woensdag 17 juni 2009

Avé, avé… (2)

Eenentwintigste dag
Woensdag 17 juni 2009
Maubourguet – Lourdes, 51 km

‘De bonkige, stoppelig bebaarde Jacques, door zijn vrouw liefkozend Jacky genoemd, wist ons de hele nacht te boeien met een onvoorstelbaar breed en divers scala aan slaapgeluiden, variërend van het diepe, vervaarlijke gegrom van een oeros tot iele, liefdevolle verzuchtingen na een geslaagd liefdesspel, afgewisseld met velerlei a-muzikaal gebombardon en onverstaanbare dialoogachtige passages. Met deze mix van ingrediënten zou Shakespeare ongetwijfeld een nieuw litterair drama aan zijn toch al rijke oeuvre hebben kunnen toevoegen: The Snarking Streetburger… of To Sleep Or Not To Sleep. Overbodig op te merken dat er onder deze luidruchtige omstandigheden nauwelijks sprake kon zijn van een verkwikkende nachtrust.’
Ik schrijf dit om zes uur op de veranda bij het muzikale ochtendgetwinkel van onze gevederde vrienden. Gelukkig valt de schade mee vandaag. Er staat een overwegend vlakke rit op de rol, die ons gisteren na het bloggen door de campingbaas geadviseerd werd. Niet meer dan ongeveer 50 kilometer door het brede dal van de Echez.

Even na negenen gaan we op weg. Het blijkt al snel niet zo lekker te lopen. Nog lange tijd draag ik de geluiden van onze Ronkende Reutelaar - of Reutelende Ronker; what’s in a name… - als een vervelende oorwurm bij me. Dat is echter niet de reden. De hele weg vandaag voert vals plat omhoog. Het blijft vermoeiend doortrappen tegen de stroomrichting van de Echez, die ontspringt in de buurt van Lourdes, in. We stijgen van ongeveer 150 meter naar bijna 400 meter, terwijl je het niet aan de weg ziet. Niet best voor het moraal. Daarbij neemt de hitte vrij snel toe.

Na ruim 30 kilometer besluiten we tot een stop in de schaduw van de platanen op een terras in Ibos met de naam ‘Les Platanes’. De oorsprong van namen kan soms weinig aan duidelijkheid te wensen overlaten. De gevels van de huizen in deze regio zijn prachtig versierd met ronde keien in vaak de mooiste patronen. Ieder vogeltje bouwt zijn nest van materialen die in de omgeving het meest te vinden zijn. Zo gaat het ook bij mensen. Ze wonen hier op een traag aflopende puinkegel van sedimenten uit het hooggebergte. De grond is vergeven van deze rond afgesleten keien. Je ziet dan ook geen akkers; de sterkste ploegen zijn niet tegen deze grond bestand. Ook de kerk in het dorp is ogenschijnlijk helemaal uit deze keien opgebouwd.
De bergen komen steeds dichterbij … eigenlijk andersom, want wij zijn Mozes niet. Enkele kilometers voor Lourdes kopen we een heel kistje nectarines, 18 voor 5 euro. We eten er meteen een paar. Dat doet goed.

Om een uur rijden we Lourdes binnen, voor het eerst met stralend weer. Al vrij snel zien we een wegwijzer naar camping De la Poste. Hier was ik met John elf jaar geleden en ook Frans en Gerry ‘stonden’ hier ooit een paar dagen. Bekend terrein dus. Zeker als er nog steeds niets veranderd blijkt. We checken in, installeren ons, doen de noodzakelijke was en zoeken de schaduw op om te rusten. Terwijl ik dit schrijf ligt Frans languit op zijn schuimmatrasje en probeert af en toe de Snarking Streetburger naar de kroon te steken. Maar dan moet je van bijzonder goede huize komen. Frans’ pogingen zijn dan ook te kwalificeren als een uiterst matig aftreksel van de grote kunst van de meester. Jacques dus. Niet te verwarren met de gelijknamige Saint, waar we over zeventien dagen hopen aan te komen. Het aftellen is begonnen.

Straks gaan we boodschappen doen, naar het internetcafé Le Carrefour om dit allemaal op de blog te zetten (zie foto), daarna koken en vanavond naar de lichtprocessie. ‘Avé, avé, avé Maria‘… het zal ons ongetwijfeld weer kippenvel bezorgen.
Tot zover dit bericht uit Lourdes. We verzorgen nu alvast de blog omdat het straks na de processie te laat is.
Mochten er vanavond nog schokkende dingen gebeuren, dan zullen wij daar morgen op terugkomen. In Oloron Sainte Marie.
Groetjes vanuit het allesbehalve koele zuiden.

dinsdag 16 juni 2009

De Pyreneeën in zicht


Twintigste dag
Dinsdagdag 16 juni 2009
Castéra-Verdurzan - Maubourguet, 74 km

Vandaag begint de tweede helft. Niet door een fluitje van een of andere scheidsrechter, maar door het ontwaken in een gerieflijk, maar toch ietwat te zacht hotelbed. De vermoeienissen zijn eruit geslapen. Op het moment dat de klok van de oude kerk acht slaat zijn we alles op de fietsen aan het binden. Daarna het déjeuner, op z’n Frans: croissants, baguets, veel jam, een eitje, fruit. De eieren blijken niet gekookt. Daar komt Frans achter als hij het met een ferme tik van zijn mes onthoofdt… het moet eerst in de eierkoker. Hoelang? Dat weet geen mens. Frans’ tweede onthoofding loopt ook al uit op een kliederig drama (zoiets als de destijds mislukte paaseieren van oma). Daarna blijkt de derde keer andermaal scheepsrecht. Mijn neus lijkt ook wel van bladerdeeg, want er valt een losgeraakt velletje op mijn bord. Als dat zo doorgaat zie ik eruit als een verweerde Egyptische sfinx als ik thuis kom.
Om kwart voor negen stappen we op voor de tweede helft van onze tocht. De twintigste dag alweer. De eerste dertig kilometer voeren ons licht golvend op en af door rivierdalen. We doen het rustig aan, stappen af waar we het leuk vinden en nemen alle tijd. Het weer werkt mee. Het is bewolkt, af en toe een flauw zonnetje, niet te koud en niet te warm. Perfect fietsweer.

Rond half elf , tijd voor een stop, rijden we L’Isle deNoé binnen, een oud, enigszins vervallen dorpje met een veel te smalle dorpsstraat waar vaak zwaar verkeer doorheen moet. Het enige cafeetje is nog dicht. Ik vraag een passerende dame of er misschien nog een ander café is. Helaas niet. Maar zij wil ons wel een kop koffie aanbieden. Waar? Op de Mairie. Zij is de secretaresse van de maire. Bijzonder aardig. Wij volgen haar naar het kantoor, waar zij kennelijk de enige gemeenteambtenaar is, en voorziet ons van een plastic bekertje sterke instantkoffie. Vervolgens krijgen we een lesje lokale geschiedenis waaruit blijkt dat de naam van de ‘commune’ niets te maken heeft met de oude Noé en zijn bekende ark, maar met de naam van de vroegere adellijke familie die generaties lang de gebiedende heren waren van het dorp en de wijde omtrek. Nadat ze een stempel geplaatst heeft in ons credencial nemen we afscheid van deze aardige dame, die straks thuis ongetwijfeld weer een leuk verhaal te vertellen zal hebben.

Onze volgende stop maken we halfweg in het oude vestingstadje Montesqiou, uiteraard hoog op een heuvel. De torenklok slaat twaalf als we achter een ‘chocolat chaude’ zitten, met de Nesquick op tafel… Een Nederlandse vrouw maakt een foto van ons beiden voor de blog. Intussen staat de waard met een gast onze fietsen te bekijken. Hij informeert naar de ‘moteur’; ik wijs op mijn benen… juist, dat had hij bedoeld. Het is een ontspannende dag tot nog toe. Het klimmen gaat me goed af, en Frans, die het een heel stuk rustiger aandoet dan normaal, eveneens. We kunnen hier uiteraard niet onze ‘ontbijtdoos’ op tafel zetten om te lunchen. Dat doen we zeven kilometer verder (na twee klimmen) op een werkelijk schitterende plek: een overdekte ‘aire’ met water en toiletten, zij het in redelijk aftandse staat. Voor ons ligt een meertje en daarachter een dorp op een heuvel met een enorme toren, Bassoues, waar we naar toe moeten.
Als we na een lange klim van 8 procent in het centrum aankomen zien we een enorme marktplaats, helemaal overdekt met een gigantisch authentiek kapwerk. Ongelooflijk mooi. Langs de kant zitten mensen op terrasjes te eten. Er komt iemand naar ons toe, een Nederlander.
“Ik zag meteen dat jullie pelgrims zijn. Aan de schelpen. Ik ben ook op de fiets bij Sint Jacques geweest en al die bergen omhoog gereden. Ibañeta, Cruz de Ferro, de Pojo… daar is de klim hiernaartoe een molshoop bij… dan weten jullie dat alvast.” Je hebt af en toe iemand nodig die je moed inspreekt. Hij wil graag een foto van ons tweeën maken, nou ja, een hele serie. Voor de blog. We komen leuke mensen tegen vandaag.

Even voor drie uur maken we na zestig kilometer een laatste tussenstop in Marciac. Er hangt onweer in de lucht, dus we besluiten om even te blijven en af te wachten waar het naar toe trekt. Als ik in mijn routeboekje kijk zie ik een aantekening die ik ooit van internet geplukt had. De camping in Maubourguet beschikt over een speciaal chalet voor pelgrims, dat telefonisch gereserveerd kan worden. En het lukt! Voor vandaag zijn we weer letterlijk onder de pannen. Maar eerst moeten er nog drie forse klimmen gemeesterd worden. De laatste zes kilometer voor Maubourguet zijn verrassend ‘Hollands vlak’. En in de heiige verte… zien we ze: de besneeuwde toppen van de Pyreneeën! Je krijgt zo’n gevoel van een kind op schoolreisje, dat begint te zingen van “We zijn er bijna… maar nog niet helemaal”.
Even vallen er een paar druppeltjes. Alsof Pluvius zich even bescheiden meldt: “Hier ben ik toch nog even, jongens. Sorry van gisteren. Maar vandaag heb ik jullie gematst. Ik heb vriend Donar gevraagd om het onweer langs jullie te sturen...” Toch aardig, die Pluvius.

Op de camping worden we vriendelijk ontvangen door een leuke blonde vrouw, die ons naar het chalet brengt. Een lekker gevoel. Het regent licht, en wij zitten vanavond droog. Zelfs de fietsen kunnen op de veranda onder de overkapping. Dan voel je je rijk. Wat later krijgen we gezelschap van medepelgrims, een Frans echtpaar uit Strassbourg, te voet op weg naar Spanje. Zij gaan eten in een restaurantje. Intussen hebben wij ‘stormfreie Bude’ om zelf te koken. De dag van gisteren was een behoorlijke aanslag op onze gezamenlijke kas. Maar het was nodig, en het heeft resultaat gehad.
Aardige lui, die Fransen. De nacht moeten we nog maar afwachten.
Groeten uit ons Franse chalet. Morgen gaan we naar Lourdes. Daar verheugen we ons nu al op. Maar ook op jullie reacties. Elke dag weer een feest.

maandag 15 juni 2009

Opnieuw visite van Pluvius




Negentiende dag
Maandag 15 juni 2009
Moissac - Castéra-Verduzan, 84 km

Na de twee halve rustdagen van het weekend in Cahors en Moissac is het vandaag weer ’just another manic Monday‘. Een echte werkdag. Die begint al met het inpakken van de tent, die van binnen en van buiten werkelijk door- en doornat is. De lucht is bewolkt, windstil, een beetje onheilspellend. Het is ook vochtig, klam. Bij alles wat je doet breekt je spontaan aan alle kanten het zweet uit.

Om kwart vóór acht al rijden we de poort uit. Een record. De eerste 18 kilometer verlopen vlak via het jaagpad langs het kanaal. Dan komt de eerste klim. Meteen prijs. Negen procent. Het klamme weer zorgt voor de rest. Zweten als de neten. Veel drinken om vocht bij te zetten.
We halen vandaag veel pelgrims te voet in. De begroeting is altijd dezelfde: “Bonjour! Bon Camino!” De antwoorden zijn opgewekt in de zin van “Merci! À vous aussi!”

We rijden door het prachtige weidse heuvelland van de Gascogne. Alle plaatsen liggen boven op steile heuvels, vaak van Romeinse oorsprong en daarom strategisch gelegen. Deze plaatsen zijn onderling verbonden door wegen. Andere wegen zijn er niet. Je moet dus echt van dorp naar dorp, telkens die heuvel op en aan de andere kant weer omlaag… op weg naar de volgende heuvel. Miradoux is slechts te bereiken via een klim die supersteil begint. Terwijl ik dat eerste stuk loop - ja hoor - zie ik een vrachtwagen die zich verschakelt en niet meer verder komt. Na vele pogingen lukt het hem uiteindelijk de zaak weer vlot te trekken, gepaard gaande met de heerlijke geuren van verbrande koppelingsplaten. Frans rijdt overal flink naar boven, hoe steil ook. Waar haalt hij de kracht vandaan?

In datzelfde Miradoux (40 kilometer achter de wielen) maken we om half elf onze eerste pauze. Ook doen we alvast de belangrijkste inkopen in een kleine alimentaion. Op het terras lees ik in het routeboekje dat dit dorp lang geleden miraculeus ontsnapte aan zijn ondergang door op het juiste moment een processie te houden. De verhalen liggen voor het oprapen op ‘de weg‘.
Klokslag twaalf vinden we in het centrum Lectoure een idyllisch ogende picknicktafel onder grote kastanjebomen. De zon krijgt nauwelijks kans vandaag. We voelen af en toe een druppeltje. Net alsof Pluvius vanuit een schuilhoek fluistert: “Jawel mannen, ik ben er nog…” Dat blijkt later als we weer op weg zijn. Pluvius verwent ons met fijne regen die een heerlijke afkoeling betekent. Klimmen in de regen is een stuk aangenamer dan in de brandende zon. Dank je Pluvius, we genieten.
Dat had ik nou beter niet kunnen zeggen. Deze aanmoediging pakt totaal verkeerd uit. Hij weet van geen ophouden meer met zijn verkoelende gaven. Zelf rijden we door in ons fietsonderhemd. Het is niet koud, zelfs aangenaam en het spul voelt niet nat aan.
Maar de route wordt steeds zwaarder, doet op gegeven moment zelfs herinneren aan die verschrikkelijke dagen in de uitlopers van het Central Massief. Steile klimmen en afdalingen volgen elkaar steeds sneller op. Het valt me op dat ik bij elke klim steeds dichter in het spoor van Frans kan blijven. Ik voel me uitstekend.

Als we na 82 kilometer in de werkelijk stromende regen bij de camping van Castéra-Verduzon arriveren, blijkt Frans het ‘helemaal gehad’ te hebben. Hij voelt dat hij te ver gegaan is, voelt zich helemaal leeg… zelfs die oersterke Frans. De camping lijkt voor vanavond geen optie. De regen blijft aanhouden. Frans moet echt rusten, een bed. Geen Chambre d’Hôte aanwezig, ook geen gîte. Slechts twee hotels. Ik bel op vanuit een soort bushokje. Der Preis ist heiss: 65 euro. Toch zit er niets anders op. De juffrouw van de balie is zo vriendelijk ons een speciale pelgrimsprijs te rekenen van vijftig euro.
Frans gaat meteen plat. Rusten. Slapen. Daarna voelt hij zich beter. Gewoon te diep gegaan. Bovendien beginnen de dagen te tellen. Elke dag opnieuw moet er weer arbeid geleverd worden, en niet weinig. Het zijn lange dagen, die altijd eenzelfde patroon kennen: om 6 uur opstaan, beginnen met opruimen en inpakken (dit kost zo’n twee uur), vervolgens op weg (met boodschappen doen, zelfverzorgd lunchen onderweg) bij aankomst de tent weer opzetten, alles uitpakken, inrichten, douchen, de was doen, boodschappen doen, koken, afwassen… en tussendoor de blog bijhouden. Om tien uur is het bedtijd. Dag in dag uit. Een rustdag is wel eens welkom, maar valt ook wel eens ten slachtoffer aan gewijzigde omstandigheden.
Vannacht zullen we ongetwijfeld goed en vooral láng slapen. Onderweg wat rustiger aandoen en geen gemiddeldes meer willen maken van rond de 17-18. Best knap met onze zware bepakking…. Maar….

zondag 14 juni 2009

Demi jour de repos à Moissac


Achttiende dag
Zondag 14 juni 2009
Castelnau-Montratier - Moissac, 66 km

De nacht was lekker. De slaapzak konden we voor het eerst eens gebruiken als deken. Om zes uur is de tent droog, alleen wat condens aan de binnenkant. Het is een windstille ochtend. Er komen witte sluiers aan de blauwe lucht en even later is het volledig betrokken en wordt het mistig rond de toppen van de omringende heuvels.
Nadat we het bestelde brood bij de receptie afgehaald en nog een paar boodschappen gedaan hebben in de kleine alimentation bij de brug, gaan we op weg. De verwachte klimmen zijn lang, maar niet stijl. Het mistige weer is een weldaad bij het klimmen. Het is niet koud, we hoeven geen extra jasje aan. Ik moet er niet aan denken dat we hier in het benauwde weer van gisteren bij 32 graden en uitbundig gadegeslagen door de koperen ploert naar boven hadden moeten rijden. Het was in alle opzichten een wijs besluit, dat ons dan wel een rustdag kost. Maar bij de komende ritten zitten een paar halve rustdagen, demi jours de repos. Zoals vandaag.

We rijden door het gebied dat de voortreffelijke Cahorswijnen voortbrengt, waar ondermeer tsaar Peter de Grote zo verzot op was. Alleen kunnen we door de mist niet genieten van de panorama’s.
Een kleine 30 kilometer onderweg maken we na een laatste serieuze klim onze traditionele ‘chocolât-chaude-pauze’ in Castelnau-Montratier, onze oorspronkelijk geplande eindbestemming van gisteren. Een typisch plaatsje van deze streek, hoog op een heuvel pralend. Op een schilderachtig plein, omgeven door galerijen met ronde bogen, is markt. Toch is het rustig. Tegenover het terras is een geldautomaat waarvan we dankbaar gebruik maken om onze gezamenlijke kas te spekken. Het lijkt er even op dat de bewolking oplost om er een echte ‘zondag’ van te maken. Maar het zet niet echt door. Al kijkend naar de passanten merkt Frans plotseling op:
“Richtig inne sjoeëlmeester deë doa lup…”
“Wiezoeë minste dat te kinne zieë?” vraag ik verbaasd.
“Ja, zonne verdwaasde blik…”
Hij lachen. Ik zou bijna blij moeten zijn dat ik niet meer bij ‘dat gilde’ behoor…
Om kwart voor elf beginnen de klokken te luiden. Het stadje heeft een prachtige koepelkerk, een beetje in de stijl van de Sacre Coeur in Parijs. Als we daar aankomen zien we een bedaarde drukte van kerkgangers.
Buiten staat een groep 12-13-jarigen in lange witte gewaden. Als ze ons blikken met onze camera poseren ze lacherig als compacte groep. Ze hebben feest, hun ‘Confirmation’ - bij ons heet dat de hernieuwing van de doopbeloften of ‘de plechtige communie’. Binnen in de mooie, grote en lichte kerk gonst het feestelijk - Fransen praten gewoon hardop in de kerk, pas de problème - en een muziekensemble is bezig met inspelen. Een gezellige sfeer. Steeds meer mensen komen binnen, meestal hele families. Een bijzondere dag voor de besloten gemeenschap van dit heuvelstadje Castelnau. Daar horen wij niet bij.
We dalen af naar het dal van de Lupte, een pracht van een bochtige afdaling van vier kilometer. In de bochten zien we hoog boven ons het stadje dat we verlaten hebben. De camera smeekt om het te mogen vastleggen.
Het dal is weids en de weg loopt golvend tussen de heuvels door. Anders dan gisteren toen we tussen steile krijtrotsen door reden.
Het blijft bewolkt en nagenoeg windstil. Dichtbij Moissac vallen zelfs een paar verdwaalde druppels. We passeren een grote Intermarché. Aan de auto’s op de parkeerplaats valt op te maken dat ze open is . Bij de ingang staat echter iemand die de laatste klanten naar buiten laat en geen muis meer naar binnen. Jammer. Op het plein staat een kraampje met gegrilde haantjes en heerlijke beenham. De haantjes zijn al koud, maar de beenham ziet er verrukkelijk uit. Als we na een stukje geproefd te hebben twee dikke plakken bestellen, krijgen we er nog twee kop- of staartsneeën gratis erbij. Voor straks op het brood bij onze lunch op de camping.
De receptie van de Municipal is zoals gebruikelijk onbemand. We vinden een prachtige plek zogezegd in de voortuin van het toiletgebouw. Het voelt alsof wij een privé sanitairblok hebben - we vragen ons zelfs af waarom die vreemde mensen er gebruik van maken zonder ons te vragen…
Het is inmiddels weer erg benauwd geworden. Als de tent staat leggen we ons te rusten in de schaduw. Eigenlijk geen weer om nog iets te ondernemen. Toch pakken we om kwart over drie de fietsen voor een bezoek aan de stad.
Moissac, gelegen in de streek waar de Tarn en de Garonne samenvloeien, is beroemd vanwege het grote gebeeldhouwde kerkportaal, een van de grootste meesterwerken van de 12e eeuw, vol symboliek uit de romaanse tijd van de Middeleeuwen. De vermaarde koning Clovis gaf de stad in 506 haar naam, wellicht ook leuk om te weten.

We maken veel foto’s, krijgen een stempel voor onze credencials, en fietsen in lichte regen terug naar de camping. Niet erg om in deze warme een beetje nat te worden, eerder lekker. Omdat we geen open winkel hebben gevonden blijft er weinig anders over dan vanavond een restaurantje te gaan zoeken.
De weersverwachtingen voor de komende dagen zijn niet slecht. Alleen morgen onweersbuien, overmorgen bewolkt, maar daarna weer zonnig met temperaturen van rond de 30 graden. Dat wordt weer zweten!
Groetjes ut Moissac.

zaterdag 13 juni 2009

Gezond verstand, verantwoordelijkheid…

Zeventiende dag
Zaterdag 13 juni 2009
Rocamadour – Cahors, 73 km

Vanuit Rocamadour zie je aan de overzijde tegen de rotswand de weg vanuit het dal indrukwekkend langs de rotswanden omhoog lopen. Over deze weg zouden we verder moeten. Er komen zelfs drie klimmen achter elkaar, naar 237, 336 en 425 meter! Dat belooft wat. Een korte blik op de kaart doet ons besluiten een alternatieve route te nemen. Niet helemaal de vallei in met de gevolgen van dien, maar lekker ‘bovenover’ via Gramat. Dat is wel dik vijf kilometer om, maar onnodige zware klimmen worden zo vermeden.
Als we om kwart over acht vertrekken is het al warm. Er staat een bloedhete dag te wachten. Alleen al daarom is de planning niet meer heilig. In Cahors zullen we beslissen wat we doen.


Als ik de top bereik van een van de vele klimmen - in dit landschap kunnen ze immers geen vlakke wegen aanleggen…- staat Frans te praten met een Nederlands echtpaar, fietsend op weg van Lourdes naar huis. Ook zij wijken regelmatig af van de ‘Oude Wegen route’, samengesteld door Clemens Sweerman, die kennelijk in elke klim een plezierige uitdaging ziet. Dat geldt slechts in zeer beperkte mate voor zwaar bepakte fietsers zoals wij - zelfs als we op de top in een gehucht aankomen dat Plaisir heet…

Wachten op May...



Als we om kwart voor elf na 32 kilometer in het hooggelegen Labastide-Murat een terrasje pikken - niet letterlijk, we laten het gewoon staan als we weer vertrekken, stel je voor… - is het al dik 25 graden. En die twee Hollanders vragen om warme chocolademelk… rare jongens, die Hollandais, zie je ze denken.
De naam Murat heb ik eerder gehoord. Hij was een zwager van Napoleon, die - familiemens als hij was - hem tot koning van Napels liet kronen. Deze Joachim Murat werd hier geboren, waardoor de gemeentenaam Labastide spontaan een toevoeging kreeg… en zijn geboortehuis als museum werd ingericht. Murat werd gefusilleerd. Het kan verkeren. Op onze route liggen de drama’s voor het oprapen.

Vanaf Labastide-Murat volgt een lange afdaling. We komen er echter te laat achter dat we op de verkeerde weg zitten. Rechtsomkeer en weer omhoog, op zoek van de afslag die we hebben gemist. Een boer wijst ons een mooie afkorting. Deze weg mag je namelijk beslist niet missen: het is een onovertroffen heerlijke afdaling van kilometers naar het dal van de Vers, die een heel eind verder uitmondt in de Lot, hier uitgesproken als Loo. Het dal is aan beide kanten schilderachtig afgebakend door hoge steile krijtrotsen. Het riviertje kent verschillende sprookjesachtige stroomversnellingen, zo fraai dat ze in een zwemparadijs van Centerparcs niet zouden misstaan.



Onderweg passeren we St.-Martin-de-Vers, een Anton Pieck-achtig dorp, met een knots van een kerktoren, die meer lijkt op een kasteel. Ook weer gebouwd om in vroeger tijden de plaatselijke bevolking een veilige schuilplaats te bieden tegen rondtrekkende legers. We fietsen letterlijk door de rijkdom van de geschiedenis.

Vandaag horen we voor het eerst het snerpende geluid van de cicades, hier cigalles genoemd, die overigens niet verward mogen worden met krekels. Het meelijwekkende leven van deze luidruchtige insecten speelt zich voor het grootste deel ondergronds af in de gedaante van ‘stille larve’; waarna ze dan eindelijk in alle vrijheid het luchtruim mogen kiezen. Helaas echter slechts enkele dagen. Ze sjirpen en snerpen zich letterlijk naar hun levenseinde. Over perspectiefrijke toekomstverwachtingen hoeven we het verder dus niet meer te hebben.

In Vers, na zesenvijftig kilometer, vinden we een bankje in een kastanjelaantje om onze lunch te gebruiken. Zoals altijd smeert Frans de boterhammen. Het is heet. De kerk slaat een uur. Nog 16 kilometer naar Cahors en daarna nog 25 met enkele langere klimmen.


Als we om twee uur met ruim zeventig kilometer op de tellers in Cahors aankomen, hebben we een diepgaand overleg of het wel verantwoord is om nog verder te rijden. Het is intussen 32 graden, geen zuchtje wind en broeierig. Ik stel voor om hier onze tent op te slaan en de route voor de komende dagen aan te passen. De Fransen hebben niet voor niets ‘s middags alles gesloten, en houden niet voor niets een middagslaapje. Daaraan kunnen wij, gekke Hollandais, ons het beste maar aanpassen.
Enige tijd later liggen we in de schaduw van de bomen rond onze tent te rusten en nemen ons voor om voor de rest van de dag slechts het hoognodige te ondernemen. Boodschappen doen, koken. Frans maakt gebruik van het zwembad terwijl ik de blog bijwerk op het terras. De stad bezoeken we in de vooravond, na het eten.

Cahors is aan drie kanten ingesloten door de Lot. Het is een oude stad waar onder andere een van de in Avignon gekozen schismapausen resideerde. De prachtige, uit 1119 daterende kathedraal, genoemd naar St.-Etienne, is een bouwkundig hoogtepunt. De romaanse koepelgewelven behoren tot de grootste uit de stijlperiode van destijds. Het portaal is volgens de kenmerken van de school van Moissac rijk gebeeldhouwd en een dankbaar onderwerp voor ontelbare fotolenzen. Vroegere pelgrims bezochten hier een relikwie die volgens zeggen afkomstig was uit de lijkwade van Christus.
We volgen met de fiets de historische pelgrimsroute door de stad. De beroemde Pont Valentré met drie torens en poorten op de bogen is een van de mooiste vestingbruggen van Europa. In de middelste toren ontbreekt een steen. Op die plek is een klein duiveltje zichtbaar. Een oude legende verklaart dit nader. De bouw lag ooit een tijdlang stil. De duivel bood zijn hulp aan: er kon worden verder gebouwd als de bouwheer na voltooiing zijn ziel aan hem zou afstaan. De man was dan wel van gisteren, maar niet figuurlijk. Slim redde hij zijn ziel door de laatste steen van de middelste toren niet te laten metselen… en op die plek staat nu dat duiveltje.



Hier de aangepaste route:
Zondag 14 juni - Cahors - Moissac, 65 km
Maandag 15 juni - Moissac - Castéra-Verduna, 80 km
Dinsdag 16 juni - Castéra Verduna - Maubourguet, 70 km
Woensdag 17 juni - Maubourguet - Lourdes, 60 km
De rustdag in Lourdes vervalt, omdat de routes ingekort zijn en te beschouwen vallen als ‘halve rustdagen’.


Vanavond, terwijl wij Cahors bezoeken, vieren John en Karin feest; John wordt zestig, en samen ze zijn 35 jaar getrouwd. Proficiat van ons uit het oude Cahors.

vrijdag 12 juni 2009

Rocamadour… een historisch sprookje




Zestiende dag
Vrijdag 12 juni 2009
Chapelle aux Brocs – Rocamadour, 56 km
Om kwart voor zeven zitten we aan het ontbijt aan ‘ons’ picknickzitje. Wat is ‘t stil hier. En koel. Alles is superbedauwd, dikke druppeltapijtjes parelen op alles om ons heen. Het kon wel gestortregend hebben. We zijn er extra vroeg uit vandaag om niet te laat in de middag in Rocomadour aan te komen. De tent enigszins droog krijgen vergt veel tijd.
Om kwart over acht pas verlaten we deze verrassende minicamping. Eerst zevenhonderd meter stijl omlaag en daarna meteen omhoog, drie kilometer aan 8% liefst. Later komen er nog meer klimmen. Van de eerste tien kilometer vandaag moeten we er liefst acht diep in de beugels. Et zweet gutst! Als we de hoogte bereikt hebben kiezen we voor de ‘gele weg’ op de kaart en laten de ‘paarse’ pelgrimsroute voor wat ie is. Dit rijdt een stuk comfortabeler. Het weer is schitterend. Vanmiddag zou het 30 graden kunnen worden, maar dan hopen we niet meer op de fiets te zitten.
Na 17 kilometer passeren we Turenne, een geweldig oud stadje op de top van een steile heuvel; het doet een beetje denken aan Mont St.-Michel. Op de top staan opzichtig de resten geëtaleerd van wat in een ver verleden ooit eens een machtig kasteel was. Ook Nederland is hier min of meer vertegenwoordigd. De 17e-eeuwse kerk werd voltooid door Elisabeth van Nassau, een dochter van onze Vader des Vaderlands, Willem van Oranje.
Van hieruit rijden we, opnieuw via de alternatieve D8 door het dal, het departement Lot (spreek uit ‘Loo’) binnen. In Les Quatre Routes du Lot (wát een naam voor een dorp!) maken we een eerste pauze. We hebben 26 kilometer achter de wielen met een klimmend gemiddelde van ruim vijftien. Na de ‘chocolat chaude’ gaat het zeven kilometer omhoog naar het middeleeuwse Martel. Dit stadje ontstond door toedoen van mijn bloedeigen voorvader Karel Martel, de opa van de illustere Karel de Grote. Na zijn historische overwinning op de Moren in de heuvelachtige ommelanden van Poitiers liet hij in 732 hier een kerk bouwen. Eromheen kwam het stadje tot ontwikkeling. Het staat nu bekend om zijn zeven torens, de blikvangers van enkele oude kerken. Het Hôtel de Ville (geen hotel om te overnachten; slapen mogen daar alleen de gemeenteambtenaren…) is gevestigd in een markant vestingachtig gebouw uit de 14e eeuw. In het centrum staat ook een met hout overkapte markthal waar specialiteiten uit de streek aan de man gebracht worden, zoals walnoten - uiteraard - en truffels, die in de haute cuisine gebruikt worden. Dat is aan ons niet besteed, want wij houden als energieverslindende fietsers alleen maar van volle borden met veel koolhydraten en rauwkost..!
Steeds meer zuidelijke invloeden doen zich gelden, niet alleen in het landschap en de plantengroei maar ook in de bouw van de kerken. In dit gebied waar regelmatig oorlogen en veldslagen voorkwamen moesten ze voor de geplaagde bevolking ook bruikbaar zijn als toevluchtsoord bij gevaar. Opvallend zijn ook enorme weiden vol notenbomen.
Het is een fantastische fietsdag vandaag, een van ah’s en oh’s. Kort na Martel komt weer zo’n moment in de vorm van een wondermooie afdaling naar het dal van de Dordogne met zijn kalksteenrotsen. Zo komen we in het vakantieoord Meyronne, waar twee campings liggen en veel gekanood wordt. Maar nergens een bankje om even te kunnen eten.
Dat doen we ten langen leste ergens in de berm, met een rotsblok als zitplaats. Het routeboekje kondigt een klim aan van twee kilometer aan 7 procent… daar kun je niet met een lege maag aan beginnen. Het is inmiddels warmer geworden. De zon steekt en begint zijn naam als ‘koperen ploert’ voelbaar waar te maken. Een kilometer of wat na deze pauze worden we rechtsaf gedirigeerd… eigenlijk meer rechtsóp: als een muur stijgt een smal hobbelig binnenweggetje omhoog. Nauwelijks schaduw. Een stuk steiler dan de ‘beloofde’ 7 procent. Frans valt de helling aan met de van hem bekende krachtige pedaaltred. Ik blijf achter. Het zweet loopt in mijn ogen. Ik stap af, bind mijn helm op de bepakking, zoek ergens een doekje om de saunadruppels tijdig weg te vegen, en zet moeizaam de hete helletocht voort… eigenlijk meer de ‘drekkige Himmelfahrt’, want het gaat bepaald niet omlaag. Deze verschrikkelijke beklimming naar Mayrinhac zal me tot in lengte van dagen bijblijven. Wie verzint zoiets om een dergelijk weggetje op te nemen in een route voor zwaarbeladen fietsers..?! Daar zijn we het allebei roerend over eens.
Gelukkig is het vervolg een stuk aangenamer. De weg loopt verder over een heuvelrug richting Rocamadour. Het plaatsje l’Hospitalet, waar we tegen half twee aankomen, wordt van Rocamadour gescheiden door de enorme, gapende kloof van de rivier de Alzou.
Minutenlang staan we aan de rand van het dorp te genieten van het onvergetelijke panorama op het tegenovergelegen kunstwerk van boven elkaar en half in de rotswand gebouwde huizen, kloosters en kerken. Het lijkt er allemaal haast tegenaan geplakt. Indrukwekkend, hoe hebben ze het klaargespeeld. Thuis heb ik er al een hele tijd van genoten, want al maanden siert dit panorama het bureaublad van mijn ‘ordinateur’. En ik ben er nog steeds niet op uitgekeken. Voor Frans is dit volslagen nieuw. Hij is sprakeloos.
De camping heet Le Comp’Hostel, een toepasselijke naam voor ons. Na het laten drogen en opzetten van de tent, waarbij andermaal blijkt dat prehistorische werktuigen als dikke stenen nog steeds niet afgeschreven hoeven te worden om haringen in de stenige grond te krijgen, en een kop lekkere zelfgezette soep, begeven we ons naar het stadje aan de overkant van de kloof. Er loopt over de hoogte een weg omheen, zodat we boven kunnen beginnen en langzaam afdalen. Boven in de rotswand steekt een zwaard, volgens de legende het beroemde zwaard Durandal van Roland, de paladijn van Karel de Grote, die in Roncevalles een tragisch einde vond. Als we daar zijn, zal ik er meer over vertellen
Rocamadour dankt zijn naam aan de kluizenaar Amadour, die hier in de elfde eeuw zijn leven sleet, en vervolgens heilig verklaard werd. Door de aanwezigheid van de Zwarte Madonna, een wonderbeeld, groeide de plaats snel uit tot een belangrijk Europees bedevaartsoord, dat ook aangedaan werd door pelgrims op weg naar Santiago… zoals wij nu als zoveelste in een eeuwenlange rij. Ook werden vroeger vaak boetelingen door de rechters naar Rocamadour gestuurd. Niet alleen pelgrims en criminelen, maar ook vele graven, koningen en bisschoppen vonden hun weg hier naartoe. Hun namen staan in Gotische letters geschilderd op een groot bord tegen de rotswand om ‘voor altijd’ in de herinnering te blijven van het mensdom dat nog steeds massaal toestroomt.
Als we in de kapel van de Zwarte Madonna zitten komt een Franse rondleidster binnen met een groep en begint een verhaal af te steken over de geschiedenis en de wonderweken van de Zwarte Madonna. Al zij uitgerateld is vragen we haar voor een stempel op onze credencial. Die geeft ze graag in een speciaal kantoortje. Ze is zeer geïnteresseerd en vraagt honderduit. Je voelt je als pelgrim serieus genomen.
Vanuit het laaggelegen centrum leidt de ‘Grand Escalier’ omhoog naar de heiligdommen; de Grote Trap van 216 ruwe treden, die je tegenwoordig nog af en toe door mensen op hun blote knieën beklommen ziet worden als finale boetedoening. En Frans? En ik? Nee, ons geweten is schoon genoeg. Wij lopen trouwens de trap omlaag…
Als we beneden aankomen constateren we dat het huidige Rocamadour weinig verschilt met ons Valkenburg. Souvenirshop aan souvenirshop, overal praktisch hetzelfde te koop. Daar ben je snel op uitgekeken. We nemen de lift naar boven… jawel, de heren.
We doen boodschappen, koken onze maaltijd in de schaduw van een boom en genieten een uiterst calorierijke maaltijd. Morgen wordt het weer een zware dag, die begint met een afdaling in de kloof, gevolgd door een lange klim eruit. Ook de rest is niet mals. We krijgen het bepaald niet cadeau.
Groetjes uit Rocamadour.

donderdag 11 juni 2009

Het volgende meevallertje


Het hele huis van het echtpaar Bradbury - ik dacht gisteren nog dat ze Steward heetten - ruikt naar gebakken spek en ei als ik de slaapkamerdeur open. Bacon and eggs. English breakfast. Alleen voor Stuart en Pauline, of ook voor ons?
Buiten is het bewolkt met af en een straaltje zon. De lucht ziet er nog niet uitgeregend uit. Er zijn gisteren weer de nodige emmers uitgevallen. Toen we uit eten waren motregende het een hele tijd, later op de avond gevolgd door echte plensbuien. Dan is het maar goed dat je niet in een tentje ligt. Volgens de méteo komt er vandaag een weersverbetering. Droog en 21 à 22 graden. Geweldig fietsweer. Vanaf vrijdag briljant met 30 graden… eigenlijk wat teveel van het goede.
We zaten hier goed bij de Bradbury’s. Vooral gisteravond na het ’blogwerk’ was het nog lang gezellig. Stuart,gesierd met een zelf bekostigde enorme buikpartij, kan over van alles meepraten. En Pauline, voormalig teacher, eveneens. Nee, aan gespreksstof geen gebrek. Pauline maakte nog een hot chocolate met een scheutje brandy voor ons klaar. En Stu adviseerde ons vandaag een andere, minder zware route te nemen naar Donzenac. Dat gaan we vandaag proberen.
Om kwart over acht zitten we aan een weelderig ontbijt, stijlvol opgediend in de voorkamer. De hele tafel staat vol: croissantjes, broodjes van bladerdeeg, gewone broodjes, geroosterde sneetjes, sinaasappelsap, koffie, melk, muesli, verschillende soorten jam, chocoladepasta. Een hoorn des overvloeds. Zelfs nog een yoghurttoetje na. We besluiten de vijf euro, die Frans gisteren afgepingeld heeft, alsnog te geven. We krijgen een visitekaartje om een kaart te sturen als we in Santiago zijn aangekomen. Leuke mensen, die Engelsen.
Om kwart voor negen verlaten we 17 Rue d’Arsonval, nagezwaaid door Pauline. Onze vijftiende fietsdag, de eerste van de derde week alweer. We komen er al snel achter - nou snel… - dat de goede Stuart ons een prachtige fietsweg gewezen heeft. Weliswaar is er na een lange en koude afdaling vanuit St.-Germain een lange en uiterst pittige beklimming voor nodig, daarna rijden we op de D920 over een heuvelrug zuidwaarts. Op z’n tijd wel af en toe een lang uitgestreken klim, die daarom niet zo steil is, maar het schiet heerlijk op. Eindelijk weer eens ‘gewoon fietsen’. Links omlaag kijkend zien we de heuvels waarop we eigenlijk hadden moeten afzien zoals de afgelopen dagen. Waarom rijden we niet daar? We hebben geen greintje schuldgevoel. Het gaat erom dat je in noordwest Spanje komt… tóch? En wegen zoals deze (een voormalige Route Nationale die zijn betekenis verloren heeft door de aanleg van de autoweg, en daardoor ook nog eens helemaal niet druk is) werden ooit niet voor niets aangelegd. Met name voor bespannen wagens van reizende kooplieden, de expediteurs van vroeger; de hellingen moesten ‘te doen’ zijn. Zoals ook nu voor ons. Waarom overkomt ons dit? Waarom lopen we op een moment dat we even zelf niet meer weten uitgerekend deze Stuart Bradbury tegen het lijf, die ervoor zorgt dat we vandaag op een ontspannen manier naar de volgende bestemming kunnen? Er lijkt meer tussen hemel en aarde dan wij kunnen vatten.
Onderweg passeren we het gehucht La Croix de Fer, het ijzeren kruis. Dat doet meteen denken aan het hoogste punt van onze reis straks in Spanje, Cruz de Ferro, waar we onze steen op de grote hoop zullen gooien. Maar zover is het voorlopig nog lang niet.
Na 25 kilometer - de weg is nog korter ook - rijden we Uzerche binnen. Interessant voor mijn afstamming. Volgens de overlevering speelde deze stad een belangrijke rol bij de strijd tegen de Moren van Karel Martel, mijn oude voorvader. Na de slag bij Poitiers in 732 - ik was er op de voormalige slagvelden met John in 1998 op weg naar Lourdes - was Uzerche zeven jaar lang belegerd geweest maar nooit ingenomen! We komen Karel morgen nog eens tegen.
Het schiet lekker op via die D420, die bij het binnenrijden van het departement Correze verandert in D920. Heerlijk fietsen. Mijn zitvlak heeft zich intussen weldadig aangepast aan het nieuwe zadel, dat ik gisteren toch nog anderhalve centimeter naar achteren verplaatst heb. Een gouden greep.
Om half één al zijn we op onze geplande eindbestemming, Donzenac, een prachtig stadje, uiteraard weer boven op een heuvel. Met slechts 52 kilometer op de teller. We hebben door de heuvels een gemiddelde gereden van 18! Nadat we eerst op een terras gezeten hebben, maar weer vertrokken zijn vanwege de schandalig hoge prijzen, zitten we te eten uit de ‘ontbijtdoos’ op een stenen bankje tegenover de Mairie. We besluiten een eind verder te rijden, de eerste afwijking van onze planning. In positieve zin dan. Na de stad Brive la Gaillarde is een boerderijcamping, opgezet door Nederlanders. Die info hadden we van Willemien - hoe zou het met haar zijn..?
Brive la Gaillarde blijkt een verrassend grote stad, gedrapeerd tegen de heuvels, een beetje als Luik. We kijken onze ogen uit als we vanaf de hoogte in de stad neerdalen. Op een terrasje ‘vergeet’ een serveerster Frans het wisselgeld terug te geven; hij laat het er niet bij zitten en zet een politionele achtervolging in om even later met zijn rechtmatige buit terug te keren aan ons tafeltje. Zo doet het Ministerie van Financiën het ook, want Frans beheert onze gezamenlijke beurs, onze ‘kas’. Die is dus in uitstekende handen.
Tien kilometer na Brive (via de D921) bereiken we na een pittige klim - waarbij het laatste stukje voor mij een noodgedwongen voetreis wordt, terwijl Frans het wél haalt - de veronderstelde ‘boerderijcamping’ in Chapelle aux Brocs. Een boerencamping is het allesbehalve. De officiële naam Domaine la Chapelle onderstreept dat.
Wat Ronald en Angelique Maessen hier in zeven jaar opgebouwd hebben, is schitterend. Gebouwen piccobello in orde, perfecte inrichting, prima restaurant. Fantastische ligging, geweldige panorama’s. Really a place to be - de Engelsen laten hun sporen na.
Opnieuw een prachtige meevaller voor ons dat we hier 'toevallig' terecht mochten komen. Er wordt ‘boven’ goed voor ons gezorgd.
Bovendien is er internet, waardoor we opnieuw het laatste nieuws kwijt kunnen.
Jullie reacties zijn werkelijk prachtig. Een feest om ze te lezen en op die manier ’bij elkaar’ te zijn.
Tot morgen in Rocamadour!