donderdag 4 juni 2009

Een halve rustdag in Vézelay…


Achtste dag
Donderdag 4 juni 2009
Auxerre – Vézelay, 56 km
Na een verkwikkende nachtrust ontwaken we om kwart over zes. Om tien over acht rijden we de poort uit en zitten meteen op de goede weg. Wel wat anders dan gisteren in ‘Trwa’. De eerste kilometers volgt onze route het schone, vlakke dal van de Yonne, dus aanvankelijk makkelijk te fietsen. Vorig jaar reden we honderden kilometers langs de Rijn, die overigens wel wat breder is. Via de D100 passeren we steile kalkrotsen, de Rochers du Saussois.
Na 20 kilometer komen we in Cravant dat zijn weg naar de geschiedenisboeken vond vanwege een belangrijke veldslag in 1423, waarbij de Bourgondiërs de verzamelde legers van de Franse koning vakkundig in de pan hakten… waar is er nooit wat gebeurd..?
In Châtel-Censoir, waar net markt is, maken we na 42 kilometer een pauze op een terrasje, waar vlak voor onze neus een Franse madame vakkundig een spiegel van een geparkeerde auto af rijdt. Een typisch Frans volksoploopje is het gevolg.
Het oude stadje is gedrapeerd rond een hooggelegen kerk (met een crypte uit de vijfde eeuw..!) boven de rivier de Yonne. Diverse wijnkelders nodigen uit voor een Bourgondisch bezoek; maar dat is onderweg aan ons niet besteed.
Na Châtel-Censoir klimt de weg gestaag omhoog. Eerst stevig vals plat door een klein dal tot op een beboste heuvelrug en dan drie kilometers aan 7 procent. Tijdens de afdaling ontvouwt zich aan het einde van het bos een geweldig panorama op Vézelay, op de top van een hoge heuvel oprijzend tussen de wijnvelden. Onvergetelijk.
Eerst weer 7% omlaag, maar dan weer net zo pittig omhoog het stadje in, het laatste deel van een enerverend Cauberggehalte. Naar de camping moeten we aan de andere kant weer omlaag. Jammer. De klok klept het Angelus als we de poot van de camping annex Auberge de Jeunesse binnenrijden. Geen mens te zien. Wie komt er ook zo vroeg op de dag al op een camping aan..? Wij dus, want we willen ruim de tijd hebben om de stad te bezichtigen. We kiezen een van de weinige vlakke plekjes en installeren ons. Het terrein in lichte terrasvorm ligt mooi afgelegen en is lekker rustig. Het uitzicht over een prachtig dal en hoge heuvels is schitterend. Er is zelfs een overdekt hok met stroom waar ik alvast kan beginnen met dit dagverslag. Of er internetverbinding is blijft onduidelijk omdat er niemand is om deze vraag te beantwoorden.
Na gegeten, gedoucht en de was gedaan te hebben gaan we naar de stad. Niet zomaar een stad. Vézelay vormt door de eeuwen heen een hoogtepunt op de pelgrimsroute. Pelgrims uit vele landen kwamen hier samen om gezamenlijk verder te trekken over de Via Lemovensis, een van de vier hoofdroutes door Frankrijk. Dat zorgde in de Middeleeuwen voor een enorme drukte. In 1146 trok te bekende monnik en kloosterstichter St.-Bernardus vanuit Vézelay met een enorm leger kruisvaarders naar Palestina. De stad staat op de Werelderfgoedlijst van de Unesco en is toeristisch bijzonder in trek. Smalle straatjes, ongeschikt voor bepakte fietsen en nauwelijks door lege, leiden steil omhoog naar de top, waar de Sainte Madeleine, een enorme romaanse kathedraal uit de 12e eeuw, staat te pronken. De Kelten en de Romeinen bezaten al een heiligdom op deze gewijde heuvel. Het belangrijkste van de Sainte Madeleine zijn de relikwieën van Maria Magdalena. De echte? Dat is moeilijk meer vast te stellen. In de tijd van Maria Magdalena bestond er nog geen DNA. Hoe dan ook moet ik hier in Vézelay even denken aan het wereldschokkende boek van Dan Brown, The Da Vinci Code, waarin Maria Magdalena wordt neergezet als een zeer bijzondere vrouw, die in de kerkelijke geschiedenis ten onrechte een ondergeschikte rol als lichte vrouw kreeg toebedeeld. Maar dat was ze absoluut niet. Dat beeld is het gevolg van een lastercampagne die door de vroege Kerk is gevoerd. Maria Magdalena moest in diskrediet gebracht worden, haar belangrijke rol uit de bijbel worden geweerd. Meer in het bijzonder het huwelijk tussen haar en Jezus… het is in de geschiedschrijving terug te vinden, volgens Dan Brown.
Toen Jezus gekruisigd werd, was zij zwanger van Hem: de grootste doofpotaffaire in de geschiedenis van de mensheid. Niet alleen was Jezus getrouwd, Hij was ook nog ‘ns vader! Maria Magdalena was het heilige uitverkoren werktuig. Maar dit paste niet in het concept van de vroege kerk van Christus.
Daarom werden de bewijzen dat ze de vrouw van Jezus was aan het daglicht onttrokken en het beeld van lichte vrouw aan haar gekoppeld. De Kerk pleegde hiermee historisch bedrog. Als algemeen bekend zou worden dat Jezus getrouwd was, dan zou de kerk dat niet overleven. Het bestaan van een kind van Jezus zou het cruciale idee van Zijn goddelijkheid ondermijnen, en daarmee zijn christelijke Kerk, die zichzelf had uitgeroepen tot het enig uitverkoren werktuig waarmee de mensheid toegang had tot het goddelijke en het hemelrijk.
Ten tijde van de kruisiging was Maria Magdalena zwanger. Op Paasmorgen was zij het eerste bij zijn lege graf; zij was immers zijn vrouw… Om het ongeboren kind van Jezus in veiligheid te brengen, moest ze het land ontvluchten. Met de hulp van de trouwe oom van Jezus, Jozef van Arimathea, reisde ze in het geheim naar Gallië, het huidige Frankrijk. Daar vond ze een veilig toevluchtsoord binnen de joodse gemeenschap. Hier werd haar dochter geboren. Ze heette Sara.
De familie van Jezus breidde zich in Frankrijk uit en vermengde zich door een huwelijk in de vijfde eeuw met Frans koninklijk bloed, wat het begin was van de dynastie der Merovingers. Het Vaticaan probeerde deze koninklijke familie slinks uit de weg te helpen. Hetgeen op een haartje na gelukt zou zijn. Via koning Sigibert wist de bloedlijn zich voort te zetten tot Godfried van Bouillon, die de Priorij van Sion stichtte.
Tot zover de gedachtegang van Dan Brown. Hij schreef een indringend, fictief verhaal, dat Maria Magdalena, die hier in Vézelay vereerd wordt, in een revolutionair daglicht stelt. En bovendien bij mij ook allerlei gedachten laat opborrelen over het ‘marketingconcept’ van de vroegste christelijke Kerk. Marketing is van alle tijden, of het nu gaat over wasmiddelen, hondenbrokken of geloof. De zaak moet aan de man gebracht worden, economisch of ideëel; en ingeval van dit laatste bleek het resultaat , gezien de rijkdom en de praalzucht van de Kerk, economisch bepaald geen windeieren gelegd te hebben. Je ziet dan opeens bepaalde parallellen met het hele ‘Jacobusverhaal’. Ook een kwestie van ‘marketing’, die er bij de argeloze pré-middeleeuwers kennelijk in ging als zoete koek. Waar ligt de scheidslijn tussen Wahrheit und Dichtung, tussen wetenschappelijk bewijs en… geloof..? Het houdt je wel bezig.

We genieten van de romaanse kathedraal. In de crypte, nog ouder, bezoeken we ook de relikwieën van Maria Magdalena. Ontzettend veel foto's gemaakt.
Dit bericht kon ik op de blog zetten bij het Bureau de Tourisme… gelukkig.
Groetjes van ons tweetjes. Morgen gaat het naar Nevers, waar we Zaterdag - een verwachte regendag - een rustdag houden. Tot later!

woensdag 3 juni 2009

De zevende dag…

Zevende dag
Woensdag 3 juni 2009
Troyes – Auxerre, 92 km
Was de zevende dag in het scheppingsverhaal een rustdag, voor ons gaat dit niet op, we gaan vandaag verder naar Auxerre. Al om zes uur opgestaan rijden we tegen tien voor acht de poort van de camping uit. Om acht uur gaat de beroemde kathedraal van Troyes (spreek uit als ‘Trwá’) open. Die willen we nog even bezoeken. Gisteren waren we daar te laat voor geweest; ook God sluit om zes uur in Frankrijk…
Jammer genoeg was er niemand om ons een stempel te verstrekken. Daarom nemen we alleen herinneringen en een aantal bijzonder fraaie foto’s mee.
Het weer is opnieuw uitzonderlijk, de zesde dag achter elkaar al. Een flauw windje begeleidt ons op weg. Het is altijd een probleem om als fietser een vreemde stad uit te komen. Ook nu weer. Zoekend en vragend in de ochtenddrukte vinden we veel te laat de rustige weg naar het eerste dorp in ons routeboekje. We rijden over rustige wegen met lichte hellingen, door groene dorpen en een afwisselend kleinschalig landelijk gebied met bossen aan de heuvelachtige horizon. In verschillende plaatsen komen we weer van die markante overdekte wasplaatsen tegen. En ook een bakkerswagen, die ons tegen betaling voorziet van een lekker vers pain complet.
Bij een grauwe brievenbus aan de muur van de onooglijke ‘mairie‘, het gemeentehuis, van een piepklein dorp, posten we een ansichtkaart aan onze mamke. Benieuwd of ze er al is - die kaart - als we weer in Nederland terugkomen.
Er is heel wat te zien onderweg. In Fays-la-Chapelle staat notabene een kerkje in vakwerkbouw; zeldzaam, misschien wel uniek, en daarom opvallend.
Na een snelle afdaling rijd ik plotseling lek. Alweer de achterband. Fiets op zijn kant in het gras, wiel eruit, nieuw binnenbandje erin… het ‘oude’ bandje had spontaan een lek opgelopen naast het ventiel. Ik prijs me gelukkig met een reisgezel als Frans, die in deze - en ook andere - zaken uiterst handig is. Een kwartiertje later zijn we weer op weg.
Het mooiste plaatsje onderweg is Evry-le-Châtel, een hooggelegen stadje, uitkijkend op het dal van de Armance. Van de oude ommuring is een prachtige stadspoort bewaard gebleven met twee robuuste torens. Opvallend is ook de bijzondere ronde markhal, ook weer in vakwerkstijl. Ook hier weer een aantal houten vakwerkhuizen die zo kenmerkend zijn voor deze streek.
Onze grote pauze maken we even na twaalven op een picknickzitje bij een klein pittoresk sluisje en een wasplaatsje. We laten ons het verse pain complet uitstekend smaken, samen met een komkommersalade, nog over van gisteren, toen we teveel gekookt hadden. Nog even de handen wassen, die nog vuil waren van de lekke band, en heerlijk een tijdje de voeten in koele snelstromende water.
Na een groot aantal kilometers door een landschap dat afwisselend het midden houdt tussen het Limburgse heuvelland met klimmetjes en afdalingen en Brabantse vlakheid, rijden we de laatste twintig door de wijnvelden van de befaamde Chablis. Steile heuvels. De klim naar Lignorelles is lang en pittig en wordt gevolgd door nóg twee fikse klimmen.
Tijdens de eerste klim gaat mijn mobieltje. Louise. ‘Iemand van het OCGL, de heemkundevereniging, had haar gebeld voor foto’s van de twee scholen in Nieuwenhagerheide… ze weten toch dat ik weg ben!?
“Laat ze mij maar zelf bellen”, vind ik, “dan kunnen we het precies bespreken. Geef mijn mobiel nummer maar door.” Ik stop mijn mobieltje in de broekspijp van mijn fietsbroek. Meteen bij de hand. Maar als we in de drukte van Auxerre arriveren heeft nog niemand gebeld.
Auxerre is een middelgrote stad aan de rivier de Yonne. Aan de overkant ligt de kathedraal hoog op een heuvel te pronken. De rest van stad ligt tegen de hellende oever gebouwd.
Om half vier melden we ons bij de receptie van Camping Municipal d’Auxerre, waar we door een bijzonder kortaffe, gestreste ‘dame’ ontvangen worden. Zelfs het innen van 9 euro 85 als kampeergeld wil maar geen glimlach op haar gezicht toveren. De camping zelf echter oogt goed verzorgd met veel schaduwrijke plaatsen. Het sanitair ziet er nieuw uit. En… er is een internetverbinding in de kantine!
Tegenover de camping ligt het stadion van de vermaarde voetbalclub AJ Auxerre met de voetbaldinosaurus Guy Roux als coach. Onvergetelijk zijn de wedstrijden die ze tegen ons Ajax speelden.
Na gedoucht, de was gedaan en even gerust te hebben fietsen we naar het stadscentrum om een stempel te bemachtigen bij de kathedraal en boodschappen te doen. We fietsen door de smalle straatjes - hier ook weer van die typische vakwerkhuizen - naar het hoogste punt, waar de kathedraal St.-Etienne staat. Een imposant gotisch gebouw met drie prachtig gebeeldhouwde portalen en achter het altaar gigantische gebrandschilderde ramen uit de 13e eeuw met een compleet stripverhaal over het leven van Sint Jacob… dan voel je je pas echt op weg naar de eindbestemming. Dat laatste krijgen we niet te zien. We hebben onze fietsen nog maar net in het portaal geparkeerd als er iemand ons vertelt dat de kerk ‘closed’ is… terwijl de deur nog openstaat. De klok slaat zes. We lopen de deur binnen en ik maak snel een foto van het enorme middenschip. Door de zijbeuk zien we een bisschopachtige zwartgeklede heer, met een zilveren kruis omhangen, en een jongere man naar ons toekomen. Om ons eruit te gooien, vrezen we. Ik stap in hun richting en vertel hen dat we pelgrims zijn en graag een stempel zouden willen. Een en al instemming. De jongere man wordt met ons terug gestuurd naar de sacristie. Hij stempelt onze credencial met een onvergetelijke overgave om ons een zo fraai mogelijk product mee te geven. Daarna moeten we er echt uit en wordt de grote eikenhouten deur gesloten. God mag op zijn vrije avond niet meet gestoord worden… Zo heeft iedere stempel zijn eigen verhaal.

Helaas lukt het met deze verbinding niet om foto's toe te voegen. Jammar. Volgende keer hopelijk beter.
Groetjes van ons beiden.

Voor het eerst ‘Buon Camino!’

Zesde dag
Dinsdag 2 juni 2009
Châlons-en-Champagne – Troyes, 98 km

Een hele opluchting dat we gisteren in Châlons eindelijk weer eens een ‘connection internet’ aantroffen, in dit geval een ‘wifi zone’. Daardoor kon de achterstand ingegelopen worden: drie dagverslagen versturen en de reacties lezen. Heerlijk.
Voor de rest hadden we een gezellige avond gisteren in Châlons. Doordat er enkele regenbuiten vielen kon er weinig ondernomen worden qua stadsbezichtiging en inkopen doen. En omdat de camping een overdekt terras rijk is waar gegeten kon worden, hebben we daar met smaak gebruik van gemaakt.
Een uur later dan wij was de ‘alleenstaande vrouw’ van de dag tevoren ook weer gearriveerd. We legden contact en besloten samen te eten. Ze heet Willemien, een ergotherapeute met pensioen, en is helemaal vanuit Heiloo komen fietsen in haar eentje. Haar man Bart fietst tegelijkertijd in Spanje de Via Plata van Sevilla naar Santiago en van daaruit ’terug’ naar St.-Jean-Pied-de-Port, waar ze elkaar op 23 juni weer in de armen zullen sluiten. Romantisch of niet? Naar verwachting zouden we Bart mogelijk nog tegen kunnen komen in de buurt van Pamplona. We zullen zien. Nogmaals, het werd een gezellige avond. Willemien lijkt uiterlijk ontzettend veel op mijn collega Tineke van ‘t Valder, bijna als twee druppels water. En haar manier van spreken ook. Na het eten - Frans en ik aten frites met worst en een bijna onbehoorlijk grote kom sla - werd er zelfs nog een tweede fles wijn besteld. En dát hebben we vandaag geweten!
Vannacht werd ik rond half drie wakker. Een beetje misselijk (wie zei dat vroeger ook al weer…?). De worstjes wilden maar niet zakken en het borrelde in mijn darmensysteem. Tot overmaat van ramp bleek ook nog eens de lucht uit mijn slaapmatrasje en ongewenste uitgang te hebben gevonden; een ‘slapmatrasje’ dus, waardoor gevoelig ik op de oneffen grond lag. Allerlei doemscenario’s begonnen door mijn hoofd te spelen. Maar na een ‘succesvol’ bezoek aan het toilet en het opblazen van het matrasje had ik normaal verder kunnen slapen tot Frans om half zeven opstond met zijn gebruikelijke vraag: “Wie laat is ‘t?”. Onwetend van dit alles. Hij had geslapen als een blok.
De hemel is vandaag weer kraakhelder, smetteloos blauw. De zoveelste mooie dag op rij. Om half negen vertrekken we voor onze dagrit naar Troyes, uitgezwaaid door een fietsende Duitser, een ex-Santiagoganger. “Buon Camino!” Je begint er steeds meer tegen te komen.
De eerste kilometers zijn onverwacht vlak als een biljartlaken. Niet te geloven. Maar daarna wordt het toch al snel weer van hetzelfde laken een pak. Eindeloze golvende graanvelden, doorsneden met lange rechte wegen tot aan de einder, flauwtjes klimmen en dalen door de graanschuur van Frankrijk. Akker na akker, spaarzame kleine dorpjes, vaak versscholen in een dalput. Bijna allemaal hebben ze een oude romaanse kerk. Maar voor de rest lijken ze uitgestorven. Hier en daar zien we enorme coöperatieve graansilo’s. De middenstand heeft het hier niet kunnen bolwerken. Over een afstand van 90 kilometer komen we nauwelijks een winkel of cafeetje tegen. Als je dat vooraf niet weet, kun je beslist een probleem krijgen als je mondvoorraad op is.
Onderweg halen we de eerste collega-pelgrims in, twee mannen uit Breda.
“Die komen me heel bekend voor”, zegt Frans als we een eind voorbij zijn. En dat blijkt inderdaad zo te zijn als ze ons een uurtje later weer inhalen als we na 54 kilometer (gereden met een gemiddelde van 21!) een eetpauze houden in de schaduw van de oude kerk van Lhuitre met weer een rustiek vervallen kerkhof. Een van hen is de broer van een collega van Frans. Frans wist dat ze op dezelfde dag vertrokken waren, maar dat je je onderweg zou ontmoeten… nee, dat is puur toeval; maar wat heet toeval..?
We zijn inmiddels het departement Bourgogne binnengereden. Het landschap wordt kleinschaliger, gezelliger, de dorpen wat dichter bij elkaar. De wegen zijn minder, veel grove steenslag.
Na 60 kilometer passeren we een historische plek, St.-Nabord-sur-Aube, waar Napoleon zijn laatste slag leverde tegen de Oostenrijkse troepen, om daarna afstand te doen van de troon. Historie. Dat is zowat alles wat er onderweg aan wetenswaardigheden bij elkaar geschraapt kan worden.
Om half drie komen we aan op de camping municipal van Troyes. Alweer geen ‘connection internet’. In de stad is wel een internetcafé waar we hopen te slagen. Na rondgereden te hebben en veel foto’s gemaakt, stappen we na enig zoeken het wifi- en cybercafé binnen. We worden meteen op de hoogte gesteld van het onheil: uitgerekend vandaag ligt in de hele regio het totale internetgebeuren plat door een storing..! Tja, we doen dan wel ons best om jullie op de hoogte te houden, maar dáár kunnen we uiteraard niet tegenop. We hopen morgen in Auxerre betere omstandigheden aan te treffen.
Troyes als stad - de Seine vertakt zich in hier in drie armen die later weer in elkaar vloeien - is bijzonder de moeite waard. Dicht bij elkaar liggen drie geweldige oude kerkgebouwen waarvan de gotische kathedraal, de St.-Pierre-et-Paul, de bekendste is. Ze heeft onvergetelijk mooie gebrandschilderde ramen, die we echter niet mogen zien omdat er maar tot kwart voor zes bezichtigd kan worden. Doodzonde. Evenals Châlons staat het oude centrum bovendien vol met van die karakteristieke eeuwenoude vakwerkhuizen. Een groot deel van Troyes werd in de Tweede Wereldoorlog verwoest, maar de sporen hiervan zijn inmiddels uitgewist.
Tot zover de woorden van de evangelist Mathias. Wordt (hopelijk) vervolgd morgen in Auxerre.

maandag 1 juni 2009

Pinkpop in de Champagne


Vijfde dag
Maandag 1 juni 2009, Pinkstermaandag
Varrennes-en-Argonne – Châlons-en-Champagne, 76 km

Thuis, althans in Landgraaf, is vandaag de topdag van Pinkpop. Voor de 40e keer al! Over traditie gesproken. Ik zal het gebonk en gedreun van de bastonen in mijn achtertuin - het hardst bij zuidwesten wind - dit jaar moeten missen. Weer even een nostalgisch verlangen naar huis. Maar niet alleen thuis, maar ook op de camping van Varennes viel er vannacht van iets van dien aard te genieten…, nou ja, genieten… de hele lange, koude nacht klonk vanuit een caravan met pubers een doordringende disco-techno (zo gok ik naar de benaming van deze ‘muzikale’ stroming) van zo’n driehonderd basslagen per minuut. Om gestoord van te worden. Rond vijf uur werden er vogelgeluiden doorheen gemixt, maar die kwamen echt uit de bomen. Maar aan zo’n vogelconcert ben je zo gewend dat je dat op een gegeven moment niet meer hoort; die tak-tak-tak-rampetampe dreun wel. Tegen half zes vonden de jongelui het kennelijk tijd worden voor ‘oogjes dicht en snaveltjes toe’. Maar dat ik goed geslapen en uitgerust ben, kun je bepaald niet zeggen.
De iele klok van de plaatselijke kerk slaat zeven als ik de slaapzak oprol. De lucht is weer strakblauw, dit na die bewolkte dag van gisteren en in tegenstelling met wat ik gisteren van Louise uit mijn mobieltje vernam: het zou in de regio Parijs slecht weer worden… waarom hebben we deze reis zo’n geluk? Omdat we het verdiend hebben? Omdat Sint Jacob de loper voor ons uitrolt en alle bovenaardse relaties mobiliseert?
Even na half negen stappen we op de fiets en na een snel bezoek aan de ‘boulanger’ voor een pakje ‘pain complet’ beginnen we aan de route van vandaag. Bergop langs de Tour Louis XVI en hoger… Van de eerste vijf kilometer moeten er vier geklommen worden, een veelbelovend begin. Maar daarna mochten we kilometers lang vals plat door een koel bos omlaag om daarna met een stevig blazende Aeolus in de rug - wat zijn we toch mazzelaars - te belanden in de onafzienbare golvende lappendeken van graanakkers van de Champagne, met verspreid liggende piepkleine dorpen waar gigantische graansilo’s de skyline bepalen. Een van die dorpen heet Hans. Niet Anders, maar gewoon Hans - overigens uitgesproken als Òh. In het centrum staat een rond 1200 gebouwde kerk met de naam Notre Dame du Soldat, onze lieve Vrouw van de soldaat. Er staat ook een kasteel waar koningen en edellieden verbleven als ze op doortocht waren.
Die veldenoceaan doet me onmiddellijk denken aan meseta, de Spaanse hoogvlakte van gelijksoortige akkers, waar we over een paar weken doorheen moeten. Het is vandaag al behoorlijk warm, en bomen zijn soms slechts aan de horizon te zien. Of Aeolus dan ook onze metgezel zal zijn..? Vandaag blaast hij ons vooruit. Vooral bijzonder aardig bij de klimmetjes. We hallen met onze zwaarbepakte fietsen een gemiddelde van twintig.
Om kwart over elf houden we een korte eetpauze op de trappen van de kerk in het dorpje Bussy-le-Château - geen kasteel te zien, misschien was het er vroeger, anders zou de naam niet te verklaren zijn. We eten pain complet en smeren ons in, want anders verbrand je vandaag levend op die wegen door de velden. Aan iemand gevraagd naar drinkwater - eau potable - worden we verwezen naar een kraan op het kerkhof. Ik maak nog een paar impressiefoto’s van de vervallen en scheefgezakte oude graven. Ligt hier misschien ook een voormalige Santiagoganger tussen?
Na ongeveer 50 kilometer fietsen we een klein eindje over de kaarsrechte Ancienne Chaussée Romaine, een van de vele voormalige Romeinse heirbanen die het Romeinse Gallië doorkruisten. Ook in die tijd, bijna twee millennia geleden, zullen hier ongetwijfeld al graanakkers geweest zijn.
Tien kilometer verder ligt l’Épine. Van verre zijn de twee reusachtige torenspitsen van de kolossale basiliek al te zien aan de einder van de velden. Sinds herders in de elfde eeuw in een brandende braamstruik een Mariabeeld vonden, dat voor genezing bleek te kunnen zorgen, is l’Épine een bedevaartsplaats, die zelfs door de paus bezocht werd. Dat lezen we op een plaquette in de kerk, die we binnengaan met het oogmerk een stempel te bemachtigen voor onze credencial. In het prachtige gotische interieur met schitterende glas-in-loodramen loopt een oud scheefgetrokken vrouwke met stoelen te sjouwen.
“Un tampon? Mais bien sûre, messieurs. Venez avec moi.” We volgen haar naar de sacristie die ze met moeite knarsend opent. Ze maakt de stempel schoon om een zo mooi mogelijke afdruk te kunnen leveren. Als ze ons vriendelijk aankijkt heb ik even de neiging mijn scheerapparaat uit mijn bepakking te halen. Maar daar is ze te lief voor. Daarom helpen we haar mee met het versjouwen van de overige stoelen. Met een goed gevoel begeven we ons weer op weg.
Van hieruit is het nog ruim tien kilometer naar Châlons. Na een lange flauwe klim vallen we na een kilometerslange kaarsrechte afdaling door de velden als het ware de stad binnen. Châlons is het noordelijk centrum van de Champagnestreek, eigenlijk de eerste grotere stad op onze route. De binnenstad ziet er pittoresk uit met zijn vele karakteristieke vakwerkgevels. Er zijn ook drie bezienswaardige kerken. Een daarvan is de prachtige deels romaanse, deels gotische Notre Dame en Vaux, dé toeristische blikvanger.
De plaatselijke Camping Municipal, waar we twee jonge Françaises aantreffen van wie er een werkelijk accentloos Engels spreek - merci monsieur pour les compliment - ligt drie kilometer buiten de stad. Het is er een van het betere soort. Groot, rustig, veel bomen en … wifi! Ik krijg een code waarmee ik op het netwerk kan inloggen. Deze pelgrimstocht is zelfs nog geschikt om mijn informatica-achterstand in te lopen. Je blijft leren, hoe oud je ook bent.
Terwijl ik dit zit te schrijven onder een overdekt terras, barst een noodweer los. Il fait de d’orange. Maar het is slechts van korte duur. Volgens de ‘madame’ die mij een pilsje verstrekt zal het morgen weer hetzelfde worden als vandaag, 24 graden, en hopelijk Aeolus weer in de rug.
Bedankt voor jullie geduld. De reacties waren weer overweldigend.



De Geest van Pinksteren




Vierde dag
Zondag 31 mei 2009, Pinksteren
Montmédy – Varennes-en-Argonne, 60 km

Het is Pinksteren vandaag. Twee millennia geleden verscheen de Heilige Geest aan Jezus’ apostelen in de vorm van vurige tongen. Ze kregen letterlijk de geest en trokken daarmee de wijde wereld in om te prediken. Petrus naar Rome, Johannes naar Efese en Jacobus… naar Spanje? Werd hij daarom in dat land begraven? Of … wérd hij daar wel begraven? Ooit, twaalf eeuwen geleden, stelde paus Calixtinus, de plaatsvervanger van Christus op aarde, dit officieel vast. Dáár moest men zijn om Jacobus te aanbidden. Geen twijfel mogelijk, want hij, Calixtinus, was immers onfeilbaar. En die het waagde hieraan te twijfelen, werd als ketter in de ban gedaan. Of erger. Welnu, deze vaststelling van Calixtinus vormt het fundament van onze lange reis naar ‘het einde van de wereld’ – in middeleeuwse begrippen althans, we weten tegenwoordig wel beter… – in het spoor van al die miljoenen die ons voorgingen. Maar het is nog ver, nog meer dan tweeduizend kilometer. Cees Nooteboom formuleert het zo:
De pelgrimage naar Santiago ontstond omdat men meende in die stad het graf van de apostel Jacobus gevonden te hebben; gebeurtenissen dus die plaatsvonden naar aanleiding van iets wat misschien nooit gebeurd is. Op die uiterst schimmige voorstelling rustte een massale Europese volksbeweging die de Spanjaarden de mogelijkheid gaf om zich tegen de Arabische overheersing te blijven verzetten, de rest van Spanje op de Islam terug te veroveren, en zo een tij te keren dat heel Europa had kunnen overspoelen.
Stel je voor, als dát destijds niet gelukt was, dan hadden onze vrouwen nu met hoofddoekjes of totaal vermomd in carnavalistische burka’s moeten rondlopen… maar niet op straat! Je moet er niet aan denken.
Maar nu terug naar het heden, onze belevenissen. We hebben tot nu toe werkelijk onvoorstelbaar geluk met de weersomstandigheden. Al vóór zes uur kruipt de zon over onze tent op de hoogte boven Montmédy. Alles is kurkdroog, zelfs het gras. Als ik om halfzeven opsta is het bepaald nog niet echt warm. De lucht is blauw, met hier en daar een onschuldige wolkensliert. De camping is stil en leeg. Twee fietserstenten ver uit elkaar - wij zochten gisteren naar een plek waar de eerste zonnestralen zouden komen -, een camper en twee caravans, waarvan een toebehoort aan het bejaarde echtpaar waar we onze laptop mochten opladen en die hier ‘staat’ van mei tot en met juli. De hele nacht knetterde het verkeer nagenoeg vlak langs onze tent bergop en bergaf: motoren en auto’s, met veel pokkenherrie en soms harde blasters. Regelmatig schrokken we even wakker.
Om tien voor negen gingen we op pad. Een prachtige route, in het begin enkele klimmen en daarna afdalend naar het dal van de Meuse, onze Maas dus.
Na 11 kilometer passeren we het dorp Louppy-sur-Loison met een gigantisch renaissance kasteel, waar de Zonnekoning zijn hoofdkwartier had tijdens de belegering van Montmédy. Maar dat was gisteren… of nog langer geleden.
May eens een keertje bergop aan de leiding...

Na 30 kilometer rijden we door Dun-sur-Meuse, een van de hoogstgelegen plaatsen aan de Maas. We drinken op een terrasje aan de waterkant een ‘Orangina’.
“Als Gerry hier in het water zou spugen, dan zou dat helemaal richting Nederland drijven’, meent Frans. “Dan zou ze in Venlo op de brug kunnen gaan kijken hoe het langs drijft…”
In de buurt van Romagne, waar we een tijdje later passeren, ligt een van de grootste oorlogskerkhoven van Europa. Dat laat ons even stilstaan bij die verschrikkelijke Eerste Wereldoorlog 1914-1918, toen hier in de Argonnestreek in zes weken tijd 16.000 soldaten sneuvelden. En vele burgers. Familiegeschiedenissen boordevol leed. Ook in Varrennes-en-Argonne, waar we nu onze tent hebben opgeslagen, worden we hiermee geconfronteerd. Dit stadje, net achter de loopgravenlinie, werd tijdens die oorlog compleet aan diggelen geschoten. Een eind verder oostwaarts woedde de grote ‘Slag van Verdun’. Nóg bloederiger…
Maar… lang voordien had Varennes ook al wereldfaam verworven. Bij het begin van de Franse Revolutie in 1789, waarbij het volk de macht overnam, trachtte de Franse koning Louis XVI met zijn Marie-Antoinette en hun kinderen in cognito naar Oostenrijks territorium te ontvluchten. Ze overnachtten hier in Varrennes in een herberg om de volgende dag volgens een geheime planning verder te reizen naar Montmédy. Maar zover zou het niet komen, want ze werden herkend - hun beeltenis stond ‘toevallig’ op een geldstuk… - en door revolutionaire onderdanen gearresteerd en opgesloten in een ‘gouden kooi’ - die toen weliswaar nog niet op tv uitgezonden werd, maar het toch was. Het vervolg was nog treuriger, want enige tijd later maakte het valbijl van de guillotine een luisterloos einde aan hun aardse bestaan.
De geschiedenis van de streek waar we vandaag doorheen fietsen werd geschreven met bloed. Eeuwenlang vonden hier veldslagen plaats, raakte de grond doordrenkt met het bloed van vele soldaten, zonen van ouders, vaders van kinderen, gevallen voor de glorie van het vaderland; zo staat het te lezen op bijna ieder oorlogsmonument op de dorpspleinen die we passeren: ‘A nos morts glorieux’ of ‘tombé pour la gloire de la patrie’… voor de glorie van het vaderland… alsof dat het onbeschrijflijke leed en de ellende zou kunnen verzachten…
Leed en ellende in zeer plaatselijke omvang levert voorlopig ook mijn nieuwe zadel op. Ik weet af en toe gewoon niet hoe ik moet gaan zitten. Ik begin me zelfs op de klimmen te verheugen, omdat ik dan mijn benen meer voel dan mijn zitvlak. Het kan raar lopen. Maar ik heb er goede hoop op dat er ’te eniger tijd’ verbetering zal optreden. Hoop doet leven. Desondanks hebben we vandaag toch een gemiddelde van tegen de 18 per uur weten te rijden.


Een van die mooie bruggetjes, net erna een enorme klim het dal uit

Om half twee rijden we, na een paar pittige klimmen en steile afdalingen, via de brug over het snelstromende riviertje de Aire de poort van ‘Camping Municipal Le Pâquis’ binnen, een groot parkachtig terrein met veel bomen. De receptie is naar goed lokaal gebruik gesloten. De dienstdoende gemeenteambtenaar zal er vanavond tussen zes en halfzeven zijn om het ’goud’ te oogsten. In ons geval 6 euro 80...
We sjouwen een houten picknickzitje naar onze tent, waardoor er vanavond heerlijk gezeten kan worden. Later arriveert een alleenstaande vrouw - althans als zodanig op weg - die ook naar St.-Jean-Pied-de-Port fietst. Die zullen we onderweg misschien nog wel vaker zien.
Nadat ik dit dagverslag grotendeels ingetikt heb, gaan we uitgebreid koken met de boodschappen die we onderweg in een supermarkt gedaan hebben. Niet om op te scheppen, maar het wordt werkelijk een copieuze maaltijd.
Voor de rest dreigt het verhaal eentonig te worden: nergens in dit stadje is er gelegenheid om op internet te komen. Via onze laptop is er eveneens opnieuw geen netwerk in de buurt te vinden. Hopelijk morgen beter. Châlons is een grotere stad met wellicht meer mogelijkheden.

Bonjour la France

Derde dag
Zaterdag 30 mei 2009
Bastogne – Montmédy, 87 km

Waar zijn de tijden gebleven dat we in één dag van Landgraaf naar Frankrijk fietsten? Precies 44 jaar geleden. In 1965 reed ik als twintigjarige jongeling, net geslaagd voor de kweekschool en mijn hele arbeidsleven nog in een onafzienbare lengte voor me, met Jo Ringens, een studiegenoot, naar Parijs. De eerste dag al bereikten we Frankrijk: Givet, vlak over de grens weliswaar, maar toch. Met 173 kilometers op de teller! En nu, zoveel jaren later – én ouder – doen we daar drie dagen over. Waarbij wel niet vergeten mag worden dat de afstand naar Montmédy ongeveer 260 kilometer bedraagt en de gekozen route heel wat meer klimwerk vereist.
De nachten in Bastogne, op een hoogte van 525 meter, zijn vaak ijselijk koud. Ook nu. Ik duik klappertandend als Shakin’ Stevens met kleren en al de slaapzak in. Met hoofd en al, als een waarm blazende biologische cv. Wat een verschil met dat warme nest bij die heerlijke bed- & breakfastovernachting in Targnon! Maar kom op, jongelui, we mogen niet te verwend raken.
’s Ochtends staat de zon al vroeg op onze tent. Nog even lekker een half uurtje aanwarmen. De lucht is weer strak blauw. En de tent is aan de buitenkant al droog. Dat scheelt heel wat werk.
Om acht uur zitten we te ontbijten uit de prima gesorteerde ontbijtdoos van Frans. De wind blaast uit het oosten. Een goed teken. Stabiel weer. We kunnen alles goed droog krijgen en schoonmaken voordat we inpakken. Een stukje luxe dat je tijdens een reis als deze niet al te vaak ten deel valt.
Om kwart over negen rijden we bergop de stad in en dan weer verder zuidwaarts. Aanvankelijk schuift de weg aangenaam onder de wielen door. Bastogne blijkt een goede keuze om de derde dag te beginnen. Maar na een kilometer of tien wordt het scenario van gisteren weer uit de la getrokken. De ene klim na de andere, afgewisseld met suizende afdalingen. Ik kijk op de teller: 21,8 kilometer… pas?! Het lijkt alsof we intussen al het dubbele erop hebben zitten, althans gemeten naar de hoeveelheid geleverde sportieve arbeid. Anderzijds is het toch weer geweldig dat Aeolus ons met zijn bolle wangen andermaal van dienst is. Hij doet nóg beter zijn best dan gisteren. Hij blaast ons af en toe vooruit als ouderen op een ‘elektrische fiets‘.
Na 36 kilometer zitten we na twee fietsuren desondanks redelijk afgepeigerd op een bankje in de zon met een pak lekker Belgisch brood en de ontbijtdoos van Frans om energie bij te tanken. We zijn bijna halfweg… denken we. Maar daarover later meer.
Het wegdek is af en toe erbarmelijk. Hier noemen ze dat ‘déformé’. We zien vaker een bord dat ons daar ten overvloede op meent te moeten wijzen. Tussen haakjes: we realiseren ons dat er zich onder onze lezers een leraar Frans bevindt met een ter zake uiterst toepasselijke voornaam. Het valt ons op dat ‘Chaussée déformée’ (in het bericht van gisteren fout geschreven…) tweemaal met ‘ée’ geschreven behoort te worden. Dit komt omdat een weg vrouwelijk is, kennelijk omdat hij/zij bereden wordt… sorry, smakeloos grapje, ongepast voor een pelgrim.
Na het vlekje Léglise fietsen we lange tijd bergaf door dennenbossen. We verlaten de Hoge Ardennen. En na Rossignol dalen we verder af in het wijde dal van de Semois. “We hebben ons tot nog toe nog niet echt verreden”, merkte ik gisteren nog tegen Frans op. En terecht. Maar vandaag gebeurt het dat we al meer dan twee kilometer bergop rijden in de verkeerde richting. Het was me al opgevallen dat de wind gedraaid was, maar als ik in de verte een bos zie, dat op de kaart in het noorden ingetekend staat en ik me tegelijkertijd realiseer dat we de zon pal in de rug hebben, schreeuw ik naar Frans (bergop altijd aan de leiding) dat we rechtsomkeert moeten maken. Bijna vijf kilometer voor de … enfin, dat mag iedereen zelf invullen.
Even later weer op de juiste weg (Lucas VI…) komen we via een smalle, steil en ‘chaussée deformée’-omlaag leidende bosweg in de wondermooie Val d’Or, de gouden vallei, waar de enorme abdij van Orval ook haar naam aan ontleent, in omgekeerde zin weliswaar, maar toch. Net als Val Dieu ook een cisterciënzer abdij. Deze orde betekende veel voor de opvang en verzorging van de Middeleeuwse pelgrims. De naam Orval herinnert aan de legende van een verloren gouden ring in de Mathildebron, die door een vis werd terugbezorgd, letterlijk weer boven water gebracht dus. Bij de abdij behoorde naar goed gebruik eeuwenlang een bierbrouwerij, die echter inmiddels zelfstandig opereert. In het abdijwinkeltje wordt dit abdijbier verkocht, evenals andere abdijproducten zoals kaas en honing. Dat zagen we ook al in Val Dieu.
Vijf kilometer verder passeren we de Franse grens. Bonjour la France! We worden verwelkomd met de zoveelste lange en steile klim. Bienvenue.
In het dal van de Thonne rijden we met 80 kilometer op de teller het dromerige dorpje Avioth binnen. Meteen wordt het oog getrokken door een onlogisch grote gotische basiliek, ogenschijnlijk zonder enig gevoel voor verhoudingen zomaar op het hoogste punt van het dorp neergeplant. Echter…, toch niet zomaar, want er is een duidelijke verklaring voor. Sinds de 12e eeuw wordt hier een bijzonder Mariabeeld vereerd, gesneden uit lindehout, en in 1147 al aanbeden door niemand minder dan de heilige Bernardus van Clerveaux in gezelschap van de paus himself. Dat zegt genoeg. Het dorp is desondanks niet met zijn enorme kerk meegegroeid.
Verder fietsend door het dal van de Thonne zien we opeens hoog tussen het groen de twee torens van de citadelkerk van Montmédy prijken. Er is echter nog een behoorlijk pittige klim nodig om de erbij gelegen Camping Municipal La Citadelle te bereiken. Dermate pittig dat ons niets anders rest dan een deel van onze pelgrimage te voet af te leggen. De deerlijk vervallen citadel ligt strategisch op een vooruitstekende rots die naar drie kanten uitzicht biedt over het dal waarin het stadje zelf aan de voet gelegen is. Eeuwenlang beschermde deze door Karel V aangelegde vesting de grens van het Groothertogdom Luxemburg. Na de verovering door de Zonnekoning Louis XIV in 1657 werd de vesting door de vermaarde bouwmeester Vauban uitgebreid tot de thans nog bestaande machtige fortificatie. Montmédy is al eeuwen een pleisterplaats voor Santiagogangers.
Op de camping aangekomen doen we uitgebreid de was, die even later heerlijk droog hangt te wapperen in de harde oostenwind. Daarna gaan we boodschappen doen. Daarvoor moeten we een lange slingerende berg af - het stadje ligt zo’n honderd meter lager - en daarna beladen weer terug omhoog. Mede daardoor smaakt het eten voortreffelijk.
De Camping Municipal is vrij nieuw. Er is behalve een sanitairgebouw niets aan voorzieningen aanwezig. Het kantoor wordt maar twee uur per dag bemand door een gemeenteambtenaar, die we het vorstelijke bedrag van 7 euro 35 verschuldigd zijn. Nergens kunnen we een stekker vinden om de laptop op te laden. Maar gelukkig brengen twee oude bereidwillige mensjes in een caravan uitkomst. Zo kan dit verhaal toch geschreven worden, maar verzenden is vandaag niet mogelijk omdat we nergens op internet kunnen.
De Hoge Ardennen met zijn pittige hellingen liggen voorgoed achter ons. De tocht voert vanaf morgen verder door de glooiende heuvels van de Woevrestreek, het onvervalste Franse platteland met verspreid liggende dorpjes met kerken en kastelen, zonder toeristische drukte. Maar of de hellingen niettemin toch op onze weg blijven komen, daarover morgen meer.

vrijdag 29 mei 2009

Uit het zadel gewipt

Tweede dag
Vrijdag 29 mei 2009
Targnon – Bastogne, 80 km


Als we na een lange slaap wakker worden hangt er een dichte mist in het dal van Targnon. Dat wordt dik inpakken vandaag. In de kantine genieten we een prima ontbijt. We zien op tv zelfs het Nederlandse ochtendnieuws en horen onder meer dat Roda zijn eerste wedstrijd in Leeuwarden gelijk gespeeld heeft; thuis de boel afmaken en het verdere verblijf in de eredivisie zit in de knip. Ook buiten breekt de zon door.
Even na half tien nemen we afscheid van het gastpaar Peter en Cécile en stappen we op voor een prachtige dag. Eventjes naar Bastogne. Zo denken we. Gisteren was immers de zwaarste…
Vanaf de camping volgen we het bosrijke, langzaam oplopende, slingerende dal van de Lienne richting Lierneux. Vals plat omhoog. Het riviertje slinkt kilometer na kilometer tot er uiteindelijk een onooglijk smal weidebeekje overblijft. Het weg loopt aanvankelijk prima.
“Toch wel aardig dat die Belgen speciaal voor het wegdek hebben vernieuwd”, merk ik op, “je krijgt het gevoel dat ze de loper voor ons uitgelegd hebben.” Maar loof de dag nooit voordat de avond gevallen is, want even later moeten we verder hobbelen over deplorabel gescheurd asfalt met gaten dat je best ‘déformé’ mag noemen. De Belgen lijken dat met ons eens, getuige een bord ‘Chaussé déformé’; alsof we dat zelf niet merken. Vooral mijn zadel. Bij de zoveelste ongewenste oneffenheid word ik even uit het zadel gewipt en hoor ik bij het neerkomen een onheilspellende krak. Mijn ‘zetel’ zit los. Met een tie-rap wordt het ongemak provisorisch verholpen. Maar dat ik hiermee Santiago niet haal, wordt al snel duidelijk. Als ik voorlopig Bastogne maar eens haal…
Stilaan wordt het landschap weer opener. Overwegend groene weilanden, afgewisseld met hagen en bossen, hier en daar een eenzame boerderij en een klein verweerd dorpje. Maar de klimmen blijven toenemen. Het wordt steeds zwaarder. Ik voel bij iedere nieuwe klim hoe mijn benen steeds meer averij beginnen op te lopen. Heb ik daarvoor zoveel getraind in het heuvelland, de Camerig, Epen, Vijlenerbos, de Vaalserberg? Maar dit is andere koek. De tijd om te herstellen wordt steeds korter. Eén keer besluit ik me niet te schamen en af te stappen. “Dit wordt te gek”, mopper ik tegen Frans die me voorbij rijdt. Nadat hij gisteren een paar van deze inzinkingen had, oogt hij vandaag weer zoals gewoon supersterk.
Als we na 35 kilometer bij Langlire het hoogste punt bereiken, 575 meter, hebben we bijna alleen maar geklommen.
Het binnerijden van Cherain (42 km), waar een imponerend stuk afweergeschut uit de Tweede Wereldoorlog op een pleintje staat, ontaardt voor Frans in een kortstondig feest van herkenning.
“Hier hebben we gewandeld! Twee jaar geleden, toen we de knutselweek hadden in Baclay!” Dit oord stond op een wegwijzer aangegeven op 2 kilometer.
Dan dalen we heerlijk af naar de bosrijke bovenloop van de Ourthe. het nog smalle riviertje heeft zich hier ingeslepen in de heuvels en meandert vrolijk van oost naar west richting Houffalize. Maar daar hoeven we niet naar toe. We genietende met volle teugen van dit geweldige mooie stuk natuur waar eindelijk eens een paar kilometer niet geklommen hoeft te worden. Bij de camping Moulin de Bilstain vinden we eindelijk een terras. Restaurant gesloten, maar dat deert ons niet. Tegen een hoge rots tegenover ons zijn ze bezig met abseilen. Het weer is schitterend. Nogmaals, puur genieten, ook als we weer verder rijden. Maar even later worden we dan toch weer gestraft voor ons genot door een lange en steile klim, slingerend uit het Ourthedal omhoog. Gelukkig krijgen we meestal een zetje in de rug. De engelen zelf? Of hebben ze de oude, antieke Aeolus, de Griekse god van de wind, nog eens van stal gehaald, ingehuurd, om ons een handje te helpen?
Na nog vele kilometers door dit wondermooie Ardense landschap op - Aeolus in de rug - en neer bereiken we even na vieren Bastogne of Bastenaken, in onze dagen zoals wellicht bekend het keerpunt in de befaamde wielerkoers Luik-Bastenaken-Luik. Alleen maar héén is voor ons al ruimschoots genoeg. In december 1944 woedde hier in alle hevigheid het beroemde Ardennenoffensief; de opmarcherende geallieerden werden in de heuvelachtige ommelanden lange tijd bezig gehouden door een vertwijfeld spartelende Wehrmacht. Uiteindelijk vergeefs. Het kostte duizenden doden en een vrijwel totaal verwoeste stad. De herinneringen aan deze verschrikkelijke episode worden levend gehouden door een Amerikaanse tank in het centrum, een monument op een heuvel en twee musea.
Op zoek naar een fietsenzaak voor een nieuw zadel worden we van le petit cabinet à la mûr gestuurd. Tot nog toe heb ik nog geen centje zadelpijn gehad. Maar zal dat zo blijven op een nieuw zadel? Een nieuw zadel moet ingereden worden… maar we hebben nog kilometers genoeg voor de boeg voor we bij Sint Jacob zijn.
Camping De Renval vinden we tenslotte aan de westrand van de stad aan de dalende weg naar Marche. Een goed verzorgde driesterrencamping, met alles erop en eraan. Behalve een computer om straks dit dagbericht op de blog te zetten. Nee, geen ordinateur publique. Dan had ik maar ‘wifi’ moeten hebben. Misschien iemand anders op de camping? Maar hoe vind je die? Ik zie wel een bejaarde vrouw met een ‘fifi’, maar de eerste letter klopt niet. Dan maar wachten tot morgen.
Van Louise en Gerry hoorden we dat er veel reacties geplaatst waren op het bericht van de eerste reisdag. Hartstikke bedankt! Doodzonde dat wij er vandaag niet van kunnen genieten. We zitten te popelen - in de uiterst luidruchtige Kantine. Hopelijk hebben we morgen in Montmédy meer geluk. En jullie ook.
En dan, onverwacht, lukt het Frans de netwerkverbinding te bewerkstellingen. Die Frans… Dus toch een tweede reisbericht vandaag.