zondag 14 juni 2009

Demi jour de repos à Moissac


Achttiende dag
Zondag 14 juni 2009
Castelnau-Montratier - Moissac, 66 km

De nacht was lekker. De slaapzak konden we voor het eerst eens gebruiken als deken. Om zes uur is de tent droog, alleen wat condens aan de binnenkant. Het is een windstille ochtend. Er komen witte sluiers aan de blauwe lucht en even later is het volledig betrokken en wordt het mistig rond de toppen van de omringende heuvels.
Nadat we het bestelde brood bij de receptie afgehaald en nog een paar boodschappen gedaan hebben in de kleine alimentation bij de brug, gaan we op weg. De verwachte klimmen zijn lang, maar niet stijl. Het mistige weer is een weldaad bij het klimmen. Het is niet koud, we hoeven geen extra jasje aan. Ik moet er niet aan denken dat we hier in het benauwde weer van gisteren bij 32 graden en uitbundig gadegeslagen door de koperen ploert naar boven hadden moeten rijden. Het was in alle opzichten een wijs besluit, dat ons dan wel een rustdag kost. Maar bij de komende ritten zitten een paar halve rustdagen, demi jours de repos. Zoals vandaag.

We rijden door het gebied dat de voortreffelijke Cahorswijnen voortbrengt, waar ondermeer tsaar Peter de Grote zo verzot op was. Alleen kunnen we door de mist niet genieten van de panorama’s.
Een kleine 30 kilometer onderweg maken we na een laatste serieuze klim onze traditionele ‘chocolât-chaude-pauze’ in Castelnau-Montratier, onze oorspronkelijk geplande eindbestemming van gisteren. Een typisch plaatsje van deze streek, hoog op een heuvel pralend. Op een schilderachtig plein, omgeven door galerijen met ronde bogen, is markt. Toch is het rustig. Tegenover het terras is een geldautomaat waarvan we dankbaar gebruik maken om onze gezamenlijke kas te spekken. Het lijkt er even op dat de bewolking oplost om er een echte ‘zondag’ van te maken. Maar het zet niet echt door. Al kijkend naar de passanten merkt Frans plotseling op:
“Richtig inne sjoeëlmeester deë doa lup…”
“Wiezoeë minste dat te kinne zieë?” vraag ik verbaasd.
“Ja, zonne verdwaasde blik…”
Hij lachen. Ik zou bijna blij moeten zijn dat ik niet meer bij ‘dat gilde’ behoor…
Om kwart voor elf beginnen de klokken te luiden. Het stadje heeft een prachtige koepelkerk, een beetje in de stijl van de Sacre Coeur in Parijs. Als we daar aankomen zien we een bedaarde drukte van kerkgangers.
Buiten staat een groep 12-13-jarigen in lange witte gewaden. Als ze ons blikken met onze camera poseren ze lacherig als compacte groep. Ze hebben feest, hun ‘Confirmation’ - bij ons heet dat de hernieuwing van de doopbeloften of ‘de plechtige communie’. Binnen in de mooie, grote en lichte kerk gonst het feestelijk - Fransen praten gewoon hardop in de kerk, pas de problème - en een muziekensemble is bezig met inspelen. Een gezellige sfeer. Steeds meer mensen komen binnen, meestal hele families. Een bijzondere dag voor de besloten gemeenschap van dit heuvelstadje Castelnau. Daar horen wij niet bij.
We dalen af naar het dal van de Lupte, een pracht van een bochtige afdaling van vier kilometer. In de bochten zien we hoog boven ons het stadje dat we verlaten hebben. De camera smeekt om het te mogen vastleggen.
Het dal is weids en de weg loopt golvend tussen de heuvels door. Anders dan gisteren toen we tussen steile krijtrotsen door reden.
Het blijft bewolkt en nagenoeg windstil. Dichtbij Moissac vallen zelfs een paar verdwaalde druppels. We passeren een grote Intermarché. Aan de auto’s op de parkeerplaats valt op te maken dat ze open is . Bij de ingang staat echter iemand die de laatste klanten naar buiten laat en geen muis meer naar binnen. Jammer. Op het plein staat een kraampje met gegrilde haantjes en heerlijke beenham. De haantjes zijn al koud, maar de beenham ziet er verrukkelijk uit. Als we na een stukje geproefd te hebben twee dikke plakken bestellen, krijgen we er nog twee kop- of staartsneeën gratis erbij. Voor straks op het brood bij onze lunch op de camping.
De receptie van de Municipal is zoals gebruikelijk onbemand. We vinden een prachtige plek zogezegd in de voortuin van het toiletgebouw. Het voelt alsof wij een privé sanitairblok hebben - we vragen ons zelfs af waarom die vreemde mensen er gebruik van maken zonder ons te vragen…
Het is inmiddels weer erg benauwd geworden. Als de tent staat leggen we ons te rusten in de schaduw. Eigenlijk geen weer om nog iets te ondernemen. Toch pakken we om kwart over drie de fietsen voor een bezoek aan de stad.
Moissac, gelegen in de streek waar de Tarn en de Garonne samenvloeien, is beroemd vanwege het grote gebeeldhouwde kerkportaal, een van de grootste meesterwerken van de 12e eeuw, vol symboliek uit de romaanse tijd van de Middeleeuwen. De vermaarde koning Clovis gaf de stad in 506 haar naam, wellicht ook leuk om te weten.

We maken veel foto’s, krijgen een stempel voor onze credencials, en fietsen in lichte regen terug naar de camping. Niet erg om in deze warme een beetje nat te worden, eerder lekker. Omdat we geen open winkel hebben gevonden blijft er weinig anders over dan vanavond een restaurantje te gaan zoeken.
De weersverwachtingen voor de komende dagen zijn niet slecht. Alleen morgen onweersbuien, overmorgen bewolkt, maar daarna weer zonnig met temperaturen van rond de 30 graden. Dat wordt weer zweten!
Groetjes ut Moissac.

zaterdag 13 juni 2009

Gezond verstand, verantwoordelijkheid…

Zeventiende dag
Zaterdag 13 juni 2009
Rocamadour – Cahors, 73 km

Vanuit Rocamadour zie je aan de overzijde tegen de rotswand de weg vanuit het dal indrukwekkend langs de rotswanden omhoog lopen. Over deze weg zouden we verder moeten. Er komen zelfs drie klimmen achter elkaar, naar 237, 336 en 425 meter! Dat belooft wat. Een korte blik op de kaart doet ons besluiten een alternatieve route te nemen. Niet helemaal de vallei in met de gevolgen van dien, maar lekker ‘bovenover’ via Gramat. Dat is wel dik vijf kilometer om, maar onnodige zware klimmen worden zo vermeden.
Als we om kwart over acht vertrekken is het al warm. Er staat een bloedhete dag te wachten. Alleen al daarom is de planning niet meer heilig. In Cahors zullen we beslissen wat we doen.


Als ik de top bereik van een van de vele klimmen - in dit landschap kunnen ze immers geen vlakke wegen aanleggen…- staat Frans te praten met een Nederlands echtpaar, fietsend op weg van Lourdes naar huis. Ook zij wijken regelmatig af van de ‘Oude Wegen route’, samengesteld door Clemens Sweerman, die kennelijk in elke klim een plezierige uitdaging ziet. Dat geldt slechts in zeer beperkte mate voor zwaar bepakte fietsers zoals wij - zelfs als we op de top in een gehucht aankomen dat Plaisir heet…

Wachten op May...



Als we om kwart voor elf na 32 kilometer in het hooggelegen Labastide-Murat een terrasje pikken - niet letterlijk, we laten het gewoon staan als we weer vertrekken, stel je voor… - is het al dik 25 graden. En die twee Hollanders vragen om warme chocolademelk… rare jongens, die Hollandais, zie je ze denken.
De naam Murat heb ik eerder gehoord. Hij was een zwager van Napoleon, die - familiemens als hij was - hem tot koning van Napels liet kronen. Deze Joachim Murat werd hier geboren, waardoor de gemeentenaam Labastide spontaan een toevoeging kreeg… en zijn geboortehuis als museum werd ingericht. Murat werd gefusilleerd. Het kan verkeren. Op onze route liggen de drama’s voor het oprapen.

Vanaf Labastide-Murat volgt een lange afdaling. We komen er echter te laat achter dat we op de verkeerde weg zitten. Rechtsomkeer en weer omhoog, op zoek van de afslag die we hebben gemist. Een boer wijst ons een mooie afkorting. Deze weg mag je namelijk beslist niet missen: het is een onovertroffen heerlijke afdaling van kilometers naar het dal van de Vers, die een heel eind verder uitmondt in de Lot, hier uitgesproken als Loo. Het dal is aan beide kanten schilderachtig afgebakend door hoge steile krijtrotsen. Het riviertje kent verschillende sprookjesachtige stroomversnellingen, zo fraai dat ze in een zwemparadijs van Centerparcs niet zouden misstaan.



Onderweg passeren we St.-Martin-de-Vers, een Anton Pieck-achtig dorp, met een knots van een kerktoren, die meer lijkt op een kasteel. Ook weer gebouwd om in vroeger tijden de plaatselijke bevolking een veilige schuilplaats te bieden tegen rondtrekkende legers. We fietsen letterlijk door de rijkdom van de geschiedenis.

Vandaag horen we voor het eerst het snerpende geluid van de cicades, hier cigalles genoemd, die overigens niet verward mogen worden met krekels. Het meelijwekkende leven van deze luidruchtige insecten speelt zich voor het grootste deel ondergronds af in de gedaante van ‘stille larve’; waarna ze dan eindelijk in alle vrijheid het luchtruim mogen kiezen. Helaas echter slechts enkele dagen. Ze sjirpen en snerpen zich letterlijk naar hun levenseinde. Over perspectiefrijke toekomstverwachtingen hoeven we het verder dus niet meer te hebben.

In Vers, na zesenvijftig kilometer, vinden we een bankje in een kastanjelaantje om onze lunch te gebruiken. Zoals altijd smeert Frans de boterhammen. Het is heet. De kerk slaat een uur. Nog 16 kilometer naar Cahors en daarna nog 25 met enkele langere klimmen.


Als we om twee uur met ruim zeventig kilometer op de tellers in Cahors aankomen, hebben we een diepgaand overleg of het wel verantwoord is om nog verder te rijden. Het is intussen 32 graden, geen zuchtje wind en broeierig. Ik stel voor om hier onze tent op te slaan en de route voor de komende dagen aan te passen. De Fransen hebben niet voor niets ‘s middags alles gesloten, en houden niet voor niets een middagslaapje. Daaraan kunnen wij, gekke Hollandais, ons het beste maar aanpassen.
Enige tijd later liggen we in de schaduw van de bomen rond onze tent te rusten en nemen ons voor om voor de rest van de dag slechts het hoognodige te ondernemen. Boodschappen doen, koken. Frans maakt gebruik van het zwembad terwijl ik de blog bijwerk op het terras. De stad bezoeken we in de vooravond, na het eten.

Cahors is aan drie kanten ingesloten door de Lot. Het is een oude stad waar onder andere een van de in Avignon gekozen schismapausen resideerde. De prachtige, uit 1119 daterende kathedraal, genoemd naar St.-Etienne, is een bouwkundig hoogtepunt. De romaanse koepelgewelven behoren tot de grootste uit de stijlperiode van destijds. Het portaal is volgens de kenmerken van de school van Moissac rijk gebeeldhouwd en een dankbaar onderwerp voor ontelbare fotolenzen. Vroegere pelgrims bezochten hier een relikwie die volgens zeggen afkomstig was uit de lijkwade van Christus.
We volgen met de fiets de historische pelgrimsroute door de stad. De beroemde Pont Valentré met drie torens en poorten op de bogen is een van de mooiste vestingbruggen van Europa. In de middelste toren ontbreekt een steen. Op die plek is een klein duiveltje zichtbaar. Een oude legende verklaart dit nader. De bouw lag ooit een tijdlang stil. De duivel bood zijn hulp aan: er kon worden verder gebouwd als de bouwheer na voltooiing zijn ziel aan hem zou afstaan. De man was dan wel van gisteren, maar niet figuurlijk. Slim redde hij zijn ziel door de laatste steen van de middelste toren niet te laten metselen… en op die plek staat nu dat duiveltje.



Hier de aangepaste route:
Zondag 14 juni - Cahors - Moissac, 65 km
Maandag 15 juni - Moissac - Castéra-Verduna, 80 km
Dinsdag 16 juni - Castéra Verduna - Maubourguet, 70 km
Woensdag 17 juni - Maubourguet - Lourdes, 60 km
De rustdag in Lourdes vervalt, omdat de routes ingekort zijn en te beschouwen vallen als ‘halve rustdagen’.


Vanavond, terwijl wij Cahors bezoeken, vieren John en Karin feest; John wordt zestig, en samen ze zijn 35 jaar getrouwd. Proficiat van ons uit het oude Cahors.

vrijdag 12 juni 2009

Rocamadour… een historisch sprookje




Zestiende dag
Vrijdag 12 juni 2009
Chapelle aux Brocs – Rocamadour, 56 km
Om kwart voor zeven zitten we aan het ontbijt aan ‘ons’ picknickzitje. Wat is ‘t stil hier. En koel. Alles is superbedauwd, dikke druppeltapijtjes parelen op alles om ons heen. Het kon wel gestortregend hebben. We zijn er extra vroeg uit vandaag om niet te laat in de middag in Rocomadour aan te komen. De tent enigszins droog krijgen vergt veel tijd.
Om kwart over acht pas verlaten we deze verrassende minicamping. Eerst zevenhonderd meter stijl omlaag en daarna meteen omhoog, drie kilometer aan 8% liefst. Later komen er nog meer klimmen. Van de eerste tien kilometer vandaag moeten we er liefst acht diep in de beugels. Et zweet gutst! Als we de hoogte bereikt hebben kiezen we voor de ‘gele weg’ op de kaart en laten de ‘paarse’ pelgrimsroute voor wat ie is. Dit rijdt een stuk comfortabeler. Het weer is schitterend. Vanmiddag zou het 30 graden kunnen worden, maar dan hopen we niet meer op de fiets te zitten.
Na 17 kilometer passeren we Turenne, een geweldig oud stadje op de top van een steile heuvel; het doet een beetje denken aan Mont St.-Michel. Op de top staan opzichtig de resten geëtaleerd van wat in een ver verleden ooit eens een machtig kasteel was. Ook Nederland is hier min of meer vertegenwoordigd. De 17e-eeuwse kerk werd voltooid door Elisabeth van Nassau, een dochter van onze Vader des Vaderlands, Willem van Oranje.
Van hieruit rijden we, opnieuw via de alternatieve D8 door het dal, het departement Lot (spreek uit ‘Loo’) binnen. In Les Quatre Routes du Lot (wát een naam voor een dorp!) maken we een eerste pauze. We hebben 26 kilometer achter de wielen met een klimmend gemiddelde van ruim vijftien. Na de ‘chocolat chaude’ gaat het zeven kilometer omhoog naar het middeleeuwse Martel. Dit stadje ontstond door toedoen van mijn bloedeigen voorvader Karel Martel, de opa van de illustere Karel de Grote. Na zijn historische overwinning op de Moren in de heuvelachtige ommelanden van Poitiers liet hij in 732 hier een kerk bouwen. Eromheen kwam het stadje tot ontwikkeling. Het staat nu bekend om zijn zeven torens, de blikvangers van enkele oude kerken. Het Hôtel de Ville (geen hotel om te overnachten; slapen mogen daar alleen de gemeenteambtenaren…) is gevestigd in een markant vestingachtig gebouw uit de 14e eeuw. In het centrum staat ook een met hout overkapte markthal waar specialiteiten uit de streek aan de man gebracht worden, zoals walnoten - uiteraard - en truffels, die in de haute cuisine gebruikt worden. Dat is aan ons niet besteed, want wij houden als energieverslindende fietsers alleen maar van volle borden met veel koolhydraten en rauwkost..!
Steeds meer zuidelijke invloeden doen zich gelden, niet alleen in het landschap en de plantengroei maar ook in de bouw van de kerken. In dit gebied waar regelmatig oorlogen en veldslagen voorkwamen moesten ze voor de geplaagde bevolking ook bruikbaar zijn als toevluchtsoord bij gevaar. Opvallend zijn ook enorme weiden vol notenbomen.
Het is een fantastische fietsdag vandaag, een van ah’s en oh’s. Kort na Martel komt weer zo’n moment in de vorm van een wondermooie afdaling naar het dal van de Dordogne met zijn kalksteenrotsen. Zo komen we in het vakantieoord Meyronne, waar twee campings liggen en veel gekanood wordt. Maar nergens een bankje om even te kunnen eten.
Dat doen we ten langen leste ergens in de berm, met een rotsblok als zitplaats. Het routeboekje kondigt een klim aan van twee kilometer aan 7 procent… daar kun je niet met een lege maag aan beginnen. Het is inmiddels warmer geworden. De zon steekt en begint zijn naam als ‘koperen ploert’ voelbaar waar te maken. Een kilometer of wat na deze pauze worden we rechtsaf gedirigeerd… eigenlijk meer rechtsóp: als een muur stijgt een smal hobbelig binnenweggetje omhoog. Nauwelijks schaduw. Een stuk steiler dan de ‘beloofde’ 7 procent. Frans valt de helling aan met de van hem bekende krachtige pedaaltred. Ik blijf achter. Het zweet loopt in mijn ogen. Ik stap af, bind mijn helm op de bepakking, zoek ergens een doekje om de saunadruppels tijdig weg te vegen, en zet moeizaam de hete helletocht voort… eigenlijk meer de ‘drekkige Himmelfahrt’, want het gaat bepaald niet omlaag. Deze verschrikkelijke beklimming naar Mayrinhac zal me tot in lengte van dagen bijblijven. Wie verzint zoiets om een dergelijk weggetje op te nemen in een route voor zwaarbeladen fietsers..?! Daar zijn we het allebei roerend over eens.
Gelukkig is het vervolg een stuk aangenamer. De weg loopt verder over een heuvelrug richting Rocamadour. Het plaatsje l’Hospitalet, waar we tegen half twee aankomen, wordt van Rocamadour gescheiden door de enorme, gapende kloof van de rivier de Alzou.
Minutenlang staan we aan de rand van het dorp te genieten van het onvergetelijke panorama op het tegenovergelegen kunstwerk van boven elkaar en half in de rotswand gebouwde huizen, kloosters en kerken. Het lijkt er allemaal haast tegenaan geplakt. Indrukwekkend, hoe hebben ze het klaargespeeld. Thuis heb ik er al een hele tijd van genoten, want al maanden siert dit panorama het bureaublad van mijn ‘ordinateur’. En ik ben er nog steeds niet op uitgekeken. Voor Frans is dit volslagen nieuw. Hij is sprakeloos.
De camping heet Le Comp’Hostel, een toepasselijke naam voor ons. Na het laten drogen en opzetten van de tent, waarbij andermaal blijkt dat prehistorische werktuigen als dikke stenen nog steeds niet afgeschreven hoeven te worden om haringen in de stenige grond te krijgen, en een kop lekkere zelfgezette soep, begeven we ons naar het stadje aan de overkant van de kloof. Er loopt over de hoogte een weg omheen, zodat we boven kunnen beginnen en langzaam afdalen. Boven in de rotswand steekt een zwaard, volgens de legende het beroemde zwaard Durandal van Roland, de paladijn van Karel de Grote, die in Roncevalles een tragisch einde vond. Als we daar zijn, zal ik er meer over vertellen
Rocamadour dankt zijn naam aan de kluizenaar Amadour, die hier in de elfde eeuw zijn leven sleet, en vervolgens heilig verklaard werd. Door de aanwezigheid van de Zwarte Madonna, een wonderbeeld, groeide de plaats snel uit tot een belangrijk Europees bedevaartsoord, dat ook aangedaan werd door pelgrims op weg naar Santiago… zoals wij nu als zoveelste in een eeuwenlange rij. Ook werden vroeger vaak boetelingen door de rechters naar Rocamadour gestuurd. Niet alleen pelgrims en criminelen, maar ook vele graven, koningen en bisschoppen vonden hun weg hier naartoe. Hun namen staan in Gotische letters geschilderd op een groot bord tegen de rotswand om ‘voor altijd’ in de herinnering te blijven van het mensdom dat nog steeds massaal toestroomt.
Als we in de kapel van de Zwarte Madonna zitten komt een Franse rondleidster binnen met een groep en begint een verhaal af te steken over de geschiedenis en de wonderweken van de Zwarte Madonna. Al zij uitgerateld is vragen we haar voor een stempel op onze credencial. Die geeft ze graag in een speciaal kantoortje. Ze is zeer geïnteresseerd en vraagt honderduit. Je voelt je als pelgrim serieus genomen.
Vanuit het laaggelegen centrum leidt de ‘Grand Escalier’ omhoog naar de heiligdommen; de Grote Trap van 216 ruwe treden, die je tegenwoordig nog af en toe door mensen op hun blote knieën beklommen ziet worden als finale boetedoening. En Frans? En ik? Nee, ons geweten is schoon genoeg. Wij lopen trouwens de trap omlaag…
Als we beneden aankomen constateren we dat het huidige Rocamadour weinig verschilt met ons Valkenburg. Souvenirshop aan souvenirshop, overal praktisch hetzelfde te koop. Daar ben je snel op uitgekeken. We nemen de lift naar boven… jawel, de heren.
We doen boodschappen, koken onze maaltijd in de schaduw van een boom en genieten een uiterst calorierijke maaltijd. Morgen wordt het weer een zware dag, die begint met een afdaling in de kloof, gevolgd door een lange klim eruit. Ook de rest is niet mals. We krijgen het bepaald niet cadeau.
Groetjes uit Rocamadour.

donderdag 11 juni 2009

Het volgende meevallertje


Het hele huis van het echtpaar Bradbury - ik dacht gisteren nog dat ze Steward heetten - ruikt naar gebakken spek en ei als ik de slaapkamerdeur open. Bacon and eggs. English breakfast. Alleen voor Stuart en Pauline, of ook voor ons?
Buiten is het bewolkt met af en een straaltje zon. De lucht ziet er nog niet uitgeregend uit. Er zijn gisteren weer de nodige emmers uitgevallen. Toen we uit eten waren motregende het een hele tijd, later op de avond gevolgd door echte plensbuien. Dan is het maar goed dat je niet in een tentje ligt. Volgens de méteo komt er vandaag een weersverbetering. Droog en 21 à 22 graden. Geweldig fietsweer. Vanaf vrijdag briljant met 30 graden… eigenlijk wat teveel van het goede.
We zaten hier goed bij de Bradbury’s. Vooral gisteravond na het ’blogwerk’ was het nog lang gezellig. Stuart,gesierd met een zelf bekostigde enorme buikpartij, kan over van alles meepraten. En Pauline, voormalig teacher, eveneens. Nee, aan gespreksstof geen gebrek. Pauline maakte nog een hot chocolate met een scheutje brandy voor ons klaar. En Stu adviseerde ons vandaag een andere, minder zware route te nemen naar Donzenac. Dat gaan we vandaag proberen.
Om kwart over acht zitten we aan een weelderig ontbijt, stijlvol opgediend in de voorkamer. De hele tafel staat vol: croissantjes, broodjes van bladerdeeg, gewone broodjes, geroosterde sneetjes, sinaasappelsap, koffie, melk, muesli, verschillende soorten jam, chocoladepasta. Een hoorn des overvloeds. Zelfs nog een yoghurttoetje na. We besluiten de vijf euro, die Frans gisteren afgepingeld heeft, alsnog te geven. We krijgen een visitekaartje om een kaart te sturen als we in Santiago zijn aangekomen. Leuke mensen, die Engelsen.
Om kwart voor negen verlaten we 17 Rue d’Arsonval, nagezwaaid door Pauline. Onze vijftiende fietsdag, de eerste van de derde week alweer. We komen er al snel achter - nou snel… - dat de goede Stuart ons een prachtige fietsweg gewezen heeft. Weliswaar is er na een lange en koude afdaling vanuit St.-Germain een lange en uiterst pittige beklimming voor nodig, daarna rijden we op de D920 over een heuvelrug zuidwaarts. Op z’n tijd wel af en toe een lang uitgestreken klim, die daarom niet zo steil is, maar het schiet heerlijk op. Eindelijk weer eens ‘gewoon fietsen’. Links omlaag kijkend zien we de heuvels waarop we eigenlijk hadden moeten afzien zoals de afgelopen dagen. Waarom rijden we niet daar? We hebben geen greintje schuldgevoel. Het gaat erom dat je in noordwest Spanje komt… tóch? En wegen zoals deze (een voormalige Route Nationale die zijn betekenis verloren heeft door de aanleg van de autoweg, en daardoor ook nog eens helemaal niet druk is) werden ooit niet voor niets aangelegd. Met name voor bespannen wagens van reizende kooplieden, de expediteurs van vroeger; de hellingen moesten ‘te doen’ zijn. Zoals ook nu voor ons. Waarom overkomt ons dit? Waarom lopen we op een moment dat we even zelf niet meer weten uitgerekend deze Stuart Bradbury tegen het lijf, die ervoor zorgt dat we vandaag op een ontspannen manier naar de volgende bestemming kunnen? Er lijkt meer tussen hemel en aarde dan wij kunnen vatten.
Onderweg passeren we het gehucht La Croix de Fer, het ijzeren kruis. Dat doet meteen denken aan het hoogste punt van onze reis straks in Spanje, Cruz de Ferro, waar we onze steen op de grote hoop zullen gooien. Maar zover is het voorlopig nog lang niet.
Na 25 kilometer - de weg is nog korter ook - rijden we Uzerche binnen. Interessant voor mijn afstamming. Volgens de overlevering speelde deze stad een belangrijke rol bij de strijd tegen de Moren van Karel Martel, mijn oude voorvader. Na de slag bij Poitiers in 732 - ik was er op de voormalige slagvelden met John in 1998 op weg naar Lourdes - was Uzerche zeven jaar lang belegerd geweest maar nooit ingenomen! We komen Karel morgen nog eens tegen.
Het schiet lekker op via die D420, die bij het binnenrijden van het departement Correze verandert in D920. Heerlijk fietsen. Mijn zitvlak heeft zich intussen weldadig aangepast aan het nieuwe zadel, dat ik gisteren toch nog anderhalve centimeter naar achteren verplaatst heb. Een gouden greep.
Om half één al zijn we op onze geplande eindbestemming, Donzenac, een prachtig stadje, uiteraard weer boven op een heuvel. Met slechts 52 kilometer op de teller. We hebben door de heuvels een gemiddelde gereden van 18! Nadat we eerst op een terras gezeten hebben, maar weer vertrokken zijn vanwege de schandalig hoge prijzen, zitten we te eten uit de ‘ontbijtdoos’ op een stenen bankje tegenover de Mairie. We besluiten een eind verder te rijden, de eerste afwijking van onze planning. In positieve zin dan. Na de stad Brive la Gaillarde is een boerderijcamping, opgezet door Nederlanders. Die info hadden we van Willemien - hoe zou het met haar zijn..?
Brive la Gaillarde blijkt een verrassend grote stad, gedrapeerd tegen de heuvels, een beetje als Luik. We kijken onze ogen uit als we vanaf de hoogte in de stad neerdalen. Op een terrasje ‘vergeet’ een serveerster Frans het wisselgeld terug te geven; hij laat het er niet bij zitten en zet een politionele achtervolging in om even later met zijn rechtmatige buit terug te keren aan ons tafeltje. Zo doet het Ministerie van Financiën het ook, want Frans beheert onze gezamenlijke beurs, onze ‘kas’. Die is dus in uitstekende handen.
Tien kilometer na Brive (via de D921) bereiken we na een pittige klim - waarbij het laatste stukje voor mij een noodgedwongen voetreis wordt, terwijl Frans het wél haalt - de veronderstelde ‘boerderijcamping’ in Chapelle aux Brocs. Een boerencamping is het allesbehalve. De officiële naam Domaine la Chapelle onderstreept dat.
Wat Ronald en Angelique Maessen hier in zeven jaar opgebouwd hebben, is schitterend. Gebouwen piccobello in orde, perfecte inrichting, prima restaurant. Fantastische ligging, geweldige panorama’s. Really a place to be - de Engelsen laten hun sporen na.
Opnieuw een prachtige meevaller voor ons dat we hier 'toevallig' terecht mochten komen. Er wordt ‘boven’ goed voor ons gezorgd.
Bovendien is er internet, waardoor we opnieuw het laatste nieuws kwijt kunnen.
Jullie reacties zijn werkelijk prachtig. Een feest om ze te lezen en op die manier ’bij elkaar’ te zijn.
Tot morgen in Rocamadour!

woensdag 10 juni 2009

De eerste duizend zitten erop



Veertiende dag
Woensdag 10 juni 2009
Bénévent – St.-Germain-les-Belles, 77 km

Uiteraard was de nacht in een gewoon bed weer van ‘thuiskwaliteit‘… hoewel… je mist toch wel wat. In de gîte sliep ook een Franse pelgrim, in alle opzichten een einzelgänger - het Franse woord daarvoor ken ik niet. Zelfs bij ons ontbijt houdt hij zich afzijdig en gaat in de stad ontbijten. Dus zitten we lekker met z’n tweeën aan ons déjeuner Hollandais. Hieronder een geweldige ontbijtdialoog.
Frans: “Dus eerst nog even naar de ‘internet-Joep’…
May: “’t is een vrouw, dus een ‘internet-Josephine’.
Frans: “Oké, een ‘internet-wifi’ dan…”

Buiten is het half bewolkt, koud en nauwelijks wind. Maar als we even na negen uur buiten de bebouwde kom aankomen, blijkt Aeolus wel degelijk aanwezig, zij het wat minder stormachtig dan gisteren. We beginnen met een foutje (niet bedankt…): afdalend naar een diep dal (waarna altijd weer een klim volgt) bemerk ik dat we de zon in de rug hebben… we rijden naar het westen! Dat kan niet, we moeten zuidwaarts. Dus rechtsomkeer, de berg weer omhoog, op zoek naar de juiste weg. Dik drie kilometer voor de…. vul dat zelf maar in.
De routeomstandigheden wijken niet veel af van gisteren. Lange klimmen, lange snelle afdalingen, lange klimmen. We krijgen ze van meet af aan weer … juist, ja.

Als we in het dorp St.-Martin Ste.-Cathérine een oud romaans kerkje passeren waarvan de deur openstaat, stappen we even af om buiten en binnen wat foto’s te maken. Onwaarschijnlijk vervallen, scheuren in de muren, afbladderende verflagen, zelfs rattenkeutels op het priesterkoor. De kerk in Frankrijk… ‘God in Frankrijk’ begint zijn weelderige glans te verliezen.
Na 40 kilometer maken we in Le Châtelet-en-Dognon een pauze waarbij we een omelet met salade tot ons nemen. Dat is hard nodig, want het voortdurende klimmen vreet aan je krachten. We zijn immers nog maar pas op de helft. We hebben tot op dit moment een gemiddelde gereden van ruim 15 per uur. Best goed onder deze omstandigheden.

Na bijna 50 kilometer rijden we na een fikse klim het hooggelegen St.-Leonard binnen. De massieve granieten toren van de 12e-eeuwse kerk is al van verre zichtbaar met rondom rustige pleintjes en straatjes waarin het middeleeuwse stratenpatroon nog duidelijk herkenbaar is. De grondslag voor dit stadje werd rond 550 gelegd door de kluizenaar Léonard, wiens graf zich in de kerk bevindt. Omdat hem de twijfelachtige eer ten deel viel tot patroon van de gevangenen bestemd te worden, hangen er een aantal kluisters boven zijn graf. Overigens is St.-Leonard de geboorteplaats van de wielrenner Raymond Poulidor, de ‘eeuwige tweede‘… min of meer mijn persoonlijke ‘patroonheilige’ dus…want fietsen met de oersterke François Kiestèr laat me geen ander keus.
Van hieruit is het nog 30 kilometer tot St.-Germain-les-Belles, onze eindbestemming, ook alweer gelegen op een heuvel. Er zijn daarvoor nog een behoorlijk aantal gemene en lange hellingen te nemen. Maar als je in Santiago wil komen hoort dat erbij. Zelfs als ze, zoals de laatste klim, met de Franse slag volgegooid zijn met nieuw split om het erbarmelijke wegdek enigszins te camoufleren… kortom, een vreselijk klim door de regen, waarbij regelmatig door hoge ‘splitduinen’ geploegd moet worden. Aeolus doet er weer een schepje bovenop. Het wordt weer puur afzien. Ergens horen we in gedachten de stem van pap: “Keengerkes, keengerkes, ‘t gieët gee erger leed es dat me zich zelf aan deet…” ‘De profeet’ had alweer eens gelijk…

Als we om kwart over vijf onze missie voor vandaag voltooid hebben en behoorlijk afgepeigerd boven in het dorp op plein staan rond te kijken voor een bord naar de camping, stapt er een man uit een klein bestelbusje. Hij blijkt een Engelsman - Frans ziet dat meteen aan het stuur aan de rechterkant -, sinds twee jaar in Frankrijk woonachtig. Ik vraag hem de weg naar de camping.
“Waarom zouden jullie naar de camping gaan als jullie bij mij thuis bed & breakfast kunnen krijgen..?” luidt zijn wedervraag. In het Engels welteverstaan. Na een korte onderhandeling over de prijs weet Frans er nog 5 euro vanaf te pingelen. Omdat we pelgrims zijn.
Waarom komen we uitgerekend op dit moment deze man tegen? Toeval? Of is hij een van de ‘engelen’, die je vaak in hoogste nood tegenkomt? Hoe dan ook: zo komen we voor de derde achtereenvolgende nacht in een normaal bed terecht. De heer des huizes heeft internet, waardoor jullie bovendien nog eens het laatste nieuws kunnen lezen.
Hij beveelt ons een heerlijk restaurantje aan, Le Petit Moulin. Daar krijgen we voor een belachelijk lage prijs een heerlijk vijfgangen-diner voorgezet, bestaande uit soep, salade met quiche, kwartel met aarappeldobbelsteentjes, plat de fromage, karamelpudding als dessert en koffie. Met gratis wijn erbij zoveel we willen… helaas moeten we morgen weer fietsen.
Het echtpaar Steward is zeer gastvrij. We hebben goede gesprekken met een goed glas wijn aan hun keukentafel en ze doen alles om het ons zoveel mogelijk naar de zin te maken. Ook deze overnachting zal de geschiedenisboeken ingaan als een onvergetelijke. En buiten regent het pijpenstelen. Alles beter dan de nacht doorbrengen in een tent. Er is dus weer eens iemand 'toevallig' op onze weg gestuurd om ons meer mis`ere dan nodig te besparen.
Groetjes uit St.-Germain-les-Belles. Die ‘Belles’, dat zijn wij zeker niet. Allereerst omdat we er verre van mooi uitzagen toen we hier arriveerden. Op de tweede plaats omdat ‘belle’ vrouwelijk is. Het heet hier niet St.-Germain-les-Beaux; dan zouden we na een douche wellicht voor deze eretitel in aanmerking gekomen zijn… hoewel, we zijn wel beau-frères van elkaar. Dat is al mooi genoeg.

Alouette, gentille alouette…



Dertiende dag
Dinsdag 9 juni 2009
Cluis – Bénévent-l’Abbaye, 77 km


Na en heerlijke nachtrust in een ’normaal’ bed staan we tegen half acht uitgeslapen op. Onze refugegenoten, de voetpelgrims Tom en Tineke Kaufmann uit Nieuw-Vennep, die beneden sliepen omdat hij een echte snurker is - zij heeft daarom oordopjes - zijn intussen al aan het rommelen. We hebben er gisteren een gezellige avond van gemaakt. Tom had gebruik mogen maken van mijn laptopje om een bericht voor hun blog (tintom.waarbenje.nl) te schrijven, waarna we samen naar de hospitalier gegaan waren om het met veel vijven en zessen te plaatsen.
Vanochtend rond acht uur zitten we samen aan de door Tineke gedekte ontbijttafel met vers brood, warm van de bakker. Het heeft vannacht stevig geonweerd. Frans en Tom hebben het meegekregen, terwijl Tineke en ik er gewoon doorheen waren geslapen. Maar zij had oordopjes…
Als we aan de voordeur de fietsen optuigen worden we meteen geconfronteerd met een harde, stormachtige zuidwestenwind. Dat belooft wat voor vandaag. Wilde wolkenpartijen jagen langs het zwerk.
Nadat we volgens afspraak bij ons gezamenlijk vertrek de sleutel onder ‘de steen’ gelegd en elkaar Bon Camino gewenst hebben, stappen we op. Het is meteen vol aan de bak.
Aeolus is een drieste bui en heeft bovendien een deel van zijn personeel ingeschakeld, Notus en Zephyros, de respectievelijke afdelingshoofden zogezegd van de zuidenwind en de westenwind. En die nemen het karwei serieus. Ze pakken het aan als de vuisten van een bokser en proberen ons de ene keer van links en de ander keer van rechts met harde ‘hooks’ van onze fietsen te blazen. En Aeolus zelf zorgt voor een stukje stevige mistral van voren. Tel daarbij op de vele, vele, vele klimmen die het routeboekje ons vandaag voor de wielen legt, dan krijgen we ze - zoals mijn vriend John het zo treffend kan uitdrukken - van verschillende kanten behoorlijk ‘gepiezzeld’. De route van vandaag is een waar paradijs voor klimfanaten, maar daar voelen wij ons met onze vele kilo’s bepakking bepaald niet bij horen. Ook Pluvius steekt nog even een druppelend handje toe, maar weinig overtuigend. Hij heeft zijn beurt gisteren en vannacht al gehad.

Klokslag elf kruipen we vanuit het diepe dal van de Creuze, die in de loop der tijden een indrukwekkende kloof heeft uitgesleten, met rotspartijen en al, na een lange, steile klim het stadje Crozant binnen. In de zomer kun je hier over de koppen (auto’s) lopen, maar nu zijn wij de enige ‘toeristen‘. Bij een kop ‘chocolat chaude’ komt zowaar de zon even tevoorschijn. Collega-god Apollo dus. Crozant, zo lezen we in onze gids, werd reeds in de allereerste, middeleeuwse pelgrimsgids van Aimery Picaud al genoemd als een belangrijke oversteekplaats van de Creuze. Later werd de plaats versterkt met vestingwerken, waar tegenwoordig alleen nog maar ruïnes van overgebleven zijn. Indrukwekkende ruïnes, dat wel.
Bij het verlaten van Crozant worden we halt gehouden door een bord ‘Route barrée’. wegwerkzaamheden over de hele breedte van de weg. Een tweede bord ‘Déviation’ wijst bergop. Allé dan maar… waarna we na een paar honderd meter erachter komen dat er geen verbinding is met de weg die we moeten hebben. Voor fietsers althans. Dus rechtsomkeert naar beneden. Een man in een tuin, die ons even eerder omhoog heeft zien zwoegen, roept ons iets toe.
“Wat sach deë?” vraagt Frans.
Ik rem, keer om, hijs me in mijn veel te grote ‘daalversnelling’ moeizaam weer terug omhoog en vraag hem wat hij zei.
“Je disais”, luidde zijn antwoord, “ça va mieux, hè?!”, de weg omlaag wijzend. Waarom zeggen Fransen soms van die overbodige dingen? Natuurlijk gaat het bergaf beter dan bergop. Gevraagd naar de omleiding vindt hij dat die bepaald niets is voor fietsers. Dus rijden we verder omlaag, lopen tussen de werklui en de machines door en harken vervolgens verder langs zwiepende boomtaken tegen Aelos‘ geweld in.
Het blijft de hele dag harken, beuken op de pedalen door het landschap van de Limousine - met die aparte bruine koeien - dat veel lijkt op de Ardennen waar we de eerste drie dagen doorheen fietsten. Klimmen, dalen, klimmen… en op de top telkens opnieuw in het geweld van de windgoden arriveren.
Om één uur maken we, pas goed halfweg - het gemiddelde is niet hoger dan 13 in het uur - een eetpauze bij een eenzaam, pittoresk overdekt wasplaatsje. Er komen twee Nederlandse pelgrims te voet voorbij, die een foto van ons maken. En wij van hen samen.
Na ruim 50 kilometer rijden we La Souterraine binnen, een klein stadje, weer op een heuvel, met een historische kern. In de middeleeuwen kwamen hier veel pelgrims. De Place St.-Jacques en de gelijknamige straat houdt dit gevoel voor historie levend.
Vijf kilometer later krijg ik een inzinking. De benen willen niet meer rond, zijn de wind beu. Frans gaat het beter af. Wel moe, maar nog lang niet ‘plat’. Dat heb je met die jonge goden… Een terrasje in St.-Priest biedt uitkomst. Een banaan doet de rest. De laatste vijftien kilometer naar Bénévent-l‘Abbaye, ons einddoel voor vandaag, gaan weer als vanouds.

In Benevent is geen camping. Wel een pelgrimsonderkomen tegenover de kerk, een duizendjarige traditie… gesponsord door de Shell! De sleutel zou bij de apotheek verkrijgbaar zijn, zo lazen we in ons boekje. Maar tot onze schrik hoorden we gisteravond al van de hospitalier in Cluis (uitspreken als ‘Klwie’ s.v.p.) dat die recentelijk gesloten was. Wat nu? Pelgrimeren betekent vaak niet weten waar je terecht kunt voor de nacht. Laten we het maar op ons afkomen.
Bij het toeristenbureau worden we door een buitengewoon ongeïnteresseerde baliemeid verwezen naar een ’Chambre d’hôte’ c.q. ‘‘Bed and breakfast’, die we na enig zoeken - en alweer te ver de berg oprijden - vinden op het adres Rue du Monthery 17. Daar blijken ze tot onze verrassing toch, zij het op een ander adres, een nieuw pelgrimsonderkomen of Gîte Pélérin opgestart te hebben. De heer des huizes, een vlotte Engelsman, rijdt ons op zijn fiets voor naar de Rue des Remparts, lager in de stad. Werkelijk een prachtig onderkomen met een ruime, rustieke woonkamer met fauteuils aan een open haard, een keukenafdeling met alles d’r op en d’r aan en boven acht slaapplaatsen. À raison van 15 euro per nacht. Daar hoef je met dit koele en kille, wisselvallige weer je tent niet voor op te zetten. We koken een vorstelijke maaltijd en genieten van een rustige ‘huiselijke‘ avond.
Terwijl Frans met gesloten ogen in een fauteuil zit - hij heeft onderweg iets in een oog gekregen - werk ik aan deze bijdrage, die ik morgenochtend voordat we verder rijden nog op de blog kan zetten in de ‘epicerie’ waar ik vandaag de boodschappen deed. Alles op de stick zetten en dan weer ‘ju’.
Groetjes uit de ‘Gîte Pélérin l’Alouette‘. Vandaar dus de titel van deze bijdrage.
Als we ‘hem’ op de blog zetten zullen we jullie reacties pas kunnen lezen. Vol verwachting klopt ons hart…

maandag 8 juni 2009

Refuge in Cluis



Twaalfde dag
Maandag 8 juni 2009
St.-Amand-Montrond - Cluis, 77 km


Als we om half zeven opstaan (Frans tenminste, ik een kwartiertje later) is er zelfs een waterig zonnetje te bekennen. In het westen hangt een loom, triestig grijs wolkendek ons op te wachten. Het heeft vannacht een paar keer stevig geplenst en de tent is drijfnat. Er blijft weinig anders over dan ze nat in te pakken. Straks zullen we wel verder zien.
Om half negen gaan we weer op weg. De eerste druppeltjes dienen zich al aan en na een kilometer of tien wordt het dermate serieus dat het raadzaam lijkt het regenjasje aan te trekken. Het regenjasje waar ik en tijdje geleden tegenaan liep bij de … Aldi. Acht euro negenennegentig (8,99) kostte het..! Dit blijkt achteraf een van de beste kapitalistische investeringen die ik ooit gedaan heb, want het is werkelijk waterdicht en ‘ademend’.
Pluvius geeft vandaag weer blijk van een gulle bui. Buitengewoon op prijs gesteld door de flora, alles wat groen is. Bij de fauna, waarvan de mens in geëvalueerde vorm nadrukkelijk deel uitmaakt, zijn de meningen verdeeld, vooral bij mij. Ik zou een voorstel willen doen aangaande de tijdstippen van Pluvius’ activiteiten: hij ’s nachts, ik overdag. Maar of daarover te onderhandelen valt..?
Door de regen rijden is echter niet zo erg als het lijkt. Normaal ben ik een typische ‘mooiweerfietser’ die er niet aan denkt om op de fiets te stappen als de buienradar nattigheid in het vooruitzicht stelt. Een beetje een watje dus. Maar anderzijds zorgt regenval voor meer zuurstof in de lucht, waardoor je beter presteert. Dat blijkt ook vandaag weer: ondanks het moeilijke heuvelachtige parcours rijden we een gemiddelde van tegen de 18.
Op een lange rechte weg stopt een tegemoetkomende auto aan de overkant van de weg. De bestuurder draait zijn raampje open en roept:
- “Vous allez à Saint Jacques!?” En op onze bevestiging: “Bonne route et bon courage!” Bij het doorrijden horen we hem weer optrekken en zijn weg vervolgen. Dit zijn bijzonder leuke intermezzi.
Bij het binnenrijden van Chateaumeillant na zo’n 35 kilometer besluiten we even te pauzeren stappen we als twee verzopen katers binnen bij een ‘Bar/Tabac’, een opvallend net en proper etablissement, waar drie tafeltjes zijn bezet. Onmiddellijk verstommen de gesprekken. Ons “Bonjour” wordt nauwelijks beantwoord. De waard en zijn vrouw staan als versteend achter de tapkast, ongelooflijk verstard. Ik zie de vrouw denken: Heb ik daarvoor onze heldere lichte tegelvloer vanmorgen nog eens extra gepoetst..? Als de waard twee warme ‘chocolats’ bij ons tafeltje brengt, kan ik met een luchtig “Il fait bon ajour’hui, n’est-ce pas?” slechts een vage grimas op zijn gezicht teweeg brengen. Nee, op ons hebben ze kennelijk niet zitten wachten. Gevraagd naar de ‘Méteo’ voor vandaag verklaart de vrouw met haar intens trieste gezicht dat het de hele dag blijft regenen en dat het nog dagen nat blijft.
- “Jusqu’à vendredi…” Tot vrijdag…

We besluiten van het routeboekje af te wijken en te kiezen voor de iets drukkere rechte D-weg. Die loopt lekkerder dat het keren en draaien door de kleine dorpjes aan weerszijden. De klimmen blijven wel, en heel veel, maar ze zijn niet zo steil en lopen geleidelijker omhoog. In de regen rijden is nu eenmaal niet echt genieten; daarom kun je er het beste zo snel mogelijk vanaf zijn.
In La Châtre, een oud pelgrimsstadje op een steile heuvel, rijden we helemaal omhoog in de hoop een open restaurant te vinden voor een warme kop soep. Alles dicht. Maandag in La France. Als we bijna de stad weer uit zijn ziet Frans (ik was al doorgereden) in een zijstraatje een Café Routiers, voornamelijk voor truckers en vrachtwagenchauffeurs. Hier genieten we van een uitgebreide salade en een kop koffie met een flinke scheut ‘de la vache’. Intussen is de regen even opgehouden en lijkt er in de verte verbetering te bespeuren. Maar als we eenmaal weer op de fiets zitten komt Pluvius weer uit zijn schuilhoek te voorschijn. Hij lijkt van continuïteit te houden.
Over vaches gesproken: ik lijk er in mijn regenuitmonstering met wit petje onder mijn helm nogal schrikwekkend uit te zien; bij nhet passeren van een wei sloeg de hele kudde verschrikt op hol!
Andermaal besluiten we een afkorting te nemen. Maar ditmaal komen we echt op de koffie (zonder ‘de la vache’). De kaarsrechte weg tussen weiden door is een ongelooflijke aaneenschakeling van klimmen en dalen. Zoiets als de rups op de kermis, maar dan veel uitgestrekter. Wat we ons eerder bespaard hadden kregen we nu dubbel en dik als spaartegoed uitgekeerd. Met als klap op de vuurpijl een steile klim naar onze eindbestemming, het hooggelegen Cluis, een bedevaartsplaats ter ere van Maria, troosteres van de bedroefden… maar daar horen we vandaag niet bij. We kiezen niet voor de camping maar voor de ’refuge’, speciaal voor Santiagopelgrims. Die is gevestigd in een klein huisje aan een schilderachtig pleintje achter de Middeleeuwse kerk.
Met boven een slaapzaaltje met twee stapelbedden, en beneden wc en douche en een zitkamertje annex keuken met kookplaat, ijskast, magnetron en wasdroger (!). Onze fietsen mogen in de ‘woonkamer’ gestald worden. En dat voor de prijs van zeven euro per nacht. Als je in staat bent om meer te geven, dan mag dat uiteraard. We rekenen een tientje per man af. In het gastenboek zien we dat Jan Geerts en Frans Magieke, die we enkele geleden onderweg troffen, hier gisteren overnacht hebben.
Later, als de droger loopt, begint het buiten te onweren. Dan krijgt deze keuze nog eens extra glans. Och, wat blijven wij toch bofferds. Bovendien heeft de ‘hospitalier’, de beheerder van deze refuge, die een eindje verder om de hoek woont, thuis een heuse internetverbinding beschikbaar. Daar ga ik straks dit bericht op de blog zetten…. Dat terwijl ‘bij ons thuis’ repetitie van het kerkkoor is… Jesús, je voudrais te chanter sur la route…

Terwijl ik dit tik, lopen de volgende pelgrims binnen, degenen die vannacht de andere twee slaapplaatsen zullen bezetten. Een druk pratend echtpaar van onze leeftijd. We zullen wel zien hoe dat straks ‘werkt‘.

De reacties van gisteren waren overweldigend. Vooral die van mijn kinderen. Het doet mijn oude hart zo goed om te lezen hoe jullie met onze tocht meeleven, zowel grappig als inhoudelijk. Ellen die gretig de vragen van Per beantwoordt. Geweldig. Je zit dicht in de buurt, El. De oppergod was Jupiter (bij de Romeinen) of Zeus (in de Gr1ekse mythologie). Beiden hadden hun ‘personeel’ voor de meest uiteenlopende zaken. Pluvius zorgde voor de regen. Aeolus was aangesteld als heerser over de wind, met ook weer zijn eigen ‘onderpersoneel’ voor de vier afzonderlijke windstreken. Voor mijn gevoel een beetje vergelijkbaar met onze ene God, zijn engelen en zijn heiligen; met dát verschil dat die géén goden zijn. Het voert in dit kader te ver om daar dieper op in de gaan. Dat kunnen we ooit eens doen als ik weer thuis ben. Maar hoe dan ook, jullie reacties hebben me diep getroffen. Ik ben ook trots op jullie!
Sorry dat ik niet verder in ga op de overige reacties. Maar ze zijn en blijven heel belangrijk voor ons. Groetjes uit de refuge.