zaterdag 6 juni 2009

Nevers wordt steeds onvergetelijker




Nog steeds de tiende dag
Rustdag Nevers


De rest van de dag heeft het geregend. Toch hebben we in deze stad (uitgesproken als Nevèèèr) een onvergetelijke dag beleefd, zoals jullie al hebben kunnen lezen in het vorige bericht van vanmiddag. Ik dacht toen dat we het wel gehad hadden voor vandaag. Maar verre van dat.
Rond zeven uur lopen we weer in onze pelgrimsuitmonstering naar de stad om een ‘plat de jour’ te gaan nuttigen in het internetcafé. Overigens een heerlijke maaltijd voor 7 euro 90.
Op weg ernaartoe komen we langs de kathedraal en horen binnen prachtige koormuziek klinken.
Naar binnen natuurlijk. Op de trappen voor de romaanse absis achterin de kerk staat een gemengd koor. We hadden vanmorgen al tegen elkaar gezegd dat die halve koepel moest zorgen voor een fantastische akoestiek. En nu mogen we daar getuige van zijn.
Het koor wordt gedirigeerd door een slanke vrouw, die werkelijk de touwtjes in handen heeft. Daarbij moet ik steeds denken aan Sybill, de dirigente van mijn (ons) eigen kerkelijk zangkoor van Nieuwenhagen. Prachtige harmonieën - het doet denken aan een mengelmoes van vroeg romaans en Ennia - en ongelooflijk mooie dynamiek in fortes en pianissimo’s. We zijn werkelijk dankbaar dat we dit hebben mogen meemaken. Zo onverwacht. Zo was ik dan toch nog bij een koorrepetitie.
Maandag is onze koorrepetitie. Ik zal het missen. Het zingt nu al door mijn hoofd: “Jesús, je voudrais te chanter sur la route…” Onze route leidt morgen naar een plaats waar waarschijnlijk geen internetverbinding te vinden is. Vandaar dat we jullie dit snel laten weten vanuit het internetcafé in Nevers, waar we zonet heerlijk gegeten hebben.
Voordat het eten opgediend werd, schreef ik alvast wat op de achterkant van de placemat (zie foto hiernaast)
Mijn koorvrienden en vriendinnen wens ik maandag een inspirerende repetitie toe. In juli mag ik er zelf weer bij zijn. Daar verheug ik me nu al op.
Groeten uit La France.

Avé, Avé… in Nevers

Tiende dag
Zaterdag 6 juni 2009
Rustdag Nevers

Zaterdagochtend, half zeven. Het tokkelt, roffelt en watervalt al uren luidruchtig op het tentzeil. Als ooit een rustdag zorgvuldig gepland is, dan is het nu wel. Het lijkt er zelfs op dat de weergoden zich aanpassen aan onze planning; dat Pluvius, gisteren minzaam omlaag kijkend, iets denkt of in zichzelf mompelt in de trant van: “Daar fietsen ze, nog even wachten, ouwe jongen, morgen hebben ze een rustdag, dan mag je weer…” Zoiets. Maar hoe durf ik zoiets te verzinnen? Hovaardigheid ten top. Dat roept om straf! Een grijs gestrafte dag. Gaat Pluvius daarom vanochtend zo te keer? Hij heeft zich acht dagen moeten inhouden; ja, dan wil je wel even. Met bakken laat hij het omlaag storten uit een egaal grijze hemel. De sluizen vol open. Ons tentje begint plaatselijk lekverschijnselen te vertonen. Bagage herschikken, strategische pannetjes plaatsen, nee, zo erg is het nog niet.

Wat doe je allemaal op zo’n rustdag? In ieder geval eens niet fietsen. Om half twaalf willen we naar de mis in het Espace Bernadette. En voor de rest staan zaken op de rol die op zo’n dag normaliter gedaan worden: fietsen poetsen, onderhoud plegen aan ketting en derailleur, bagage herordenen… en rusten, energie opdoen voor de komende dagen tussen Bernadette hiér en Bernadette vroeger, als molenaarsdochter in Lourdes, waar haar in 1858 Maria verscheen.

Bij de douches en toiletten, die ik al vroeg bezoek omdat de aandrang verder slapen onmogelijk maakt, heb ik een lang gesprek met een Nederlands echtpaar tevoet naar Sint Jacob. Wind en weder dienende - het blijft gieten - hebben ze toch alles ingeruimd en staan ze naast hun enorme rugzakken te ontbijten onder de overkapping bij de afwasbakken. Niet moeilijk doen, gewoon nemen zoals het komt. “We hebben eigenlijk nog nooit zo’n riante tafel gehad…” Overal het positieve van inzien, op zijn minst proberen.
Maar wij slapen nog een uurtje door.

Wij zijn nu negen dagen onderweg. Een noveen. De tiende dag is onze rustdag. Helemaal in de geest van de oude Franse kalender van tweehonderd jaar geleden, die overigens al snel weer afgeschaft werd omdat niemand eraan kon wennen. Vlak na de grote Revolutie, waarbij alles op de kop werd gezet, begonnen ze toen met een nieuwe jaartelling - hun Revolution achtten ze belangrijker dan de geboorte van Christus… - en een nieuw kalendersysteem van tiendaagse weken. In die zin zit onze eerste Franse week erop en is de laatste dag voor ons de Dag des Heren, de dag dat we naar de kerk gaan. Een eenvoudige verklaring, nietwaar? Tot zover weer deze zoveelste, toch wel beknopte geschiedenisles. Onder het motto van ’overal neem je iets van mee, zelfs van deze blog‘. Een mens blijft zijn hele leven leren.

Rond half tien zitten we te ontbijten. Buiten. ‘t Is even droog. Maar binnen de kortste keren moet er weer een vlucht naar Egypte geënsceneerd worden, onder de beschutting van onze riante voortent. Bij het steeds intenser wordende a-ritmisch geroffel vlak boven onze hoofden - samenlopende druppels lopen als straaltjes aan de buitenkant omlaag - zetten we het knusse ontbijt voort. Pluvius heeft er vandaag duidelijk zin in. Aeolus zal vandaag waarschijnlijk uitslapen, want het is windstil.
Als outfit voor onze wandeling naar de stad kiezen we voor een typische pelgrimsuitmonstering: blote voeten in open sandalen - ‘Jesus-nikes’- en een dunne korte broek die snel droogt. Regenjas met capuchon… en daar gaat-ie. Zelfs nu moeten we even een portiek invluchten omdat Pluvius ons wat al te zeer bestookt. Eerst bezoeken we de kathedraal. Ontzettend groot. Het achterste deel is het oudst, duidelijk romaans; de rest werd er later aangebouwd in gotische stijl. Kinderen en leerkrachten zijn aan het oefenen voor la grande Communion morgen.

Ons doel is het klooster St.-Gildard, beter bekend als de Espace Bernadette. De laatste jaren van haar leven sleet ze in dit klooster als non. Ze ligt er nu ten aanschouwe van iedereen in een prachtig versierde glazen kist, opvallend gaaf - je denkt even aan een kunststukje van Madame Toussaud… - een hemels exempel van vredigheid, maar ook een beetje - ik heb af en toe vreemde ideeën - als een slapende Sneeuwwitje… als het stukje appel uit haar keel schiet wordt ze weer wakker… “Waar ben ik? Wat doen jullie hier?” Maar dat gebeurt niet. Je wordt getroffen door de intense devotie waarmee de meesten in gebed voor haar neerknielen; nee, dit is toch serieus. De mis doet goed, ook al is ze in het Frans. Een groep Italiaanse Lourdes-pelgrims zorgt voor de gezangen. Sfeervol. De viering wordt afgesloten met het bekende ‘Avé, avé, avé Maria‘, dat we met kippenvel meezingen. Vol ontroering. Dit hééft wat. Tenslotte krijgen we bij de acceuil onze volgende stempel.
Met een lekker gevoel gaan we weer naar de Place Carnot, waar zich het café bevindt waar ze connexion internet hebben. Daar schrijf ik dit verhaaltje onder het genot van een café-au-lait.
Frans maakt intussen een wandeling buiten. Er zijn stilaan af en toe droge perioden. Maar niet voor lang.
Wat we de rest van de dag doen, weten we nog niet. Dat is afhankelijk van het weer. Als dát wil, dan wil de rest ook.
Iets heel anders nu: vandaag speelt Oranje uit in IJsland. Bij één punt zijn onze jongens verzekerd van een ticket naar het WK volgend jaar in Zuid-Afrika. Ongetwijfeld zal er wel iemand de uitslag doorseinen op de blog. Bedankt alvast.
De eerstkomende dagen doen we kleinere plaatsen aan. De kans lijkt niet groot dat we dan onze dagverslagen op de blog kunnen zetten. We vragen alvast voor enig geduld. Wil je per se weten hoe het met ons gaat, bel dan even met Louise of Gerry, met wie we dagelijks telefonisch contact hebben.
Groetjes! Blijf jullie reacties sturen. Ze zijn als doping voor ons. Boterhammen met pindakaas is ook niet alles… (figuurlijk althans, want we eten best goed en komen weinig te kort!).



vrijdag 5 juni 2009

De eerste fietsnoveen voltooid




Negende dag
Vrijdag 5 juni 2009
Vézelay – Nevers, 97 km

Het is 5 juni vandaag, de verjaardag van mijn zoon Per. Al 38. Je wordt ouder papa… opa! Ouwe knar op de fiets.
We hadden gisteren nog een leuke avond op de camping in het onvergetelijke Vézelay. Toen we uit de stad terugkwamen (Frans met de boodschappen, ik met de laptop) bleek Willemien ook gearriveerd. Lekker bijkletsen. En ze maakte de bijgaande foto van ons.
Verder was er een ouder Zwitsers echtpaar; een kolfje naar de hand van Frans. En een Engelsman, per fiets vanuit Zuid-Frankrijk op de terugweg naar dear old Albion. Hij had pijn in zijn knieën van de zware klimmen. Daar weten wij intussen ook alles van. Maar pijn in de knieën hebben we niet. In de trainingstijd vooraf had ik er wel regelmatig last van. Maar de laatste drie dagen voor ons vertrek heb ik mijn knieën gemasseerd met Lourdeswater… dat lijkt geholpen te hebben.
Om tien uur lagen we al onder de wol. Vannacht bij een sanitaire slaapstop was er een ongekend heldere sterrenhemel boven de donkere heuvels te zien. Nooit geweten dat er zich zoveel schitterends in het heelal ophoudt. Jammer dat het zo koud was.

We willen vandaag vroeg uit de veren omdat de méteo later in de middag regen voorziet. Aangezien we een lange en zware etappe door de hoge heuvels van de Morvan, een Ardennenachtig gebied, voor de boeg hebben, willen we graag droog in Nevers aankomen. Frans heeft de wekker gezet op half zes. Maar om vijf uur zijn de vogels hem voor. Ze verzorgen een prachtig concert. Toch kruip ik pas om kwart voor zes de tent uit. Elke morgen is er redelijk wat werk aan de winkel. Alles weer inpakken, ontbijten, tent opruimen. Dat neemt gemiddeld zo’n kleine twee uurtjes in beslag. Om half zeven zitten we al aan het ontbijt en om half acht rijden we gepakt en gezakt de poort uit, na eerst afscheid genomen te hebben van Willemien die we waarschijnlijk niet meer zullen zien… het rijmt ook nog.
De lange afdaling naar Saint Père is werkelijk ijs- en ijskoud. We vliegen klappertandend door de vele bochten omlaag. Daarna blijft de weg gestaag stijgen tussen de heuvels door. Dan krijg je het vanzelf weer warm. Als we achterom kijken blijft Vézelay nog lang in het blikveld. Andermaal een foto. Na de top volgt een prachtige lange (en weer koude!) afdaling van acht kilometer met uitzicht naar beide kanten.

Na een tweede klim dalen we af in het dal van de Yonne en bereiken na 30 kilometer het stadje Corbigny. Er is net markt, uitgerekend in de hele lengte van de straat waar we doorheen moeten.
“Dat zou Gerry niet erg vinden”, weet Frans zeker. Maar wij moeten lopen tussen het gedrang door. Op een terrasje voor een warme kop chocomel bel ik Per even om hem te feliciteren. Hij klinkt bijzonder verrast, vindt het gewoonweg prachtig dat ik eraan gedacht heb. Graag gedaan. Een fijne dag.
Het verdere verloop van ónze dag is qua inspanningen minder fijn. Voortdurend fors klimmen en diep dalen. Ondanks dat de zon schijnt zijn de afdalingen koud. Ik houd bijna de hele dag mijn fleece trui aan. Best lastig bij de beklimmingen. Het zweet gutst.
Maar de landschappen zijn geweldig. En in het dorp Quipy fietsen we zowaar door de lange hoofdstraat met de naam ‘Rue Saint-Jaques de Compostelle‘. Dan voel je je echt ‘op weg‘.

Tegen elf uur krijg ik een ‘hongerklop’. Dat krijg je als je om half zeven al zit te ontbijten. Bij de klimmen krijg ik de trappers bijna niet meer rond. Een tranendal, harken bij het leven. Zelfs Frans, die vandaag in opperste conditie verkeert en als ’de adelaar van Toledo’ de ene na de andere klim met succes meestert, mompelt terwijl hij me weer inhaalt (in de afdaling ben ik altijd sneller, bij de volgende klim schuift hij altijd weer à la Jopie langs me):
“Ze willen ons vandaag maar niet met rust laten…” Er is inderdaad nauwelijks een stukje vlak. Ik ervaar deze etappe als de zwaarste tot nog toe.

Als we rond half twaalf uitgebreid met brood en soep zitten te lunchen aan een picknickzitje achter een oorlogsmonument waar een frisse wind onder de bomen doorblaast - een andere plek is niet te vinden - passeren twee Friese pelgrims te voet. Op 22 april vertrokken uit Ljouwert zijn ze al 44 dagen onderweg en ze hopen rond 10 augustus aan te komen - ik moet er niet aan denken, ik vind negen dagen al lang, maar ja, dat heb ik me zelf aangedaan… Frans vindt het ‘nog lang niet lang‘; de tijd vliegt, altijd is er weer iets te beleven. Als je die mensen ziet lopen, dan denk je: ‘Wat ben ik maar een watje’. Ook Dries van Agt noemde pelgrimeren per fiets ooit eens ‘labbekakkerig’. Zíjn mening. Maar ík voel het anders.
Als we na 65 kilometer in Premery aankomen, stel ik na een onderzoekende blik op de kaart voor om van de verder klimmende route af te wijken en de laatste 35 kilometer naar Nevers af te leggen via een drukkere D-weg door het dal van de Nièvre. Wel af en toe omhoog en omlaag, maar niet zo zwaar. Links en rechts van de weg zien we de hoge heuvels waar de route uit ons boekje doorheen loopt. Met welgevallen, dat wel.
Zo bereiken we Nevers aanzienlijk frisser… hoewel, na het opzetten van de tent doen we allebei even een half uurtje de oogjes toe. Eungere. Je voelt dat je wat gedaan hebt.

De camping (met internetaansluiting!!) ligt langs de Loire met een fantastisch uitzicht op de stad op een heuvel aan de overkant. Op het hoogste punt schittert de gotische kathedraal St.-Cyr-et-Ste-Julitte. Ik had me verheugd om hier een paar mooie foto’s van te maken, maar laat nu die fraaie toren in ‘omzeilde’ steigers staan. Doodzonde.
Jaarlijks komen vele mensen naar Nevers om het lichaam van de heilige Bernadette, bekend van het wonder van Lourdes, te bezoeken. Dat zullen wij morgen doen op onze eerste rustdag. De stad staat bekend om haar prachtige architectuur en befaamde aardewerk. Er is altijd wat te doen op het gebied van festiviteiten. Aan de rand van de stad ligt - Harry, Wilma, Jo en Helmy, spits je oren! - het circuit van Magny-Cours, waar de Grand Prix van de Formule 1 jaarlijks verreden wordt.Vanavond gaan we de stad in. Ondermeer om eens ‘uit te eten’. Dat hebben we dik verdiend na de ontberingen van deze negende dag.

Het eerste routeboekje is ‘uit’. Of het dat zelf geweten heeft? Op de hobbelige wegen van een voorstadje trilt het uit de houder en valt op straat. Terstond wordt het een prooi van een vrachtwagen… die er daardoor meteen 3-d kaartjes van maakt, met nóg meer heuvels dan in werkelijkheid.

Als we op de camping dit nieuwe bericht aan de blog willen toevoegen, blijkt de boel niet te werken. De zaak is pas geïnstalleerd... maar niet goed dus. Onverrichterzake en de pé in verlaten we het veelbelovende kantoor en gaan naar de stad. Daar komen we erachter dat er een café is waar geïnternet kan worden. Dus na het eten weer de berg af naar de camping en met laptop weer terug omhoog. Jawel, het is gelukt.
Bedankt voor jullie reacties. Zo blijven we op de hoogte. Vooral het bericht van de narrow escape van Roda deed mijn geelzwarte hart sneller kloppen. Bedankt.

donderdag 4 juni 2009

Een halve rustdag in Vézelay…


Achtste dag
Donderdag 4 juni 2009
Auxerre – Vézelay, 56 km
Na een verkwikkende nachtrust ontwaken we om kwart over zes. Om tien over acht rijden we de poort uit en zitten meteen op de goede weg. Wel wat anders dan gisteren in ‘Trwa’. De eerste kilometers volgt onze route het schone, vlakke dal van de Yonne, dus aanvankelijk makkelijk te fietsen. Vorig jaar reden we honderden kilometers langs de Rijn, die overigens wel wat breder is. Via de D100 passeren we steile kalkrotsen, de Rochers du Saussois.
Na 20 kilometer komen we in Cravant dat zijn weg naar de geschiedenisboeken vond vanwege een belangrijke veldslag in 1423, waarbij de Bourgondiërs de verzamelde legers van de Franse koning vakkundig in de pan hakten… waar is er nooit wat gebeurd..?
In Châtel-Censoir, waar net markt is, maken we na 42 kilometer een pauze op een terrasje, waar vlak voor onze neus een Franse madame vakkundig een spiegel van een geparkeerde auto af rijdt. Een typisch Frans volksoploopje is het gevolg.
Het oude stadje is gedrapeerd rond een hooggelegen kerk (met een crypte uit de vijfde eeuw..!) boven de rivier de Yonne. Diverse wijnkelders nodigen uit voor een Bourgondisch bezoek; maar dat is onderweg aan ons niet besteed.
Na Châtel-Censoir klimt de weg gestaag omhoog. Eerst stevig vals plat door een klein dal tot op een beboste heuvelrug en dan drie kilometers aan 7 procent. Tijdens de afdaling ontvouwt zich aan het einde van het bos een geweldig panorama op Vézelay, op de top van een hoge heuvel oprijzend tussen de wijnvelden. Onvergetelijk.
Eerst weer 7% omlaag, maar dan weer net zo pittig omhoog het stadje in, het laatste deel van een enerverend Cauberggehalte. Naar de camping moeten we aan de andere kant weer omlaag. Jammer. De klok klept het Angelus als we de poot van de camping annex Auberge de Jeunesse binnenrijden. Geen mens te zien. Wie komt er ook zo vroeg op de dag al op een camping aan..? Wij dus, want we willen ruim de tijd hebben om de stad te bezichtigen. We kiezen een van de weinige vlakke plekjes en installeren ons. Het terrein in lichte terrasvorm ligt mooi afgelegen en is lekker rustig. Het uitzicht over een prachtig dal en hoge heuvels is schitterend. Er is zelfs een overdekt hok met stroom waar ik alvast kan beginnen met dit dagverslag. Of er internetverbinding is blijft onduidelijk omdat er niemand is om deze vraag te beantwoorden.
Na gegeten, gedoucht en de was gedaan te hebben gaan we naar de stad. Niet zomaar een stad. Vézelay vormt door de eeuwen heen een hoogtepunt op de pelgrimsroute. Pelgrims uit vele landen kwamen hier samen om gezamenlijk verder te trekken over de Via Lemovensis, een van de vier hoofdroutes door Frankrijk. Dat zorgde in de Middeleeuwen voor een enorme drukte. In 1146 trok te bekende monnik en kloosterstichter St.-Bernardus vanuit Vézelay met een enorm leger kruisvaarders naar Palestina. De stad staat op de Werelderfgoedlijst van de Unesco en is toeristisch bijzonder in trek. Smalle straatjes, ongeschikt voor bepakte fietsen en nauwelijks door lege, leiden steil omhoog naar de top, waar de Sainte Madeleine, een enorme romaanse kathedraal uit de 12e eeuw, staat te pronken. De Kelten en de Romeinen bezaten al een heiligdom op deze gewijde heuvel. Het belangrijkste van de Sainte Madeleine zijn de relikwieën van Maria Magdalena. De echte? Dat is moeilijk meer vast te stellen. In de tijd van Maria Magdalena bestond er nog geen DNA. Hoe dan ook moet ik hier in Vézelay even denken aan het wereldschokkende boek van Dan Brown, The Da Vinci Code, waarin Maria Magdalena wordt neergezet als een zeer bijzondere vrouw, die in de kerkelijke geschiedenis ten onrechte een ondergeschikte rol als lichte vrouw kreeg toebedeeld. Maar dat was ze absoluut niet. Dat beeld is het gevolg van een lastercampagne die door de vroege Kerk is gevoerd. Maria Magdalena moest in diskrediet gebracht worden, haar belangrijke rol uit de bijbel worden geweerd. Meer in het bijzonder het huwelijk tussen haar en Jezus… het is in de geschiedschrijving terug te vinden, volgens Dan Brown.
Toen Jezus gekruisigd werd, was zij zwanger van Hem: de grootste doofpotaffaire in de geschiedenis van de mensheid. Niet alleen was Jezus getrouwd, Hij was ook nog ‘ns vader! Maria Magdalena was het heilige uitverkoren werktuig. Maar dit paste niet in het concept van de vroege kerk van Christus.
Daarom werden de bewijzen dat ze de vrouw van Jezus was aan het daglicht onttrokken en het beeld van lichte vrouw aan haar gekoppeld. De Kerk pleegde hiermee historisch bedrog. Als algemeen bekend zou worden dat Jezus getrouwd was, dan zou de kerk dat niet overleven. Het bestaan van een kind van Jezus zou het cruciale idee van Zijn goddelijkheid ondermijnen, en daarmee zijn christelijke Kerk, die zichzelf had uitgeroepen tot het enig uitverkoren werktuig waarmee de mensheid toegang had tot het goddelijke en het hemelrijk.
Ten tijde van de kruisiging was Maria Magdalena zwanger. Op Paasmorgen was zij het eerste bij zijn lege graf; zij was immers zijn vrouw… Om het ongeboren kind van Jezus in veiligheid te brengen, moest ze het land ontvluchten. Met de hulp van de trouwe oom van Jezus, Jozef van Arimathea, reisde ze in het geheim naar Gallië, het huidige Frankrijk. Daar vond ze een veilig toevluchtsoord binnen de joodse gemeenschap. Hier werd haar dochter geboren. Ze heette Sara.
De familie van Jezus breidde zich in Frankrijk uit en vermengde zich door een huwelijk in de vijfde eeuw met Frans koninklijk bloed, wat het begin was van de dynastie der Merovingers. Het Vaticaan probeerde deze koninklijke familie slinks uit de weg te helpen. Hetgeen op een haartje na gelukt zou zijn. Via koning Sigibert wist de bloedlijn zich voort te zetten tot Godfried van Bouillon, die de Priorij van Sion stichtte.
Tot zover de gedachtegang van Dan Brown. Hij schreef een indringend, fictief verhaal, dat Maria Magdalena, die hier in Vézelay vereerd wordt, in een revolutionair daglicht stelt. En bovendien bij mij ook allerlei gedachten laat opborrelen over het ‘marketingconcept’ van de vroegste christelijke Kerk. Marketing is van alle tijden, of het nu gaat over wasmiddelen, hondenbrokken of geloof. De zaak moet aan de man gebracht worden, economisch of ideëel; en ingeval van dit laatste bleek het resultaat , gezien de rijkdom en de praalzucht van de Kerk, economisch bepaald geen windeieren gelegd te hebben. Je ziet dan opeens bepaalde parallellen met het hele ‘Jacobusverhaal’. Ook een kwestie van ‘marketing’, die er bij de argeloze pré-middeleeuwers kennelijk in ging als zoete koek. Waar ligt de scheidslijn tussen Wahrheit und Dichtung, tussen wetenschappelijk bewijs en… geloof..? Het houdt je wel bezig.

We genieten van de romaanse kathedraal. In de crypte, nog ouder, bezoeken we ook de relikwieën van Maria Magdalena. Ontzettend veel foto's gemaakt.
Dit bericht kon ik op de blog zetten bij het Bureau de Tourisme… gelukkig.
Groetjes van ons tweetjes. Morgen gaat het naar Nevers, waar we Zaterdag - een verwachte regendag - een rustdag houden. Tot later!

woensdag 3 juni 2009

De zevende dag…

Zevende dag
Woensdag 3 juni 2009
Troyes – Auxerre, 92 km
Was de zevende dag in het scheppingsverhaal een rustdag, voor ons gaat dit niet op, we gaan vandaag verder naar Auxerre. Al om zes uur opgestaan rijden we tegen tien voor acht de poort van de camping uit. Om acht uur gaat de beroemde kathedraal van Troyes (spreek uit als ‘Trwá’) open. Die willen we nog even bezoeken. Gisteren waren we daar te laat voor geweest; ook God sluit om zes uur in Frankrijk…
Jammer genoeg was er niemand om ons een stempel te verstrekken. Daarom nemen we alleen herinneringen en een aantal bijzonder fraaie foto’s mee.
Het weer is opnieuw uitzonderlijk, de zesde dag achter elkaar al. Een flauw windje begeleidt ons op weg. Het is altijd een probleem om als fietser een vreemde stad uit te komen. Ook nu weer. Zoekend en vragend in de ochtenddrukte vinden we veel te laat de rustige weg naar het eerste dorp in ons routeboekje. We rijden over rustige wegen met lichte hellingen, door groene dorpen en een afwisselend kleinschalig landelijk gebied met bossen aan de heuvelachtige horizon. In verschillende plaatsen komen we weer van die markante overdekte wasplaatsen tegen. En ook een bakkerswagen, die ons tegen betaling voorziet van een lekker vers pain complet.
Bij een grauwe brievenbus aan de muur van de onooglijke ‘mairie‘, het gemeentehuis, van een piepklein dorp, posten we een ansichtkaart aan onze mamke. Benieuwd of ze er al is - die kaart - als we weer in Nederland terugkomen.
Er is heel wat te zien onderweg. In Fays-la-Chapelle staat notabene een kerkje in vakwerkbouw; zeldzaam, misschien wel uniek, en daarom opvallend.
Na een snelle afdaling rijd ik plotseling lek. Alweer de achterband. Fiets op zijn kant in het gras, wiel eruit, nieuw binnenbandje erin… het ‘oude’ bandje had spontaan een lek opgelopen naast het ventiel. Ik prijs me gelukkig met een reisgezel als Frans, die in deze - en ook andere - zaken uiterst handig is. Een kwartiertje later zijn we weer op weg.
Het mooiste plaatsje onderweg is Evry-le-Châtel, een hooggelegen stadje, uitkijkend op het dal van de Armance. Van de oude ommuring is een prachtige stadspoort bewaard gebleven met twee robuuste torens. Opvallend is ook de bijzondere ronde markhal, ook weer in vakwerkstijl. Ook hier weer een aantal houten vakwerkhuizen die zo kenmerkend zijn voor deze streek.
Onze grote pauze maken we even na twaalven op een picknickzitje bij een klein pittoresk sluisje en een wasplaatsje. We laten ons het verse pain complet uitstekend smaken, samen met een komkommersalade, nog over van gisteren, toen we teveel gekookt hadden. Nog even de handen wassen, die nog vuil waren van de lekke band, en heerlijk een tijdje de voeten in koele snelstromende water.
Na een groot aantal kilometers door een landschap dat afwisselend het midden houdt tussen het Limburgse heuvelland met klimmetjes en afdalingen en Brabantse vlakheid, rijden we de laatste twintig door de wijnvelden van de befaamde Chablis. Steile heuvels. De klim naar Lignorelles is lang en pittig en wordt gevolgd door nóg twee fikse klimmen.
Tijdens de eerste klim gaat mijn mobieltje. Louise. ‘Iemand van het OCGL, de heemkundevereniging, had haar gebeld voor foto’s van de twee scholen in Nieuwenhagerheide… ze weten toch dat ik weg ben!?
“Laat ze mij maar zelf bellen”, vind ik, “dan kunnen we het precies bespreken. Geef mijn mobiel nummer maar door.” Ik stop mijn mobieltje in de broekspijp van mijn fietsbroek. Meteen bij de hand. Maar als we in de drukte van Auxerre arriveren heeft nog niemand gebeld.
Auxerre is een middelgrote stad aan de rivier de Yonne. Aan de overkant ligt de kathedraal hoog op een heuvel te pronken. De rest van stad ligt tegen de hellende oever gebouwd.
Om half vier melden we ons bij de receptie van Camping Municipal d’Auxerre, waar we door een bijzonder kortaffe, gestreste ‘dame’ ontvangen worden. Zelfs het innen van 9 euro 85 als kampeergeld wil maar geen glimlach op haar gezicht toveren. De camping zelf echter oogt goed verzorgd met veel schaduwrijke plaatsen. Het sanitair ziet er nieuw uit. En… er is een internetverbinding in de kantine!
Tegenover de camping ligt het stadion van de vermaarde voetbalclub AJ Auxerre met de voetbaldinosaurus Guy Roux als coach. Onvergetelijk zijn de wedstrijden die ze tegen ons Ajax speelden.
Na gedoucht, de was gedaan en even gerust te hebben fietsen we naar het stadscentrum om een stempel te bemachtigen bij de kathedraal en boodschappen te doen. We fietsen door de smalle straatjes - hier ook weer van die typische vakwerkhuizen - naar het hoogste punt, waar de kathedraal St.-Etienne staat. Een imposant gotisch gebouw met drie prachtig gebeeldhouwde portalen en achter het altaar gigantische gebrandschilderde ramen uit de 13e eeuw met een compleet stripverhaal over het leven van Sint Jacob… dan voel je je pas echt op weg naar de eindbestemming. Dat laatste krijgen we niet te zien. We hebben onze fietsen nog maar net in het portaal geparkeerd als er iemand ons vertelt dat de kerk ‘closed’ is… terwijl de deur nog openstaat. De klok slaat zes. We lopen de deur binnen en ik maak snel een foto van het enorme middenschip. Door de zijbeuk zien we een bisschopachtige zwartgeklede heer, met een zilveren kruis omhangen, en een jongere man naar ons toekomen. Om ons eruit te gooien, vrezen we. Ik stap in hun richting en vertel hen dat we pelgrims zijn en graag een stempel zouden willen. Een en al instemming. De jongere man wordt met ons terug gestuurd naar de sacristie. Hij stempelt onze credencial met een onvergetelijke overgave om ons een zo fraai mogelijk product mee te geven. Daarna moeten we er echt uit en wordt de grote eikenhouten deur gesloten. God mag op zijn vrije avond niet meet gestoord worden… Zo heeft iedere stempel zijn eigen verhaal.

Helaas lukt het met deze verbinding niet om foto's toe te voegen. Jammar. Volgende keer hopelijk beter.
Groetjes van ons beiden.

Voor het eerst ‘Buon Camino!’

Zesde dag
Dinsdag 2 juni 2009
Châlons-en-Champagne – Troyes, 98 km

Een hele opluchting dat we gisteren in Châlons eindelijk weer eens een ‘connection internet’ aantroffen, in dit geval een ‘wifi zone’. Daardoor kon de achterstand ingegelopen worden: drie dagverslagen versturen en de reacties lezen. Heerlijk.
Voor de rest hadden we een gezellige avond gisteren in Châlons. Doordat er enkele regenbuiten vielen kon er weinig ondernomen worden qua stadsbezichtiging en inkopen doen. En omdat de camping een overdekt terras rijk is waar gegeten kon worden, hebben we daar met smaak gebruik van gemaakt.
Een uur later dan wij was de ‘alleenstaande vrouw’ van de dag tevoren ook weer gearriveerd. We legden contact en besloten samen te eten. Ze heet Willemien, een ergotherapeute met pensioen, en is helemaal vanuit Heiloo komen fietsen in haar eentje. Haar man Bart fietst tegelijkertijd in Spanje de Via Plata van Sevilla naar Santiago en van daaruit ’terug’ naar St.-Jean-Pied-de-Port, waar ze elkaar op 23 juni weer in de armen zullen sluiten. Romantisch of niet? Naar verwachting zouden we Bart mogelijk nog tegen kunnen komen in de buurt van Pamplona. We zullen zien. Nogmaals, het werd een gezellige avond. Willemien lijkt uiterlijk ontzettend veel op mijn collega Tineke van ‘t Valder, bijna als twee druppels water. En haar manier van spreken ook. Na het eten - Frans en ik aten frites met worst en een bijna onbehoorlijk grote kom sla - werd er zelfs nog een tweede fles wijn besteld. En dát hebben we vandaag geweten!
Vannacht werd ik rond half drie wakker. Een beetje misselijk (wie zei dat vroeger ook al weer…?). De worstjes wilden maar niet zakken en het borrelde in mijn darmensysteem. Tot overmaat van ramp bleek ook nog eens de lucht uit mijn slaapmatrasje en ongewenste uitgang te hebben gevonden; een ‘slapmatrasje’ dus, waardoor gevoelig ik op de oneffen grond lag. Allerlei doemscenario’s begonnen door mijn hoofd te spelen. Maar na een ‘succesvol’ bezoek aan het toilet en het opblazen van het matrasje had ik normaal verder kunnen slapen tot Frans om half zeven opstond met zijn gebruikelijke vraag: “Wie laat is ‘t?”. Onwetend van dit alles. Hij had geslapen als een blok.
De hemel is vandaag weer kraakhelder, smetteloos blauw. De zoveelste mooie dag op rij. Om half negen vertrekken we voor onze dagrit naar Troyes, uitgezwaaid door een fietsende Duitser, een ex-Santiagoganger. “Buon Camino!” Je begint er steeds meer tegen te komen.
De eerste kilometers zijn onverwacht vlak als een biljartlaken. Niet te geloven. Maar daarna wordt het toch al snel weer van hetzelfde laken een pak. Eindeloze golvende graanvelden, doorsneden met lange rechte wegen tot aan de einder, flauwtjes klimmen en dalen door de graanschuur van Frankrijk. Akker na akker, spaarzame kleine dorpjes, vaak versscholen in een dalput. Bijna allemaal hebben ze een oude romaanse kerk. Maar voor de rest lijken ze uitgestorven. Hier en daar zien we enorme coöperatieve graansilo’s. De middenstand heeft het hier niet kunnen bolwerken. Over een afstand van 90 kilometer komen we nauwelijks een winkel of cafeetje tegen. Als je dat vooraf niet weet, kun je beslist een probleem krijgen als je mondvoorraad op is.
Onderweg halen we de eerste collega-pelgrims in, twee mannen uit Breda.
“Die komen me heel bekend voor”, zegt Frans als we een eind voorbij zijn. En dat blijkt inderdaad zo te zijn als ze ons een uurtje later weer inhalen als we na 54 kilometer (gereden met een gemiddelde van 21!) een eetpauze houden in de schaduw van de oude kerk van Lhuitre met weer een rustiek vervallen kerkhof. Een van hen is de broer van een collega van Frans. Frans wist dat ze op dezelfde dag vertrokken waren, maar dat je je onderweg zou ontmoeten… nee, dat is puur toeval; maar wat heet toeval..?
We zijn inmiddels het departement Bourgogne binnengereden. Het landschap wordt kleinschaliger, gezelliger, de dorpen wat dichter bij elkaar. De wegen zijn minder, veel grove steenslag.
Na 60 kilometer passeren we een historische plek, St.-Nabord-sur-Aube, waar Napoleon zijn laatste slag leverde tegen de Oostenrijkse troepen, om daarna afstand te doen van de troon. Historie. Dat is zowat alles wat er onderweg aan wetenswaardigheden bij elkaar geschraapt kan worden.
Om half drie komen we aan op de camping municipal van Troyes. Alweer geen ‘connection internet’. In de stad is wel een internetcafé waar we hopen te slagen. Na rondgereden te hebben en veel foto’s gemaakt, stappen we na enig zoeken het wifi- en cybercafé binnen. We worden meteen op de hoogte gesteld van het onheil: uitgerekend vandaag ligt in de hele regio het totale internetgebeuren plat door een storing..! Tja, we doen dan wel ons best om jullie op de hoogte te houden, maar dáár kunnen we uiteraard niet tegenop. We hopen morgen in Auxerre betere omstandigheden aan te treffen.
Troyes als stad - de Seine vertakt zich in hier in drie armen die later weer in elkaar vloeien - is bijzonder de moeite waard. Dicht bij elkaar liggen drie geweldige oude kerkgebouwen waarvan de gotische kathedraal, de St.-Pierre-et-Paul, de bekendste is. Ze heeft onvergetelijk mooie gebrandschilderde ramen, die we echter niet mogen zien omdat er maar tot kwart voor zes bezichtigd kan worden. Doodzonde. Evenals Châlons staat het oude centrum bovendien vol met van die karakteristieke eeuwenoude vakwerkhuizen. Een groot deel van Troyes werd in de Tweede Wereldoorlog verwoest, maar de sporen hiervan zijn inmiddels uitgewist.
Tot zover de woorden van de evangelist Mathias. Wordt (hopelijk) vervolgd morgen in Auxerre.

maandag 1 juni 2009

Pinkpop in de Champagne


Vijfde dag
Maandag 1 juni 2009, Pinkstermaandag
Varrennes-en-Argonne – Châlons-en-Champagne, 76 km

Thuis, althans in Landgraaf, is vandaag de topdag van Pinkpop. Voor de 40e keer al! Over traditie gesproken. Ik zal het gebonk en gedreun van de bastonen in mijn achtertuin - het hardst bij zuidwesten wind - dit jaar moeten missen. Weer even een nostalgisch verlangen naar huis. Maar niet alleen thuis, maar ook op de camping van Varennes viel er vannacht van iets van dien aard te genieten…, nou ja, genieten… de hele lange, koude nacht klonk vanuit een caravan met pubers een doordringende disco-techno (zo gok ik naar de benaming van deze ‘muzikale’ stroming) van zo’n driehonderd basslagen per minuut. Om gestoord van te worden. Rond vijf uur werden er vogelgeluiden doorheen gemixt, maar die kwamen echt uit de bomen. Maar aan zo’n vogelconcert ben je zo gewend dat je dat op een gegeven moment niet meer hoort; die tak-tak-tak-rampetampe dreun wel. Tegen half zes vonden de jongelui het kennelijk tijd worden voor ‘oogjes dicht en snaveltjes toe’. Maar dat ik goed geslapen en uitgerust ben, kun je bepaald niet zeggen.
De iele klok van de plaatselijke kerk slaat zeven als ik de slaapzak oprol. De lucht is weer strakblauw, dit na die bewolkte dag van gisteren en in tegenstelling met wat ik gisteren van Louise uit mijn mobieltje vernam: het zou in de regio Parijs slecht weer worden… waarom hebben we deze reis zo’n geluk? Omdat we het verdiend hebben? Omdat Sint Jacob de loper voor ons uitrolt en alle bovenaardse relaties mobiliseert?
Even na half negen stappen we op de fiets en na een snel bezoek aan de ‘boulanger’ voor een pakje ‘pain complet’ beginnen we aan de route van vandaag. Bergop langs de Tour Louis XVI en hoger… Van de eerste vijf kilometer moeten er vier geklommen worden, een veelbelovend begin. Maar daarna mochten we kilometers lang vals plat door een koel bos omlaag om daarna met een stevig blazende Aeolus in de rug - wat zijn we toch mazzelaars - te belanden in de onafzienbare golvende lappendeken van graanakkers van de Champagne, met verspreid liggende piepkleine dorpen waar gigantische graansilo’s de skyline bepalen. Een van die dorpen heet Hans. Niet Anders, maar gewoon Hans - overigens uitgesproken als Òh. In het centrum staat een rond 1200 gebouwde kerk met de naam Notre Dame du Soldat, onze lieve Vrouw van de soldaat. Er staat ook een kasteel waar koningen en edellieden verbleven als ze op doortocht waren.
Die veldenoceaan doet me onmiddellijk denken aan meseta, de Spaanse hoogvlakte van gelijksoortige akkers, waar we over een paar weken doorheen moeten. Het is vandaag al behoorlijk warm, en bomen zijn soms slechts aan de horizon te zien. Of Aeolus dan ook onze metgezel zal zijn..? Vandaag blaast hij ons vooruit. Vooral bijzonder aardig bij de klimmetjes. We hallen met onze zwaarbepakte fietsen een gemiddelde van twintig.
Om kwart over elf houden we een korte eetpauze op de trappen van de kerk in het dorpje Bussy-le-Château - geen kasteel te zien, misschien was het er vroeger, anders zou de naam niet te verklaren zijn. We eten pain complet en smeren ons in, want anders verbrand je vandaag levend op die wegen door de velden. Aan iemand gevraagd naar drinkwater - eau potable - worden we verwezen naar een kraan op het kerkhof. Ik maak nog een paar impressiefoto’s van de vervallen en scheefgezakte oude graven. Ligt hier misschien ook een voormalige Santiagoganger tussen?
Na ongeveer 50 kilometer fietsen we een klein eindje over de kaarsrechte Ancienne Chaussée Romaine, een van de vele voormalige Romeinse heirbanen die het Romeinse Gallië doorkruisten. Ook in die tijd, bijna twee millennia geleden, zullen hier ongetwijfeld al graanakkers geweest zijn.
Tien kilometer verder ligt l’Épine. Van verre zijn de twee reusachtige torenspitsen van de kolossale basiliek al te zien aan de einder van de velden. Sinds herders in de elfde eeuw in een brandende braamstruik een Mariabeeld vonden, dat voor genezing bleek te kunnen zorgen, is l’Épine een bedevaartsplaats, die zelfs door de paus bezocht werd. Dat lezen we op een plaquette in de kerk, die we binnengaan met het oogmerk een stempel te bemachtigen voor onze credencial. In het prachtige gotische interieur met schitterende glas-in-loodramen loopt een oud scheefgetrokken vrouwke met stoelen te sjouwen.
“Un tampon? Mais bien sûre, messieurs. Venez avec moi.” We volgen haar naar de sacristie die ze met moeite knarsend opent. Ze maakt de stempel schoon om een zo mooi mogelijke afdruk te kunnen leveren. Als ze ons vriendelijk aankijkt heb ik even de neiging mijn scheerapparaat uit mijn bepakking te halen. Maar daar is ze te lief voor. Daarom helpen we haar mee met het versjouwen van de overige stoelen. Met een goed gevoel begeven we ons weer op weg.
Van hieruit is het nog ruim tien kilometer naar Châlons. Na een lange flauwe klim vallen we na een kilometerslange kaarsrechte afdaling door de velden als het ware de stad binnen. Châlons is het noordelijk centrum van de Champagnestreek, eigenlijk de eerste grotere stad op onze route. De binnenstad ziet er pittoresk uit met zijn vele karakteristieke vakwerkgevels. Er zijn ook drie bezienswaardige kerken. Een daarvan is de prachtige deels romaanse, deels gotische Notre Dame en Vaux, dé toeristische blikvanger.
De plaatselijke Camping Municipal, waar we twee jonge Françaises aantreffen van wie er een werkelijk accentloos Engels spreek - merci monsieur pour les compliment - ligt drie kilometer buiten de stad. Het is er een van het betere soort. Groot, rustig, veel bomen en … wifi! Ik krijg een code waarmee ik op het netwerk kan inloggen. Deze pelgrimstocht is zelfs nog geschikt om mijn informatica-achterstand in te lopen. Je blijft leren, hoe oud je ook bent.
Terwijl ik dit zit te schrijven onder een overdekt terras, barst een noodweer los. Il fait de d’orange. Maar het is slechts van korte duur. Volgens de ‘madame’ die mij een pilsje verstrekt zal het morgen weer hetzelfde worden als vandaag, 24 graden, en hopelijk Aeolus weer in de rug.
Bedankt voor jullie geduld. De reacties waren weer overweldigend.