen we Arzúa via een lange steile klim over een rechte weg. In de verte zien we Frans voor ons rijden als absolute koploper.
“Het paard ruikt de stal”, merkt Chris op, met wie ik de rode lantaarn deel. Zou Gerry vanuit Santiago naar Arzúa komen? Ik weet het bijna zeker. Als Gerry iets wil dan lukt het haar ook. En de drive van de liefde doet de rest. En jawel hoor, als we boven komen staat ze er. Met de bus uit Santiago gekomen en meteen ‘on the right spot‘. Hoe kon ze nou weten dat we de stad via deze weg zouden binnenkomen?! Dat ze ‘toevallig’ op deze plek zou moeten staan om haar Frans naar zich toe te zien zwoegen? Toeval bestaat niet. Er zijn meer dingen tussen hemel en aarde dan we kunnen bevroeden…
Zo zijn ze zelfs twee dagen eerder al met elkaar verenigd dan gepland.
Terwijl Gerry en Frans op een terras hun hereniging beklinken, rijden Chris, Nelly en ik richting camping, die drie kilometer oostwaarts zou liggen. We komen erachter dat we daarvoor weer terug dat vreselijke dal in moeten waar we met zoveel moeite uit geklommen zijn. We keren terug naar de stad en besluiten een albergue te nemen.

Er is ruime keus. Vanaf het terras, waar we aan een ‘grande cerveza’ zitten, en waar Gerry ons een Santiago-T-shirt voor morgen cadeau doet, gaan de vrouwen er een paar inspecteren.

De keuze valt op de nieuwste: Albergue Turistico Santiago Apostel. Was die van Portomarin super, deze is werkelijk superdesuperdeluxe. Alles erop en eraan. En gelikt. Je kunt er van de marmeren vloer eten. Verschillende etages, mooie slaapzalen met prima bedden, aparte douches en wc’s per slaapzaal, zitkamer, keuken, internet per etage, wasmachines en drogers.
Kortom: hier is over nagedacht. Voor 9 euro per persoon kunnen we hier terecht. Een prima uitgangsbasis voor de laatste, glorieuze dag van morgen.

Dan zit het er op. Hoe zullen we ons dan voelen..?
Groeten uit Arzua, de poort van Sint Jacob...

woensdag 1 juli 2009

… met je hoofd in de wolken…

Vijfendertigste dag
Woensdag 1 juli 2009
Vega de Valcarce – Portomarin, 86 km

Na een goede nachtrust word ik pijnvrij wakker. Ik voel mijn rug niet meer, kan probleemloos inpakken en mijn fiets optuigen. Totdat… ik in een moment van onachtzaamheid mijn sokken staande wil aantrekken… jawel hoor, ook vandaag wordt het weer een ouwe-mannetjesdag.
De dag begint met een klim van 17 kilometer aan 6 tot 10 procent over de toppen met de mooie namen Do Cebreiro (1300 meter) en Alto de Pojo (1336 meter). De klimmen worden gemaakt in gezelschap van wolken vliegen die volijverig belust op het zweet des aanschijn met je meevliegen en overal landen… dit klimtempo weten ze probleemloos te volgen.
Maar anderzijds blijf je genieten van de schitterendste panorama’s, waarin wolkenformaties het beeld voortdurend laten veranderen. Fascinerend. Frans is geweldig in vorm. De eerste 12 kilometer - waarna hij ‘even’ op mij wacht - legt hij af in een gemiddelde van tegen de 12 per uur. Ikzelf ben ontzettend trots op 9 per uur. De laatste vier kilometer zakt het echter aanzienlijk omdat het stijgingspercentage voortdurend rond de 9 à 10 blijft schommelen. Dan begin ik te ‘breken’, maar omhoog lopen komt in mijn vocabulaire niet voor. De afgelopen 2300 kilometer hebben gezorgd voor een zeer behoorlijke conditie. Maar niettemin valt het niet mee. Chris Cornelisse (die we de afgelopen dagen regelmatig zien met eega Nel) - we hebben gisteravond samen gegeten - formuleert het wijsgerig als volgt: "Het pad van een pelgrim gaat niet over rozen, maar door diepe dalen en over hoge bergen, met zijn hoofd in de wolken…" En zo is het maar net. Want de laatste kilometer moet in een dichte mist geklommen worden. In de wolken...
Na de Alto de Pojo gaat het omlaag naar het Galicische heuvelland. Jongens, wát een afdaling. Over een brede weg met nauwelijks verkeer gaat het 12 kilometer in vliegende vaart naar beneden. Deze afdaling naar diepe dalen wordt een van de hoogtepunten van deze tocht.
Als we in het dal beland zijn, in de plaats Tricastela, eten we een vette bodadillo. Er is voor vandaag nog genoeg voor de boeg. Galicië, het groene, Ierland-achtige deel van Spanje - met de doedelzak als belangrijkste muziekinstrument - is dan wel beduidend lager gelegen, maar het heuvelachtige landschap zorgt voor een onophoudelijke opeenvolging van klimmen en dalen. Vooral bij deze temperaturen - het kwik beweegt zich weer snel richting 30 graden en hoger - is er bepaald geen sprake van een plezierritje.
Op het terras in Tricastela verneemt Frans dat Gerry intussen is aangekomen, hetgeen niets te maken heeft met ongewenste gewichtstoename, maar met het feit dat ze voet heeft gezet op Spaanse bodem. Ze zijn weer - zij het op afstand - verenigd met elkaar.
We passeren in het verdere verloop van de dag plaatsen als Samos - met dat geweldige klooster - en Sarria, waar we na 62 kilometer op het einde van de lange rechte winkelstraat op een terrasje een koel drankje nemen. Het is half twee en volgens een lichtkrant intussen 31 graden. Voor onze voeten zien we op de stoep mooie mozaïeken van Jakobsschelpen. Een wegwijzer tegenover ons meldt dat het nog 24 kilometer is naar Portomarin, het geplande eindpunt voor vandaag. Chris en Nel, die ergens eerder een terrasje gepikt hadden, rijden langs. Later halen we hen weer in om samen naar Portomarin te rijden. In totaal 86 kilometer, onder deze omstandigheden min of meer een monsterrit.
Portomarin is vrij nieuw. De plaats lag van oudsher in een diep rivierdal, maar toen de overheid in de jaren zestig besloot om er een stuwdam te bouwen, verdween het dorp onder water. De belangrijkste gebouwen werden steen voor steen afgebroken en hoger op de oever weer opnieuw opgebouwd. De rest van de bevolking bouwde nieuwe huizen. We zien hier dus weinig van historische aard. Ook de albergue, waar we uiteindelijk belanden, is nieuw. Nóg nieuwer. Gloednieuw zelfs, modern, op het steriele af. Geweldige slaapzalen vol bedden, uitstekende sanitaire voorzieningen - heel wat anders dan gisteren. Én er is internetvoorziening! Na de installatie nemen we een lekker pils op een terras waarna ik aan dit verhaal begin.`s Avonds eten we samen in een restaurantje waar ee gitar aan de muur hangt die ´toevallig´ in mijn handen verzeild raakt, zodat het nog eens extra gezellig wordt. Ik moet mij haasten om voor elf uur terug te zijn in de albergue. Na elf uur is het ´rien ne va plus´...

Nog 106 kilometer scheiden ons van Santiago. Nog twee dagritten, 56 en 50 kilometer, dan zit het erop. Met een dag voorsprong op ons tijdschema. Er wacht nog veel klimwerk, maar niet meer zo’n lange dagetappes als vandaag en de afgelopen dagen.
Groeten uit een bloedheet Portomarin aan de oevers van een enorm stuwmeer waar we op uitkijken.

dinsdag 30 juni 2009

Cruz de Ferro, hoogte- of dieptepunt..?

(Dit verslag is niet gemaakt op mijn laptop maar rechtstreeks ingetikt omdat de albergue waar we nu zijn geen wifi heeft noch de mogelijkheid een USB-stick te gebruiken. Dus ook geen foto´s... dit is overigens de tweede keer omdat bij het ´bijgooien´ van de volgende euro de computer opnieuw opstartte en alles verloren was... Later op de avond heb ik het afgemaakt.)

Vierendertigste dag
dinsdag 30 juni 2009
Rabanal - Vega de Valcarce, 76 km.

Het torenklokje van het roestbruine bergdorp Rabanal slaat zes met een geluid alsof de tijd aangegeven wordt door een monnik die met een pollepel op een geëmailleerde kookpan mept, zonder enige vorm van nagalm. Ook om half zeven en zeven uur zie ik die plaatselijke kloosterling weer voor me.
Om kwart over acht vertrekken we voor de etappe ´over het dak van de Camino´, Cruz de Ferro, een top van iets meer dan 1500 meter. De eerste kilometer vanuit het dorp leidt andermaal over een keienpad. En dan gebeurt het. In een poging om een puntige steen te vermijden stuur ik in een gat en kom nogal onorthedox in mijn zadel terecht. Ik voel het meteen. Het is goed mis in het onderste deel van mijn rug. Gekantelde lumbale wervel. Uit ervaring weet ik dat je daar dagenlang ´plezier´ van kunt hebben. Fietsen gaat nog wel, zij het dat je minder kracht kunt zetten, maar op- en afstappen ontaardt in een act die onmiddellijke opname in een bejaardentehuis tot de mogelijkheden laat behoren.
Zo kom ik als een gebroken man op de top. Afstappen (-kruipen) en plat in het gras liggend beginne aan oefeningen is het eerste wat ik doe. Ik had me mijn aankomst op dit hoog(s)tepunt in mijn dromen enigszins anders voorgesteld...
Cruz de Ferro, Spaan voor ijzeren kruis, is de plaats waar iedere pelgrim een symbolische steen gooit op een berg die steeds hoger wordt. Op de top daarvan staat een lange paal met een ijzeren kruis erop. Door het deponeren van je steen op de berg gooi je een levenslast van je af. Frustraties en onverwerkt verdriet; deze woorden staan op mijn steen. Een belangrijk moment met impact om dit hier achter te laten.
We maken foto´s met drie ´teams´ die elkaar gisteren in Rabanal ontmoet hebben: de echtparen Chris en Nel en Albert en Lucie, nadat we elkaar op de top opgewacht hebben. Daarna rijdt iedereen weer op eigen tempo (en vermogen) verder.

Na Cruz de Ferro volgt een steile afdaling van 20 kilometer over een hobbelige weg; niet van gevaar ontbloot dus. Beneden in Ponferrada aangekomen, waar het al 31 graden is, heb ik bijna kramp in mijn vingers van het remmen. Onderweg worden we voorbijgereden door een aantal ´zoetwaterpelgrims´, jonge mensen op racefietsen met een schelpje op hun zadeltasje... ja, zo kan ik ´t ook.
In Villafranca eten we een lekkere spaghetti, waarbij we andermaal worden ´betrapt´ door Chris en Nel. De laatste 17 kilometer gaan door het diepe dal van de Rio Valcarce valsplat omhoog naar Vega de Valcarce, een dorp aan de voet van de klim naar Cebreiro, ruim 700 meter hoger. Dat wacht ons morgen.

We slapen in een ´Refugio Municipal´, te bereiken via een klimmetje van 25 procent! Een uiterst eenvoudig onderkomen met twee grote, stampvolle slaapzalen en slechts twee wc´s en evenveel douches. Da´s dringen.

En ´s avonds krijgen we en passant samen met de ´Plo´ers´ van de plaatselijke pastoor de pelgrimszegen in de kerk. In het Spaans. Nauwelijks te verstaan dus. Maar we vertrouwen de man dat hij alles correct voltrokken heeft. Voor de komende dagen zit het dus ook weer snor.

Van Vega is het nog zo´n 190 kilometer naar ons einddoel. Morgen drie hoge en pittige klimmen. We zien wel hoever we komen.
Groetjes uit het warme Vega de Valcarce.

maandag 29 juni 2009

‘Keiharde’ verrassingen op de Camino

Vierendertigste dag
Maandag 29 juni 2009
León – Rabanal del Camino, 78 km

Als betreft het een Le Mansstart, zo staan ‘s morgens vroeg een aanzienlijk aantal fietsers hun tweewielige pakezels op te tuigen op het pleintje bij de albergue. Chris en Nelly, die nog niet ontbeten hebben, zijn als eerste weg. Wij pas een kwartier later. Kwart voor acht. De goede nachtrust - we sliepen met ons tweeën heerlijk alleen op een kamer - zorgt ervoor dat de vaart er vanaf het begin lekker in zit. Af en toe een afdalinkje gevolgd door een klimmetje van vijfhonderd meter om weer uit het (droge) rivierdal te komen, maar meestal genieten we van een landschap zo vlak als Friesland. Aan dat genieten komt abrupt verandering na Villar de Mazerife, waarover later meer. Dit dorp binnenrijdend zien we weer die typische onderaardse woningen, langgerekte heuvels met een deur aan het uiteinde en een schoorsteen ergens in het midden. Wonderlijk. Maar koel in de zomer en warm in de winter. De kerk is een pronkstuk van eenvoud, in elkaar geflanst uit ronde keien en leem. Een godswonder dat ze al zo lang staat. Maar ja, het is een huis Gods.

Daarna komt de beproeving van de dag - je kunt het ook een ‘keiharde’ verrassing noemen - in de vorm van meer dan zes kilometer ongekend ruwe kiezelweg met dikke keien, half ingereden en half losliggend en beukend en tinkelend tegen de velgen. Een ongelooflijk gehobbeld van de ene steen op de andere. Onvoorstelbaar gewoon. Ik verdenk de Spanjaarden ervan dit traject te cultiveren als een cultureel equivalent voor de Hel van Het Noorden tussen Parijs en Roubaix. Als een plaatselijke attractie zogezegd. Alleen is dit veel gevaarlijker voor je materiaal. Je begint te bidden tot Sint Jacob en alle heiligen en beschermengelen om ervoor te zorgen dat alles heel blijft. Dit traject kost ons meer dan drie kwartier, heel langzaam en behoedzaam manoeuvrerend, de minst slechte stukken opziekend. Een ware, onvergetelijke beproeving, die nu eenmaal bij een pelgrimstocht schijnt te horen. Dat we later na Hospital de Órbigo nog een toegift van twee kilometer krijgen, is te wijten aan een navigatiefout mijnerzijds. Maar dit terzijde.

In het al genoemde Hospital de Órbigo, met zijn beroemde lange brug van Romeinse oorsprong over de Rio Órbigo, doet Frans enkele boodschappen en halen we een stempel in een klein winkeltje. Daarna eten we op een prachtig gelegen terras met uitzicht op de werkelijk unieke brug een vette, warme ‘bocadillo quieso‘. Deze strategische plek maakt het mogelijk om getuige te zijn van de aankomst van Chris en Nelly, hobbelend over het keienwegdek van de brug; allesbehalve ‘keigaaf’ om de befietsen. Het is inmiddels elf uur. Na enige tijd rijden wij weer verder. We zullen elkaar terugzien op de volgende camping. We hadden inmiddels afgesproken niet in Astorga te blijven maar twintig kilometer verder te fitsen tot Rabanal, zes kilometer onder de top van de vermaarde Cruz de Ferro, het hoogste punt van de Camino.

Even na half één rijden we Astorga binnen, een oude stad waar imposante resten van stadsmuren getuigen van een heroïek verleden en waar drie pelgrimswegen samenkomen; ook de ‘Zilveren Weg’ vanuit Sevilla voegt zich hier bij de Camino Francés. Als we aan de voet van de steile helling naar de binnenstad staan - we hadden de afslag gemist - worden we ongevraagd door een oud vrouwke op de hoogte gesteld van het feit dat we er ook via een andere weg kunnen komen en aanzienlijk minder steil. Zo zitten we even later aanzienlijk frisser aan een fris glaasje op een terras in het zicht van het prachtige barokke stadhuis. Daarna zien we nog het bijzondere voormalige bisschoppelijke paleis van Gaudí en de kathedraal, een mengelmoes van gotische en barokke bouwkunst. Aangezien het ‘lunes’ is (Spaans voor Maandag), is die gesloten. Daarom moeten we ons tevreden stellen met de beschrijving die Cees Nooteboom eraan wijdde:
“… alweer zo’n monoliet, zo’n triomfalistische mastodont, die in een veel te kleine plaats is neergestort door een geweld waarvan wij de portee niet meer begrijpen. Soms is het ook nauwelijks te verdragen, al die zwaarte, gepantserd, een beetje kwaadaardig, voorwereldlijke monsters die op hun dood wachten. Ik kan het natuurlijk toch weer niet laten en ga naar binnen in dat versteende woud van zuilen die zonder kapitelen omhoogsuizen, de gewelven in.”
Dat interieur hebben we dus niet met eigen ogen mogen aanschouwen als gevolg van de Spaanse lunes. Zonde.

Na Astorga verandert het landschap radicaal. We fietsen de Montes de León in, richting Cruz de Ferro. Een klim van 20 kilometer. Een goed idee om er vandaag alvast aan te beginnen en morgenochtend de klim te voltooien.
Onderweg stoppen we een halfuurtje voor een wandeling door het schitterende middeleeuwse dorp Castrillo de los Polvazares. Een lust voor het oog. Ik moet meteen denken aan Thorn, het witte dorp. Castrillo is niet wit maar roestbruin, de kleur van het gesteente in de omtrek waaruit het is opgetrokken. Alle deuren en ronde poorten zijn groen geverfd en de raamomlijstingen wit. Een aandoenlijke uniformiteit. De ‘calles’ zijn kunstig geplaveid met ronde keien; de goten in het midden van de straten zijn van grote platte stenen. We zijn het erover eens dat het dik de moeite waard is om dit half uur hieraan besteed te hebben in gezelschap van onze camera‘s.

Na geklommen te zijn tot 1150 meter hoogte komen we om half vier aan in het nietige vlekje Rabanal del Camino. Het eerst passeren we de rustieke albergue met een restaurantje ernaast. Als ik afstap om te vragen naar de camping komt de eigenaresse naar buiten, een klein Spaans vrouwke, die ons verwijst naar een grasveldje in twee etages enkele tientallen meters verder.
We zetten er onze fietsen neer om ‘onze kavel’ af te bakenen en vertrekken naar het terras naast de albergue voor een koel glas pils. Terwijl we daar zitten komen ook Chris en Nelly de berg op duwen. Een tweede pils is het vervolg. Onze tenten staan naast elkaar met een aangenaam picknickzitje ertussen, met plaats voor zes mensen. Dus plaats genoeg voor het geval iemand zich dik zou willen maken… hoewel een tijdje later ook Albert en Lucie arriveren, die ook in León waren en die we vandaag inhaalden, waarna ze op het grindtraject nog geplaagd waren door twee lekke banden. De tafel is vanavond dus vol.

Morgen gaat het verder naar het hoogste punt van de Camino. De eerste zes kilometer moeten 350 hoogtemeters overwonnen worden. Echt een ‘top-begin’ van een dag.
Groeten uit Rabanal del Camino, waar de donkere wolken nog altijd overwaaien zonder ons nat te maken.

zondag 28 juni 2009

De ‘sello’ van León


Tweeëndertigste dag
28 juni 2009
Rustdag León

Vandaag opnieuw een rustdag in een mooie stad. Én een welverdiende na twee etappes van meer dan honderd kilometer. De nacht was rustig, zeven mensen op de kamer en niet één snurker erbij. Een unicum. We slapen lekker uit tot een uur of acht.
Om tien uur verhuizen we ons hele hebben en houden naar een kamer van de jeugdherberg in hetzelfde gebouw, om precies te zijn de overkant van de gang. In een pelgrimsalbergue mag je maar één nacht blijven. Dan is deze combinatie een uitstekende oplossing.

De fietsen blijven vandaag onaangeroerd. We gaan te voet naar de kathedraal Sancta Maria om daar de mis van elf uur bij te wonen. Vooraf vragen we aan een van de nogal militant ogende ordebewaaksters - fotograferen is er verboden en daar letten ze akelig precies op - naar een stempel voor onze kaart maar krijgen te horen dat dit op zondag onmogelijk is…
We zijn getuige van een heuse zevenherenmis! Alle priesters in mooie groene kazuifels, geassisteerd door iemand in wit met een stola als manusje van alles en een wit getoogde ‘misdienaar’ die uitblinkt in het hanteren van het wierookvat. Een hele drukte op het priesterkoor. Exact op het moment dat tijdens de consecratie het brood geheven wordt, slaat de torenklok; een uitstekend getimed moment. Na de mis proberen we toch nog een stempel te krijgen. We lopen naar de deur van de sacristie waardoor de heren afgegaan zijn.
“Als er een koster of iemand anders naar buiten komt, vragen we die”, vertolkt Frans ook mijn gedachte, “we zijn per slot van rekening in de mis geweest. De eerste die verschijnt is de wit getoogde ‘misdienaar’. Hij beduidt ons in heel druk Spaans dat we dan even moeten wachten. Nadat hij zich geruime tijd onderhouden heeft met enkele andere kerkgangers, krijgen we eindelijk onze ‘sello’. Frans oppert nog even om hem triomfantelijk te laten zien aan de eerder genoemde ordebewaakster, maar daar zien we al gauw van af.

Buiten gekomen worden we begroet door… Chris en Nelly, zonet in de stad aangekomen na een overnachting op de camping van Mansilla de las Mulas. Na enig wikken en wegen besluiten ze de mis van twaalf uur bij te wonen en daarna ook in ‘onze’ albergue van León te overnachten. León heeft meerdere kerken waarin ‘s zondags minstens zes missen opgedragen worden, en nog druk bezocht ook!
Ook genieten we van het Casa de Botines, een schepping van architect Antonio Gaudí.
De lucht betrekt langzaam en het voelt fris aan. Nadat wij de oude romaanse kerk San Isidoro bezichtigd hebben, waar ook weer een mis bezig is, begint het zelfs te regenen. Andermaal kon een rustdag niet beter gepland zijn. En wat morgen betreft, zullen we vertrouwen op de tekst van Marco Borsato: ‘Morgen kan het beter zijn’…
Tot zover. De groeten uit een bewolkt León, waar af en toe weer een beetje hemelblauw tevoorschijn komt.